Met slagroom gooien

Voor schrijfster Renate Dorrestein is eten het equivalent van het leven. Zelf kan ze niet echt koken, op stamppot na. Een gesprek over eten of gegeten worden, diëten en de taart als leerobject.
ZE FORMULEERDE ooit zelf het cliché: altijd draven in vrouwenboeken de soufflés en appeltaarten weer plichtmatig op; vrouwelijke auteurs hebben het bij voorkeur over vlierbloesembeignets en in de boter drijvende broccoli. Renate Dorrestein moest er niets van hebben. Ze schrijft, stelde ze, om zich teweer te stellen tegen een werkelijkheid die vooral voordeel biedt aan net die helft van de mensheid waartoe zij niet behoort, en daarbij is het juist de kunst om aan de vrouwelijke alledaagsheid, ‘aan vergieten en pannelappen te ontstijgen’. Maar sindsdien, sinds dat essay ‘Opzij, opzij voor de barbarij’ uit de bundel Wie weegt de woorden (1985) waarin schrijfsters programmatisch over het schrijven bespiegelen, heeft Dorrestein een trits romans geschreven waarin het, heel alledaags vrouwelijk, om eten draait.

‘Eten is het equivalent van het leven zelf’, zegt ze nadat we hebben plaatsgenomen in de glooiende tuin van haar Aerdenhoutse huis. 'Het is: eten of gegeten worden. Eten biedt daarmee een geweldig metaforenapparaat voor het schrijven.’
Ik denk dat het zich bij op de voorgrond kwam sinds Het perpetuum mobile van de liefde. Het schrijven daarvan was een daad van exorcisme. Hoe bizar en ongerijmd mijn boeken daarvoor ook waren, ze hadden in feite maar één thema: de zelfmoord van mijn zusje en mijn schuldgevoel daarover. Na mijn vierde roman, Een nacht om te vliegeren, drong tot me door dat ik in mijn boeken steeds personages van daken, torens en rotsen duwde, maar dat ik ze niet te pletter liet vallen omdat ik ze vleugels gaf. Ik besefte toen dat ik mijn thema, de geschiedenis van mijn zusje, kenbaar moest maken. Haar geschiedenis had alles met eten te maken; de feministische theorieën over anorexia en boulimia waren haar op het lijf geschreven. Pas daarna werd het eten een literaire metafoor.
Na Het perpetuum wilde ik met slagroom gooien als tegenwicht. Dat werd Vóór alles een dame, dat rare taartenboek. Daarna bedacht ik dat eten natuurlijk ook iets is waar vrouwen niet alleen onder lijden, maar dat ze het koken ook beroepsmatig kunnen uitoefenen en in klinkende munt kunnen omzetten. Toen kwam Het hemelse gerecht. En op dit moment ben ik een boek aan het schrijven over honger. Over die kant van de zaak had ik nog nooit gedacht.’
Juist de absolute alledaagsheid van eten vindt ze aardig: 'De vergelijking met voedsel is nooit vergezocht, eten heeft iets dat onmiddellijk herkenbaar en gewoon is.’ Dat wordt haar niet door iedereen in dank afgenomen; Maarten ’t Hart publiceerde een 'idióót’ stuk in Hollands Maandblad over Want dit is mijn lichaam, het boekenweekgeschenk dat ze dit jaar schreef. Zijn verwijt: al dat kokkerellen en eten fungeert als ongeïnspireerde stoplap in het boek. Kennelijk hebben mannen moeite met die bij uitstek vrouwelijke metafoor, oppert Dorrestein, misschien wordt ze daarom vooral door vrouwen gelezen.
IN HET PERPETUUM mobile van de liefde (1988) hekelde Dorrestein de nauwe band tussen vrouwen en eten - 'Vrouwen en voedsel! Zeg je het een, dan zeg je het ander!’ - het dwingende vrouwelijke schoonheidsideaal met alle eetobsessies van dien en de griezelige peristaltiek van het gezin waarin meisjes worden klaargestoomd voor hun latere taak als 'hoedster en voedster’. Vóór die roman over de verzengende verhouding die haar zusje met eten onderhield, had Dorrestein al de nodige journalistieke stukken over vrouwelijke eetproblemen op haar naam staan.
