De joodse lobby in de VS

Met of zonder lobby

Tijdens haar bezoek aan het Midden-Oosten wees Gretta Duisenberg weer beschuldigend in de richting van de «rijke joodse lobby» in de Verenigde Staten, die grote invloed zou hebben op het Amerikaanse beleid. Maar ook zonder lobby zijn er hechte banden tussen Israël en de VS.

New York — Israël heeft een nieuw raketsysteem gebouwd om vijandelijke projectielen te onderscheppen, en de Verenigde Staten hebben er zo’n achthonderd miljard dollar aan bijgedragen, zo hebben de internationale persbureaus enige tijd geleden gemeld. Voor de een was dit het zoveelste bericht over Israëlische defensie-inspanningen en Amerikaanse steun daarvoor. De ander zag het als een bewijs van het succes van «de» Israël-lobby in de VS of, zoals Gretta Duisenberg het graag mag zeggen, «de rijke joodse lobby».

De term suggereert een schimmige wereld van achterkamertjes en handjeklap, van bankiers en grootindustriëlen, van een ritselcultuur die invloed uitoefent op de Amerikaanse politieke besluitvorming jegens Israël en het Midden-Oosten. Het suggereert ook dat het Amerikaanse beleid er heel anders zou uitzien als die rijke joden de hand op de knip hielden.

Rebecca Needler is stafmedewerker van het vijftig jaar oude American-Israel Public Affairs Committee (Aipac) — volgens beleidsmakers op Capitol Hill een van de meest invloedrijke lobbygroepen in Washington — en ze windt er geen doekjes om dat de leden hun uiterste best doen het stemgedrag in het Congres te beïnvloeden. Aipac benadert politici niet alleen op Capitol Hill. Lokale leden bezoeken de politici ook thuis tijdens weekenden, vakanties en verkiezingsperiodes. Zulke bezoeken worden vanuit het hoofdkantoor toegejuicht, want «we zien onszelf als een organisatie aan de basis». Tevens tracht men joodse en niet-joodse kiezers her en der in het land op de hoogte te houden van recente ontwikkelingen, zodat die wellicht zelf aan hun afgevaardigde laten weten hoe belangrijk Israël is. Maar Aipac «is geen verlengstuk van de Israëlische regering of de politieke partijen daar», zegt Needler. «We vertegenwoordigen Amerikaanse kiezers die geloven in een sterke band tussen de VS en Israël.»

In de afgelopen tijd heeft Aipac succesvol gelobbyd bij het Congres voor een hele waslijst met wensen, waaronder sterkere maatregelen tegen Palestijnse verzetsgroepen als Hamas en Hezbollah, financiële hulp ter waarde van 28 miljoen dollar waarmee Israël in de VS geavanceerde bomdetectoren kan kopen, sancties jegens Arafat als hij er niet in slaagt de zelfmoordaanvallen te stoppen, meer financiële steun voor Israël om meer joden uit de voormalige Sovjet-Unie te laten overkomen, en de ontwikkeling van dat nieuwe raketsysteem.

De vraag is echter of het Amerikaanse beleid jegens Israël en het Midden-Oosten er veel anders zou uitzien als het gehele Aipac en andere lobbygroepen morgen onder de tram kwamen. Rebecca Needler weet het ook niet. Ze verwijst naar peilingen waaruit steeds weer blijkt dat de Amerikaanse bevolking veel meer sympathie heeft voor Israël dan voor de Palestijnen: «Het is dus geen verrassing dat je zoiets in het Congres terugvindt. Maar niemand kan aantonen dat Aipac noodzakelijk is voor Amerikaanse steun aan Israël.»

Een manier om de politieke invloed van «de rijke joodse lobby» in kaart te brengen, is een analyse van de besluitvorming in het Congres. De politicoloog A.F.K. Organski heeft dat ge probeerd voor zijn boek The $36 Billion Bargain: Strategy and Politics in U.S. Assistance to Israel.

Critici van de Israël-lobby menen dat clubs als Aipac politici voor zich weten te winnen door middel van financiële bijdragen of een vooruitzicht op meer kiezers. Organski onderzocht of Congresleden uit gebieden waar relatief veel joden wonen vaker pro-Israël stemden dan anderen. Voor het Huis van Afgevaardigden was dat niet vast te stellen omdat er voor de kiesdistricten geen gegevens zijn over de bevolkingssamenstelling. Senatoren worden echter per staat gekozen, en van de staten is wél bekend hoeveel joden er wonen.

Organski vergeleek het stemgedrag in Israël-gevoelige kwesties van senatoren met een relatief grote en met een kleine joodse achterban, waarbij «relatief groot» stond voor meer dan twee procent van de bevolking (iets minder dan het landelijk gemiddelde). Voor de onderzochte periode (1969-1982) bleek dat de eerste groep vaker instemde met pro-Israël-besluiten, zij het dat het om een kleine groep senatoren ging (36 van de 170). Maar, schrijft Organski, zeker zo interessant was dat de 114 senatoren met een joodse achterban van minder dan één procent veel vaker voor dan tegen Israël stemden. Stemgedrag leek dus niet te worden bepaald door vrees voor wraak van de joodse achterban.

Het beeld wordt nog diffuser als je kijkt naar het verschil in stemgedrag tussen senatoren van dezelfde staat en dus met dezelfde joodse achterban. De ene senator uit het jood-arme Montana was in slechts negen procent van de kwesties voor Israël, de andere in 94 procent.

