Integratie Indische knokpartijen

Met ploertendoder en stiletto

‘In- en intriest’ noemde premier Balkenende de schermutselingen in Culemborg, om daaraan toe te voegen: ‘En het is niet voor het eerst.’ Daarmee doelde hij niet op de vele harde confrontaties tussen Indische nieuwkomers en blanke Nederlanders in de jaren vijftig van de vorige eeuw.

DE MYTHE VAN de geruisloze integratie van Indische Nederlanders is wijdverbreid. Sinds jaar en dag wil het verhaal dat circa driehonderdduizend Indo’s zich, na de opheffing van Nederlands-Indië, bereidwillig en soepel hebben geschikt in de vaderlandse maatschappelijke orde. De aanpassingsproblemen waar een groot deel van deze migranten - onvermijdelijk - mee te maken kreeg werden verborgen, verzwegen of gebagatelliseerd, in de eerste plaats door henzelf. Indische Nederlanders hadden geen belang bij het publiek maken van hun binnenskamerse narigheid. Op de arbeids- en huwelijksmarkt deden Indo’s het immers goed in het Nederland van de wederopbouw. De grote porties in de nieuwe Chinees-Indische restaurants en de Indorock in de feestlokalen vonden na korte tijd gretig aftrek in het nog stijve Nederland. ‘Troetelallochtonen’ werden de Indo’s later vanwege hun succesvolle integratie genoemd.
Dat ook hún inburgering gepaard is gegaan met talrijke vechtpartijen en 'rassenrelletjes’, die de politie jaar na jaar bezighielden, lijkt dankzij de geruststellende mythe nu door iedereen vergeten. Behalve door de vechtersbazen van toen, zoals Wim Philippens (Malang 1940). 'De Hollanders begonnen altijd als eersten met schelden, wij slóegen altijd als eersten’, vertelt hij terugblikkend op deze niet bepaald geruisloze episode uit de Indische inburgering. In 1953 woonde Philippens in Den Haag en maakte hij deel uit van een grote Indische vriendengroep, waaronder veel jongens die een losgeslagen oorlogs- en migratieperiode achter zich hadden. 'Hollandse jongens scholden ons op straat uit voor “pinda”, “katjong”, “blauwe”, ze zeiden “rot op naar je eiland” en “wat doe je hier”. Dat waren jongens van de Boekhorststraat, getatoeëerde jongens. We zochten het ook wel op, de confrontatie. Je botst tegen iemand op, vooral in de Spuistraat, kijken wat er gebeurt. Dan vielen er al gauw klappen of kwam er een afspraak om te knokken. En soms liep het dan de spuigaten uit.’
Het gebeurde steeds op woensdagmiddag, zaterdag en zondag, dagen waarop ook gedanst werd in de Amber’s Club. 'Als er serieus gevochten werd, ging het vaak om meiden. De Hollanders konden het niet uitstaan dat hun meisjes liever met ons meegingen. Wij gingen ’s avonds in de zomer naar het stille strand, op Scheveningen, er werd gezongen en gitaar gespeeld bij een kampvuur. Vooraf had je dan contact gemaakt met een van de meisjes, zij liepen aan de ene kant van de straat te sjansen, wij aan de andere kant, door oogcontact kwam het er dan van. Je ging met z'n tweeën naar het stille strand.’ Philippens benadrukt dat hun groep niet alleen uit Indische jongens bestond. 'Er zaten ook een paar Hollanders tussen, die waren pro-Indo.’
Hij en zijn vrienden kregen bokstraining van de Indische bokser Walodja en ze oefenden pentjak silat, een vechtsport, op het strand. 'Voor de zekerheid namen we op straat wel boksbeugels mee en gummiknuppeltjes en ploertendooiers. Die waren handig als de tegenstander een mes had, dat kon je dan zó wegslaan. Bij de gevechten hadden we een bepaalde tactiek, de L-vorm. We splitsten ons af in twee groepen en namen die jongens in de tang - en weg waren ze, de zijstraten in. Bang! Fietskettingen gebruikten we bij een grote vechtpartij, die vond plaats op afspraak. Een Indisch meisje was lastiggevallen in de tram door een Surinamer. De jongens gingen elkaar waarschuwen en na een week was iedereen op de hoogte. Mobieltjes had je toen nog niet. Er zou gevochten worden bij het Museumplein, dertig Indische jongens en zo'n dertig Surinamers, zij met stiletto’s. Tot aan de vijver hebben we doorgeknokt, het liep totaal uit de hand. Toen de politie kwam, met blauwe jeeps, schoten we weg. Er zijn arrestaties geweest, het stond ook in de krant. Het was op Koninginnedag, in 1955 dacht ik. Later zijn die Surinamers onze beste vrienden geworden, met Hollanders blééf het stroef gaan.’
Philippens bezweert, terwijl hij risolles en pasteitjes opwarmt, dat het vechten alleen een bravoure-aangelegenheid was, 'stoerdoenerij’. Ouders bemoeiden zich niet met wat hun kinderen uithaalden en huisarrest had geen zin. 'Er zat geen haat bij dat vechten. Er waren wel vier of vijf oudere jongens in onze groep, twintigers, die ons opstookten. Die wilden bloed zien, daar zat pure haat bij tegen Hollanders, ze liepen altijd met wapens. Die jongens konden zich niet meer aanpassen. Ze zijn later allemaal geëmigreerd naar Amerika.’
Philippens vertelt over de door de politie afgedwongen 'verbroedering’ tussen de Indische en Hollandse vechtjassen in 1958. Zelf heeft hij die niet meegemaakt, want hij is in 1956 bij de grote vaart gegaan - ook hij paste nog niet binnen het gareel: 'Telkens als ik uit Brazilië terugvoer, kon ik twee of drie in koffieblikken meegesmokkelde revolvers in het Haags-Indische circuit kwijt. Tot vierhonderd gulden bracht een Browning op. Helaas is er later een halve familie uitgemoord met zo'n wapen. De jongens uit mijn groep zijn heel verschillend terechtgekomen. Sommigen werden pooier, anderen belandden in de gevangenis, twee van ons werden beroemd als de Blue Diamonds en ikzelf kwam uiteindelijk bij de KLM terecht als vliegtuigplaatwerker. In 1973 ben ik uit Den Haag weggegaan.’