Dorrestein: 'Eten was in de vrouwenbeweging een issue en het was min of meer vanzelfsprekend dat ik erover schreef. Naar anorexia werd in die tijd voor het eerst serieus gekeken. Waarschijnlijk fascineerde het mij vanwege de verbinding met mijn zusje, maar ik schreef die stukken zonder eigenlijk in de gaten te hebben dat het zich recht onder mijn neus afspeelde. Mensen met zo'n verslaving zijn zo verschrikkelijk sluw. Ik heb boulimia daarna nog een keer in mijn omgeving meegemaakt en ik heb het weer niet gezien.
Bij die eetproblemen gaat het om meer dan om het slankheidsideaal. De verborgen agenda is dat vrouwen geen ruimte mogen innemen. Vrouwen hebben per definitie nergens iets over te vertellen, het enige waar ze de baas over zijn, is hun lichaam, dat ze op die manier aan hun wil onderwerpen. Je kunt natuurlijk zeggen dat aan mannen ook in toenemende mate een schoonheidsideaal wordt opgelegd, maar iets zegt mij dat jongens sowieso minder snel tot zelfverminking overgaan dan vrouwen en meisjes omdat zij nog een territorium buiten henzelf hebben. Ze zijn gewend om te opereren in de maatschappij. Ik kan me voorstellen dat een jongen zich overgeeft aan vandalisme; een meisje vandaliseert zichzelf, want haar eigen lichaam is de arena waarin zij optreedt.’
In Vóór alles een dame (1989) veegde Dorrestein op een frivoler manier de vloer aan met het destructieve slankheidsideaal. Hoofdpersoon is de kolossale mevrouw Meerman, kooklerares aan een internaat voor moeilijk opvoedbare meisjes en schrijfster van het 'klassieke standaardwerk’ Wie kookt heeft de macht. Het boek bevat behalve een roman in dagelijkse afleveringen ook verjaardagen van schrijfsters, vrouwelijke aforismen en recepten, en gaat bovenal om de taart als leerobject. De meest onwaarschijnlijke taarten paraderen door het boek: van strawberry vol-au-vents tot kweeperensoufflé, van tort morelowy krakowsky tot éclairs au chocolat.
'Het begon als een grap’, vertelt Dorrestein. 'Ik vond het heel logisch dat de meisjes taarten leerden maken, want op de aardappel ben je snel uitgestudeerd. Maar het was een heel moeilijk boek om te schrijven, al die korte afleveringen die op een pagina moesten passen. Zo'n ingenieuze vorm is eigenlijk niets voor mij. Vóór alles een dame is mijn meest programmatische boek. Het is geschreven in de tijd van de oprichting van de Anna-Bijnsprijs en de discussie over de vrouwelijke stem. Het onmatig bakken van schuimtaarten is ook een metafoor voor het schrijven.’
'Veel mensen denken dat ik een fantastische kok moet zijn’, vervolgt ze. 'Maar Het hemelse gerecht, waarin aan de lopende band wordt gepureerd, geblancheerd en gebraden, heb ik geschreven aan de hand van een stapel kookboeken. Daarin stonden heel poëtische zinnen over geheimzinnige handelingen die je moest verrichten - ik begreep er niets van. Ik denk zelfs dat dat het boek zijn eigenaardige atmosfeer heeft gegeven. Het was voor mij een toverachtige wereld: een keuken waarin vrouwen handelingen verrichten die buitenissig zijn en vol mysterie en aan het eind hebben ze de heerlijkste gerechten klaarstaan.
Ik kan helemaal niet goed koken, ik kook zelfs vrij slecht. Ik heb twee of drie standaard successchotels voor als er gasten zijn. Het stelt echt niks voor. Terwijl ik wel elke dag kook, daar ben ik heel braaf in. Ik vind eten gewoon lekker. Dat prettige moment zal ik mezelf niet ontnemen, maar ik maak heel simpele dingen. Ik ben volstrekt doorgespecialiseerd in de stamppot.’
Toen Dorrestein vanwege de ziekte ME, waaraan ze nu zo'n acht jaar lijdt, op een 'verpletterend saai’ dieet moest en haar een lange lijst voedingsmiddelen verboden werd, voelde ze zich bij voorbaat in haar levensvreugde en de kwaliteit van haar bestaan aangetast. 'Je hoort het van iedereen die te maken krijgt met een zwaar dieet. De eerste reactie is: nu wordt het leven nooit meer leuk. Je bent gewend, ook als je helemaal geen eetproblemen hebt, om jezelf te troosten met een kersenbonbonnetje of een borreltje. Bij alles waar je hulp of steun nodig hebt, grijp je naar de koelkast. Iedereen doet dat. Dus je denkt ook: hoe moet ik mezelf gelukkig houden zonder al deze hulpmiddelen? Maar na twee, drie maanden was het dieet doodgewoon.’
