De oorlog tegen drugs en terrorisme

Met open ogen in de Amerikaanse val

In maart hebben Nederland en Amerika afspraken gemaakt over «internationaal strafrechtelijke samenwerking en bestrijding van het terrorisme». Een lang gekoesterde wens gaat in vervulling: Nederland werkt volledig en onvoorwaardelijk met de VS mee.

De afspraken zijn gemaakt in het kader van de oorlog tegen terrorisme. Ze gaan feitelijk om een voortzetting van een veel langduriger Amerikaanse oorlog: die tegen drugs. Nu worden alleen andere en grovere middelen gebruikt. De nieuwe afspraken passen binnen een meer algemene tendens sinds de aanslagen van 11 september om de soevereiniteit van andere landen minder te respecteren.

De capaciteit en bevoegdheden van de Amerikaanse opsporingsdiensten zijn sterk vergroot wegens gebrek aan vertrouwen in de diensten van andere landen. Zo worden in Nederland, naast het geheime aantal agenten van de Drug Enforcement Agency (DEA) die hier reeds opereren, nieuwe functionarissen aangesteld: een extra Global Issues Officer van het State Department, een special agent en een analist van de DEA.

Deze DEA-medewerkers werken op de ambassade in Den Haag en genieten daarom immuniteit. Deze constructie heeft er onder meer toe geleid dat de commissie-Van Traa in haar onderzoek naar de IRT-affaire nooit duidelijkheid heeft kunnen krijgen over de rol van Amerikaanse agenten.

Belangrijker nog dan de personele uitbreiding van de DEA in Nederland is de integratie van het Amerikaanse systeem met het Nederlandse. Die vindt plaats op drie terreinen.

Ten eerste: informatie-uitwisseling tussen opsporingsdiensten. «De Verenigde Staten en Nederland», zo staat in het document waarin de afspraken zijn opgetekend, «zijn voornemens zoveel mogelijk informatiebronnen inzake strafrechtelijke samenwerking te verzamelen en verdelen.» Ook de douanediensten van beide landen gaan verbindingen aan: er wordt gesproken over overleg, gemeenschappelijke opleidingen en het gezamenlijk opstellen van een gegevensbestand voor risicovaststelling- en analyse. De meest vergaande samenwerking is een voorgenomen personele integratie van de opsporingsdiensten. Deskundigen uit de VS en Nederland gaan bekijken of het mogelijk is gezamenlijke onderzoeken naar grote internationale drugsorganisaties uit te voeren.

Ten tweede: wetenschappelijk onderzoek en drugspreventie. Over dit onderwerp wordt weinig gezegd, maar ook hier verklaren Nederland en de Verenigde Staten te gaan samenwerken. Zowel het verspreiden van informatie als het produceren van wetenschappelijk onderzoek wordt in dienst gesteld van het voorkomen van drugsgebruik. Informatie en kennis over de effecten van drugs worden dus niet verzameld en geproduceerd om beleid te formuleren, maar ondergeschikt gemaakt aan een reeds ingezet beleid. Ook hier gaat een Nederlandse traditie, objectieve kennisvergaring over drugs, verloren.

Ten derde: de regels zelf worden veranderd. Zo wordt gesteld dat «incompatibiliteiten» tussen de binnenlandse wetgeving van beide landen «opgelost» worden met het doel rechtshulpverzoeken en confiscatie procedures makkelijker te doen verlopen. Regelgeving wordt hier als een puur technische aangelegenheid gezien, die veranderd kan worden al naar gelang de wensen van opsporingsdiensten. Andere belangen zijn niet in het spel en democratische controle ontbreekt. Dit is overigens geheel in lijn met de manier waarop het document door de Tweede Kamer is geloodst: alsof het een logisch uitvloeisel is van overleg tussen experts waar geen controle op uitgeoefend hoeft te worden.

Feitelijk is echter sprake van een sluipende integratie van beide rechtssystemen. Het gaat hier niet simpelweg om samenwerking maar ook om samensmelting. Er komt een rechtssysteem tot stand waarbij opsporingsdiensten naar eigen inzicht selectief gebruik kunnen maken van bevoegdheden in beide landen. Zij ontsnappen aan nationale regels. Het is niet duidelijk waar deze integratie precies toe leidt. Maar vast staat wel dat de logica van het Nederlandse drugsbeleid erdoor wordt ondergraven. In het document spelen overwegingen in het kader van de volks gezondheid geen rol. Ook onttrekt dit transatlantische systeem zich aan de controle van de Nederlandse democratie: het heeft eigen regels, een eigen logica en een eigen dynamiek.