OOK DE INBURGERING van Hugh Wintgen (Balikpapan 1937) verliep niet zachtzinnig. Na met zijn ouders in verschillende contractpensions te zijn geplaatst kwam de familie uiteindelijk in Haarlem terecht. Op elfjarige leeftijd had hij (in Blaricum) voor het eerst de lagere school bezocht, waar hij - de enige Indo - werd uitgemaakt voor 'pinda-lekka-lekka’ en 'poepchinees’. Reden om zijn vuisten te gebruiken: 'Ik wist totaal niet waar ze het over hadden maar ik pikte het niet, sloeg er op, al was ik in mijn eentje tegen een hele groep.’
In het contractpension in Haarlem trof hij een grote club Indische jongens aan, van alle leeftijden. 'Pas hier in Nederland heb ik goed Maleis leren spreken, van m'n vriendjes. Dat was nodig, dan konden de anderen ons niet verstaan tijdens gevechten. We haalden veel kattekwaad uit, een van ons werd bijvoorbeeld niet toegelaten op een feestje en was het dak op geklommen van die tent. Prompt zakte hij door het glazen dak, een hele consternatie. Via de telefoon werd het hele spul opgetrommeld, net zoals bij de Molukkers. Zo ging het steeds. We kwamen op de fiets naar de plek van afspraak en daar werden de Hollandse jongens opgewacht tot ze naar buiten kwamen. Er stonden jongens op de uitkijk. We liepen altijd met stiletto’s - voor jongens die ermee om konden gaan - ploertendoders, knuppels en boksbeugels. Die boksbeugels maakten we zelf op de ambachtsschool. Stiekem, maar wel professioneel. Toen, met die geweigerde Indo, liep het niet uit op knokken, want de politie werd gealarmeerd.’
Wintgen zat later op bokstraining en wilde toen niet meer 'laf’ met wapens lopen. Hij gooide zijn boksbeugel in een putje. Hij en zijn vrienden vochten regelmatig met de jongens van de Bloemendaalse hockeyvereniging BSV, die met knuppels en hockeysticks aanvielen. 'In het donker kwamen we mekaar tegen. We sloegen daardoor wel eens de verkeerde, dan hoorde je een vloek in het Maleis. In die tijd ging je nooit ergens alleen heen, je was altijd met een groepje. Je liep altijd kans aangevallen te worden. Maar zo erg als in Den Haag werd het bij ons niet.’ Wel kan hij zich nog een jongen van de familie Sorbach herinneren die een politieagent zo hard heeft geslagen dat die in een vijver is gevallen en verdronken. Na op zijn zestiende enkele maanden in een Rijksopvoedingsgesticht doorgebracht te hebben, kwam Wintgen langzaam maar zeker, via militaire dienst, op het rechte pad. Wintgen vertelt dat hij nu voor de veiligheid met 'spuitbusjes’ loopt, in zijn auto en in zijn jaszak, 'maar mijn vrouw heeft dat liever niet’.
Het verhaal van 'Nono’ Nagel (Solo 1937) lijkt veel op dat van Philippens en Wintgen, zij het dat hij vanuit Amsterdam-West aan het gewoel meedeed. Nagel herinnert zich hoe Indische jongens zoals hij omstreeks 1952 op straat en in tramlijn 13 werden uitgescholden voor 'blauwe’, 'trassi-jongens’ en 'apen’. “'Ga terug naar je eigen land”, riepen ze. Het was elk weekend raak, vooral met de marinemensen. Indische vrouwen brachten hun varende echtgenoten op zondag naar het Centraal Station. Op de terugweg werden ze dan lastiggevallen en uitgescholden door Hollandse jongens, die de vrouwen opwachtten. Dat pikten we natuurlijk niet. Veel marinejongens hebben daarom later berispingen gekregen.’
Rustig naar de bioscoop gaan was er niet bij. 'Jongens uit de Jordaan stonden voor de bioscoop en daagden ons uit. Je ging vanuit Slotermeer nooit ergens alleen naartoe, altijd in groepen. Alleen was te gevaarlijk.’
Schelden en meisjes vormden ook in Amsterdam inzet van de straatgevechten. 'We vochten tot in Den Haag aan toe. We werden telefonisch gewaarschuwd dat er iets stond te gebeuren, we vertrokken in het weekend op brommers, Zündapps en Kreidlers, met een man of vijftien. Den Haag haalden we niet altijd, want bij Wassenaar stonden politiebrigades te wachten. Zo ben ik eens flink met stokken geslagen, omdat we het vertikten om terug te gaan. Maar we pakten ook wel de bus of de trein.’
Ook Nagel en zijn vrienden gingen op pad voorzien van boksbeugels, stiletto’s en ploertendoders en ook hij benadrukt dat de wapens niet gebruikt werden. 'We gebruikten liever onze vuisten. We kregen in Amsterdam-West pentjak-silat-training van Frits van Maarsen. Van hem leerden we veel nuttigs.
In Zandvoort was een groot contractpension, De Schelp, waar tientallen Indische gezinnen waren ondergebracht. Daar was het elk weekend raak. Jongens uit andere pensions verzamelden zich daar ter versterking en dan werden er confrontaties op touw gezet, “tegenmaatregelen”. Op een gegeven moment waren ze het op het stadhuis zat dat er steeds politie ingezet moest worden voor die gevechten. Burgemeester Van Hall heeft vertegenwoordigers van de groepen ontboden voor een verzoeningsgesprek, toen was het afgelopen en gingen we normaal, oppervlakkig, met elkaar om. Vlak daarna werd de Indorock populair.’ Nagel vertelt dat hij zijn zoon een pentjak-silat-training heeft laten geven, want ook hij moet zichzelf kunnen verdedigen.