HELE AKKERS RIJST en boekweit heeft ze inmiddels weggegeten, en een geheel nieuwe wereld, die van de reformwinkels en de voedseletiketten, heeft ze leren kennen. 'Ik heb een hekel aan die vreselijke eco-winkels’, fulmineert ze. 'Ik snap niet waarom het er allemaal zo godvergeten duur moet zijn en waarom ze er nog geen stukje kaas kunnen afsnijden. Idealisme verhindert blijkbaar enige praktische inslag. Je wordt niet goed geholpen, er is nooit iemand bij de kassa. Geld is geloof ik ook heel problematisch in die sector.’
In haar boekenweekgeschenk Want dit is mijn lichaam heeft Dorrestein het een en ander van haar natuurvoedingservaringen verwerkt. De personages zijn hun eigen schepper, althans, vooral van hun lichaam. Ze fitnessen en lijnen niet alleen, er wordt ook volop tiengranenbrood, zeewier, tofuburgers, seitanballetjes en linzensticks genuttigd. Er zijn kortom mensen die volkomen vrijwillig, niet door ziekte of zwakte gedwongen, naar de reformkost grijpen. 'Gekken!’ zegt Dorrestein beslist. 'Het is een filosofie die ik niet kan volgen. In zekere zin is het helemaal geen andere manier van leven, want ze hebben overal substituten voor. Ze hebben nepchocola en alcoholvrije wijn en alles zonder E-nummers. Dat gezondheidsvoer is blijkbaar op een gezonde manier geproduceerd en er zitten stoffen in die minder belastend zijn voor je lichaam. Intussen zitten ze carob te eten in plaats van chocola.
Ik ben ervan overtuigd, ik ben er zelf ook het voorbeeld van, dat je met voeding heel veel teweeg kunt brengen. Maar om nou preventief je hele leven lang gierst te zitten kauwen… Het zijn natuurlijk ook mensen die allerlei andere dingen doen om de illusie van controle in stand te houden, daarom lopen ze er ook altijd zo vreugdeloos bij. Het zijn krampachtige mensen die op alle niveaus willen volhouden dat je het leven zelf bestiert. Het vervelende is dat ze tot op zekere hoogte gelijk hebben.’
In vroegere boeken schreef Dorrestein nog ferm dat ze achter het stuur zat van haar eigen lot. 'Een dame is altijd de architect van haar eigen bestaan en laat zich nooit de troffel uit handen slaan’, heet het in Vóór alles een dame. In Want dit is mijn lichaam rekent ze juist sardonisch af met het idee dat je je eigen creatie kunt zijn. Die omslag heeft alles met het verlies van haar gezondheid te maken. 'Ik was altijd heel erg oordelend en veroordelend’, beaamt ze. 'Ik had precies in de gaten hoe het allemaal moest en ik vond het ook nog nodig om het iedereen voor te schrijven. Heel vervelend voor Nederland. Dat ben ik helemaal kwijt. Ik denk nu bij alles heel milde dingen. Een vriendin van mij is krankzinnig verliefd geworden op een Cubaan die vijfentwintig jaar jonger is dan zij. Ik zou vroeger gezegd hebben: is dat nou verstandig? Nu heb ik iets van: geniet ervan! Je ziet wel waar het schip strandt. Alle clichés zijn waar: naast de ongemakken die ziekte geeft, geniet je op een vreemde manier toch ook meer van het leven.’
De zorgen om de slanke lijn zijn in de loop der jaren overgegaan in een gezondheidsrage. Het sleutelbegrip dat daarachter ligt, is controle. Dorrestein kan zich er wel iets bij voorstellen: 'In de jaren zeventig geloofden we in de maakbaarheid van de samenleving. Toen we daarin teleurgesteld raakten, trokken we ons terug op het lichaam. Nu is het lichaam maakbaar, maar de illusie is hetzelfde. Mijn ziekte heeft mijn ideeën over de mate van beheersing van je eigen bestaan natuurlijk grondig beïnvloed.’