Lobby-critici zeggen dan dat er maar weinig joodse stemmen nodig zijn om bij verkiezingen de doorslag te geven. De joodse gemeenschap is goed georganiseerd, en als iemand alarm slaat, dan komen de leden meteen in actie; als andere belanghebbenden niet eveneens in actie komen, is het duidelijk wie de meeste invloed heeft. Dat kan wel zo zijn, meent Organski, maar dan blijft onduidelijk hoe de minderheid aan senatoren die niet voortdurend pro-Israël stemmen toch herkozen kan worden.

Als het niet om stemmen gaat, dan misschien om geld. Organski heeft financiële bijdragen aan de campagnekas van senatoren op dezelfde manier geanalyseerd als de invloed van de achterban. En inderdaad, senatoren die meer joods geld kregen, stemden vaker pro-Israël. Maar ook senatoren voor wie de joodse bijdragen een verwaarloosbaar percentage van hun verkiezingskas vormden, stemden veel vaker voor dan tegen Israël. Organski gelooft dan ook niet dat het geld is bedoeld om stemgedrag te veranderen, maar veeleer om het te bevestigen. Het dient als een beloning, en als een poging om te zorgen dat bepaalde senatoren aan de macht blijven. Of een senator van gedachten zou veranderen als het geld niet meer binnenkwam, weet niemand.

Als aanhang en geld niet doorslaggevend waren in het stemgedrag, wat dan wel? Organski vermoedde dat het te maken had met een wereldbeeld dat hij internationalistisch noemt. In dat beeld past hulp aan landen als Israël en aan gebieden als Zuidoost-Azië en het Europa van kort na de Tweede Wereldoorlog, waar de infrastructuur aanwezig is om iets met die hulp te doen. Dit in tegenstelling tot ontwikkelingslanden, waar, menen Congres leden, het geld in een bodemloze put verdwijnt.

Organski onderzocht het stemgedrag tussen 1977 en 1982 met betrekking tot deze vorm van hulp, en stelde vast dat senatoren die daar in het algemeen voorstander van waren ook meer pro-Israël stemden. Een hogere notering op de schaal van internationalistisch stemgedrag gaf een evenredig hogere notering te zien op de schaal van pro-Israël-stemgedrag. Zo’n duidelijke relatie was er niet tussen geld en stemgedrag of achterban en stemgedrag. Senatoren, was de conclusie, stemden niet voor Israël uit electorale of financiële overwegingen maar vanuit een visie.

Daarbij komt dat het nooit kwaad kan om voor Israël te zijn in een land waar de meerderheid van de bevolking weinig oog heeft voor Arabische belangen. In de woorden van een Congreslid: «Je kunt bij een groot publiek scoren door voor Israël te stemmen, maar je scoort bij niemand door tegen Israël te zijn.» Ook niet bij de Amerikaans-Arabische bevolkingsgroep, want die bestaat voor tachtig procent uit Libanese christenen. En zeker niet na 11 september 2001 — de verdachten van de terreuraanslagen waren misschien extreme moslims, maar het waren moslims, en de Amerikaanse goegemeente is nog niet op zoek naar de nuance.

Israël kan bovendien rekenen op de morele steun van vooraanstaande christenfundamentalisten als Pat Robertson en Jerry Falwell, die de profeet Mohammed onlangs nog een terrorist noemde. En op financiële steun van evangelisch-christelijke groepen die alle joden zo snel mogelijk in het beloofde land willen hebben, want dat brengt de jongste dag dichterbij. Een organisatie als de International Fellow ship of Christians and Jews heeft in de afgelopen acht jaar zestig miljoen dollar verzameld om de migratie te stimuleren. Joodse organisaties zijn blij met het geld maar niet enthousiast over de achterliggende gedachte: op de jongste dag immers zullen rechtschapen christenen worden opgenomen in het koninkrijk Gods, terwijl joden en andere heidenen eeuwig zullen wenen in een vurige oven.

Maar tot die dag zijn de overeenkomsten tussen Israël en de VS belangrijker. Een meerderheid in beide landen weet zich verbonden via een oudtestamentische cultuur waarin Izaäk de uitverkoren zoon van Abraham is, en niet de Arabische Ismaël. Beide landen zijn (relatief) jong en ontstaan uit migratie. Ze heten een democratie te zijn, omarmen de vrije markt, en vinden man en vrouw in principe gelijkwaardig. In de jaren zeventig was de Sovjet-Unie een gemeenschappelijke vijand toen ze probeerde haar invloedssfeer in de regio te vergroten, wat de Amerikaanse hulp aan Israël pas flink op gang bracht en meteen daarna de activiteiten van de Israël-lobby. Intussen heeft het «rijk van het kwaad» plaatsgemaakt voor de «as van het kwaad». Nu heten de vijanden Irak, Iran, Syrië en Osama, en allemaal hebben ze de pest aan Israël en Amerika.

Als «de 51ste staat» van de VS, zoals Israël wel laatdunkend wordt genoemd, is het land nog steeds Amerika’s voorpost in het Midden-Oosten en zal dat voorlopig wel blijven. Of, in de eenvoudige woorden van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken: «Israël en de Verenigde Staten zijn nauw verbonden dankzij historische en culturele banden, en gemeenschappelijke belangen.» Met of zonder joodse lobby.