OPVALLEND IS HOE uiteenlopend de ex-onruststokers reageren op de gebeurtenissen in Culemborg. Philippens is bang voor escalatie en denkt dat er maar weinig hoeft te gebeuren of er breekt een burgeroorlog uit, vooral door toedoen van Wilders. Vroeger was er geen haat bij de vechtpartijen, zegt hij, maar nu wel: 'Gelukkig is het in Culemborg in de kiem gesmoord. Het is hier een kruitvat, met zoveel verschillende bevolkingsgroepen.’ Wintgen zegt met weemoed in zijn ogen dat hij 'nu zou meegaan met de Molukkers. In Culemborg zijn de Molukkers nu de Hollanders’. Nagel relativeert de beroering en denkt dat nieuwe bevolkingsgroepen altijd met confrontaties te maken krijgen, waarna vanzelf een nieuw evenwicht komt.
Ook opvallend is hoe diep het Indische blad Tong Tong (nu: Moesson) in 1958 de hand in eigen boezem stak om de ophef over de 'kloppartijtjes’ te verklaren: 'Het ONTBREEKT aan acties, die de indische groep een goede reputatie bezorgen. Kort gezegd: de indische groep staat er slecht op, omdat bepaalde mensen altijd verkeerde dingen doen terwijl daartegenover goede mensen NIETS doen.’ Een redenering die sinds enkele jaren opnieuw te beluisteren valt in de Lage Landen. Er is, kortom, nog hoop voor de multiculturele samenleving.