In de natuurlijke orde is het voor vrouwen slechts weggelegd om 'louter lichaam’ te zijn, kloeg Dorrestein in Het perpetuum mobile en Vóór alles een dame. Jaren later wordt ze door haar ziekte zelf louter op haar lichaam teruggeworpen.
'Misschien wist mijn onderbewustzijn al dat dit me te wachten stond’, spot ze. 'Ik vind het natuurlijk heel eigenaardig. Ik begon zelfs te denken: ik heb dit al schrijvend over mezelf afgeroepen. Wat is dit toch voor een vreemde vermenging van beroepsmatige preoccupatie en fysieke werkelijkheid? Maar het heeft een verkeerde volgorde. Je had je beter kunnen voorstellen dat ik was begonnen met ziek zijn, maar ik begon met erover te schrijven.’
Ze maakte alsnog een boek over haar ziekte, Heden ik, waarin ze zich vooral verzet tegen de 'gore alien’ die zich in haar lichaam heeft genesteld en haar in een 'cocktail van koeievlaai en karnemelkse pap’ heeft veranderd. 'Als ik het boek nu zou schrijven zou het een compleet ander boek zijn. Na een jaar of vier droomde ik op een nacht dat ik iets niet kon wat ik wilde doen, iets heel gewoons, en in mijn droom was het even gewoon dat ik het niet kon. Ik werd wakker en ik was zo ontdaan. Ik dacht: blijkbaar is het nu eindelijk op een diep niveau bij me doorgedrongen dat ik mijn gezondheid kwijt ben. Vanaf dat moment stond ik heel anders tegenover mijn ziekte en heb ik een manier gevonden om die het hoofd te bieden in plaats van me er alleen maar tegen te verzetten.
Heden ik zou veel minder woedend zijn. Het zou misschien toch iets hebben kunnen laten zien van de inzichten die je krijgt bij zo'n levensontwrichting, namelijk dat het niet het einde van je leven is. Dat dacht ik toen ik Heden ik schreef nog wel. Ik ben de laatste persoon op aarde om te reppen van ziektewinst en al dat soort galmende dingen, maar het is wel zo dat elke situatie meer dan één kant heeft. Ik vind het bijvoorbeeld echt een bevrijding om niet in de tijd te leven, om nooit meer verder te kijken dan de dag van vandaag. Ik word zenuwziek als ik mensen hoor over wintersportvakanties die ze nu al gepland hebben. Ik weet wel dat het zalvend klinkt, maar ik vind mijn leven zelf langzamerhand wel prettig. Het is een leven met beperkingen, dat blijft bestaan. En het is iets dat je niet zelf hebt gekozen, dat blijft ook bestaan. Maar er zitten gek genoeg kanten aan die iets gunstigs hebben. Ik denk dat een figuur als Meijken in Ontaarde moeders, die vijfendertig jaar onbeweeglijk in haar stoel zit, niet in mij was opgekomen als ik nog gezond was geweest.’
ETEN OF GEGETEN worden, in de natuur draait het erom. Renate Dorrestein kijkt haar tuin in: 'Het is hier een lopend buffet. Allerlei insecten gaan elkaar te lijf, kikkers en salamanders vangen van alles, mijn poes komt een muis binnenbrengen. Wij achten onszelf heerlijk het eindpunt van al die ketens, terwijl de wurmen ons ook weer opeten. Gods nederigste schepsels gaan met ons aan de haal. Ik heb een hele tijd van die beesten in mijn darmen gehad en dat voelde aan als een invasie. Ik had het gevoel dat de beesten voortijdig aan mij knaagden, ik vond het heel bedreigend. Ik heb een levendige fantasie en dat is een last in zulke omstandigheden. Al die knagende mondjes. Het is eigenlijk zo'n goor bedrijf, het leven. Als je aan iets gewoons denkt als de spijsvertering en de hele peristaltiek ervan - het is toch niet echt een leuke gedachte dat zich dat de hele dag in jou afspeelt. We zouden allemaal een ruitje van plexiglas moeten krijgen voor onze maag en darmen zodat we het aanschouwelijk kunnen volgen. Het is natuurlijk ook heel goed voor de beheersing van de gezondheid als je kunt zien hoe je darmflora erbij staat.’