Compromisloos en meedogend’, aldus het Nobelcomité over de manier waarop Gurnah schrijft © Prank Augstein / AP / ANP

Een hana maana is een man zonder enig nut, weet ik sinds ik Afterlives las, de meest recente roman van Nobelprijswinnaar Abdulrazak Gurnah. Iemand die alleen maar balaa brengt, oftewel ellende. De man in kwestie over wie Gurnah schrijft, heet Hamza. Hij is een twintiger die na ruim zeven jaar terugkeert in zijn geboortedorp, van waaruit hij destijds ontvoerd werd om gerekruteerd te worden in het Duitse leger. Of misschien ging hij vrijwillig mee, in de hoop op een ander bestaan. Deze Schutztruppe, die zich hulde in het uniform en de wreedheid van een elitekorps, nam het begin twintigste eeuw op tegen de Britten die ook wel zin hadden in Tanzania, en tegen de lokale rebellen die zich verzetten tegen hun kolonisator. Het was de tijd dat Europa nog uit mogendheden bestond die elkaar de eigendom betwistten van het Afrikaanse continent.

Niet alleen op de eeuwigheid bezien is dat nog maar verbijsterend kort geleden; het aantal generaties dat hier inmiddels overheen is gegaan is op één enkele hand te tellen, en de gevolgen zijn tot op de dag van vandaag zicht- en voelbaar, misschien wel meer dan ooit. In zijn roman geeft Gurnah deze geschiedenis wat je zegt een menselijk en pijnlijk gezicht. Het verhaal van ontheemding dat hij vertelt via zijn personages is op een gekke manier lief, bekend, omdat het een volkomen duidelijk verhaal is, een goodread in klinkklaar Engels gesteld, met een begin en een einde, en ruimte voor hoop. Dat het in Europa misschien een niet heel wijdverbreid bekend verhaal is, geeft het zijn betekenis.

Als ik nu op ‘askari’ zoek, een term die ongeveer om de bladzijde wordt gebruikt in Afterlives als benaming van de lokale jongens die al dan niet vrijwillig soldaat werden in het leger van de kolonisator, lijkt de term synoniem voor avonturier te zijn geworden. Een Zuid-Afrikaans lodge- en spa-oord tooit zich met de naam Askari, maar ook een grote Duitse onlineshop met vis- en jachtbenodigdheden heet zo. Het is ook een vorm van ‘naleven’, cynisch gezegd. In de roman van Gurnah wordt Hamza op zeker moment opgespoord door de politie, op zoek naar Hamza Askari. ‘Er is hier een Hamza’, zegt de man die hem destijds onderdak en werk bood, ‘maar zijn naam is niet Askari. He was one a long time ago. Wat moet je van hem?’ Hamza gaat onvrijwillig vrijwillig mee naar het politiebureau, bang omdat hij Askari wordt genoemd, vaag wetende van een ophanden zijnde oorlog tussen de Duitsers en de Engelsen.

Wat is een mens als hij terugkeert van oorlog en niemand of niks meer heeft?

Aldaar wordt hij ondervraagd door een Engelse agent in het uniform van de Britse koloniaal: wit overhemd met korte mouwen, kaki korte broek, witte kniekousen en gepoetste bruine schoenen. Hij herkent onmiddellijk de ondertoon van nauw ingehouden gewelddadigheid, hem maar al te bekend van zijn ‘Duitse’ jaren. Dat hij het er levend vanaf bracht, had hij te danken aan zijn knappe, vrouwelijke, voorkomen, en zijn leergierigheid. Een Duitse opperofficier leerde hem via Schiller lezen en schrijven, en kreeg er geen genoeg van hem passages te laten reciteren. Zijn kennis van het Duits brengt hem echter nu bij de nieuwe machthebbers in de problemen. Er is een brief uit Duitsland aan hem geadresseerd onderschept. Vanwaar die brief, van een respectabele Duitse vrouw, aan hem? Met een waarschuwing – geen contacten meer met de Duitsers, of er zwaait wat – én met de brief, komt Hamza weg. De brief wordt het startpunt van een zoektocht naar de whereabouts van een andere voormalige askari die nooit is teruggekeerd, een geschiedenis die in het laatste deel van de roman vanuit een helikopter verteld lijkt, als kijken we een documentaire die voert tot in de Tweede Wereldoorlog.

Afterlives, dat vorig jaar verscheen, is een soms wat wankel bouwwerk, zo levendig is het in de afwisseling van conventioneel vertellen en indicatieve samenvattingen van grote turbulenties. Vooral de hoofdstukken waarin Hamza zich de twijfelachtige aandacht van de Duitse officier moet laten welgevallen, zijn spannend vanwege de ambiguïteit die Gurnah hier weet te vangen tussen overgave en verzet. De onderliggende vraag van de roman is van een aangrijpende eenvoud: wat is een mens als hij terugkeert van de oorlog, en niks of niemand meer heeft? Alom stuit deze hana maana op wantrouwen: ‘How can a decent person not have any people?’ In de slotzinnen van zijn boek geeft Gurnah de achterblijvers een wat dat betreft troostende wetenschap mee.

Iemand komt altijd weg, weg van Afrika, in Gurnahs werk, zo begrijp ik uit hetgeen nu over hem wordt geschreven. Net als de schrijver zelf, die samen met zijn broer als negentienjarige het eiland Zanzibar ontvluchtte toen in Tanzania een zogenaamd socialistisch regime werd gevestigd. Het was 1968, en de vreemdelingenhaat in Engeland was virulent. ‘Je werd in twee richtingen gereduceerd’, vertelde Gurnah daarover in een interview. ‘Door wat de Britten van je maakten en doordat je niet terug kon naar alles wat je bepaald had. Wellicht verklaart dat waarom identiteit en gespletenheid in mijn werk later zo belangrijk zijn geworden. Of het verschil tussen de wereld waarin je fysiek leeft en de mentale, onbereikbare wereld van je afkomst.’

In de praktijk van alledag leidde zijn gespletenheid tot schrijven en een literatuurstudie, onnutte zaken in zijn land van herkomst. Bovendien ging hij schrijven in het Engels, en nam daarmee afscheid van zijn moedertaal Swahili. Zijn debuut, met de veelzeggende titel Memory of Departure, verscheen na bijna twintig jaar, in 1987. Het is een van de twee boeken van hem die in Nederlandse vertaling uitkwamen; het debuut kreeg hier de iets plastischer titel Herinneringen aan mijn zwarte rotjeugd mee. De roman waarmee hij halverwege de jaren negentig op de shortlist van de Booker Prize belandde, Paradise, verscheen als Paradijs bij de toenmalige uitgeverij Van Gennep. Kolonialisme, en de erfenis ervan, is Gurnah altijd blijven bezighouden, zowel in zijn eigen werk als dat van anderen. Het Nobelcomité benoemde de manier waarop hij dat doet als ‘compromisloos en meedogend’. Tot aan zijn pensioen dit jaar was de nu 73-jarige Gurnah professor Engels en postkoloniale literatuur aan de Universiteit van Kent. Tien romans schreef hij tot nog toe, waarin hij een stem geeft aan zachte personages die zich gedwongen zien afscheid te nemen. Dromers zijn het, lezers. De loop van de geschiedenis dwingt hen ondanks zichzelf avonturiers te worden.