De regels. Opsporingsbeambten kunnen selectief gebruik maken van de regelgeving in beide landen. De regels lijken gelijk. Maar bij gelijke regels beslissen machtsverhoudingen de uitkomst. De bereidheid van de Nederlandse overheid en rechters om verdachten uit te leveren staat in schril contrast met de Amerikaanse scepsis of zelfs vijandigheid ten aanzien van landen en internationale instituties, zoals het Internationale Strafhof in Den Haag, die Amerikaanse verdachten verantwoordelijk willen houden voor hun daden. Na alle commotie rond de uitleverings verzoeken van de «Zwolse dj» en, recenter, Kenneth Muskiet, staat nu de deur open voor een verdere verlichting van de voorwaarden voor uitlevering.

De logica. Het nieuwe transatlantische systeem is enkel en alleen gericht op het opsporen van drugsproductie en drugshandel, waarbij geen afweging meer wordt gemaakt met andere belangen. Zo wordt de soevereiniteit van Nederland uitgehold en erodeert het holistische Nederlandse beleid dat traditioneel niet alleen is gericht op bestrijding maar ook op volksgezondheid. We zien nu al dat er opgeroepen wordt om het «quasi-gedogen» af te schaffen, zoals CDA, VVD en LPF in hun kortstondige regeerakkoord waren overeengekomen. Ook de Unit Synthetische Drugs (USD) stelt, bij monde van officier van justitie Martin Witteveen, dat het drugsbeleid moet worden herzien: Nederland zou een slecht imago krijgen door in te zetten op het verminderen van de schadelijke effecten van gebruik.

De dynamiek. Zoals gezegd infiltreert de opsporingslogica andere beleidsvelden. Zeker omdat geen grenzen worden gesteld aan de samenwerking, zal dit transatlantische opsporingsapparaat zich niet beperken tot het opsporen van ecstasy of het tegengaan van terrorisme. Überhaupt heeft de Amerikaanse douane al bijna twee jaar geen grote hoeveelheden Nederlandse drugs onderschept. Het was altijd al twijfelachtig of de door hen — vaak uit Parijs of Brussel afkomstige — gearresteerde mensen inderdaad hun ecstasy uit Nederland kregen. Maar nu is het zeker dat er heel weinig uit Nederland komt respectievelijk wordt gepakt. De USD heeft zelf al aangegeven dat producenten de wijk nemen naar andere landen. Deze nieuwe stappen — die een aanvulling zijn op een reeds omvangrijke justitiële campagne — komen dan ook op een onlogisch moment. De reden dat nu ze toch worden gezet, ligt eerder in de onbeschaamdheid van de Amerikaanse opsporingsdiensten en de Nederlandse opsporingsdiensten die hun visie delen.

Het lijkt alsof de Nederlandse autoriteiten niet doorhebben dat het Amerikaanse beleid van de afgelopen dertig jaar in alle opzichten heeft gefaald: de kosten escaleren, het gebruik van drugs neemt eerder toe dan af, is over het algemeen hoger dan in Nederland en de gevangenispopulatie is explosief gestegen. Bovendien zijn de Amerikaanse gevangenissen geen plekken waar de mensenrechten van gedetineerden nauwgezet worden nageleefd. Veel voorkomende anale verwondingen zijn slechts één indicator van het systematische seksuele geweld van bendes en de onverschilligheid van de Amerikaanse autoriteiten ten aanzien van gevangenen.

De uitlevering van verdachten aan dit gevangenissysteem én de uitwisseling van informatie en het veranderen van regelgeving worden nu in Nederland besproken alsof het puur technische aangelegenheden zijn. Maar voor de Amerikaanse Law Enforcement passen ze binnen een meer omvattend programma om ook buiten de eigen landsgrenzen invloed te doen gelden. In de Verenigde Staten zien ze het niet als technische aangelegenheden.

Door het gebrek aan visie worden er geen grenzen gesteld. De recente afspraken komen neer op een regeling zonder einde waarvan de invulling door opsporingsdiensten en niet door de politiek of de samenleving wordt bepaald. Willen we voorkomen dat het Nederlandse rechtssysteem als filiaal van de Amerikaanse opsporingsindustrie gaat functioneren, dan is het noodzakelijk dat de politiek haar controlerende en sturende taken serieus neemt.

De Amerikaanse en Nederlandse opsporingsdiensten mogen niet de agenda van het opsporingsbeleid bepalen zonder dat de doelen, de methoden en de juridische grenzen van tevoren zijn vastgesteld.