De terugkeer naar rekenen zonder flauwekul

Met twee woorden: rekenen en taal

Alle toetsen, kennisbases, volgsystemen, bij- en nascholingen en overige inspanningen ten spijt doemt er een wrang beeld op voor het onderwijs. Tenzij we ‘ouderwets’ gaan leren, blijft het met rekenen en taal voortmodderen.

IN NUENEN begint de victorie. Vorig jaar voerde de Sint Jozefschool in Nederwetten, gemeente Nuenen, een nieuwe rekenmethode in, Reken Zeker, geënt op traditioneel rekenonderwijs. De groepen 4 en 5 gingen ermee aan de slag. De schoolleiding was zo enthousiast dat ze basis- en middelbare scholen uit de buurt uitnodigde om een les bij te wonen en een tijdje later nog een tweede presentatie gaf voor leerkrachten. Als gevolg van de spontane reclame zijn nu een stuk of tien basisscholen uit Nuenen en omstreken overgestapt op Reken Zeker.
Jan van de Craats, een hoogleraar wiskunde die zich zo kwaad maakte over de beroerde resultaten van het moderne elementaire rekenonderwijs dat hij een zwartboek schreef, Waarom Daan en Sanne niet kunnen rekenen, ziet Nuenen als bewijs dat het tij in het onderwijs aan het keren is: ‘We gaan zeker winnen. Als ik pessimistisch ben, duurt het nog tien jaar, als ik optimistisch ben is het over zes jaar geklaard.’
Als hij gelijk krijgt, is de ommekeer - van modern naar meer traditioneel rekenonderwijs - te danken aan het alarm dat de onderwijsinspectie vijf jaar geleden sloeg. Tot dan werd kritiek op het Nederlandse rekenonderwijs weggewuifd met de hoge scores in internationale metingen. Maar toen de inspectie concludeerde dat liefst 25 procent van de basisscholen 'rekenzwak’ was, werd het ministerie van Onderwijs wakker en kwam een felle maatschappelijke discussie op gang. Ook de taalvaardigheid van de leerlingen van de basisschool schoot volgens de inspectie ernstig te kort. Te veel kinderen (minstens 25 procent) hebben een kleine woordenschat en kunnen een iets ingewikkelder tekst niet begrijpen. En voor de oorzaak dáárvan werd met de vinger gewezen naar onderwijzers die zélf niet foutloos spellen en de kernbeginselen van taal niet beheersen.
Sindsdien zijn er allerlei commissies aan het werk gegaan, die stuk voor stuk de rapportages van de inspectie bevestigden. De parlementaire commissie-Dijsselbloem concludeerde onder meer dat er te veel waarde was gehecht aan de positie van Nederland op de internationale ranglijsten en dat een wetenschappelijk bewijs voor allerlei onderwijsvernieuwingen ontbrak. De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen verwoordde waarom het urgent is dat het onderwijs een tandje bij zet. 'Een klein land als Nederland moet het van zijn innovatiekracht hebben. Het kan het zich niet veroorloven om niet vooruit te gaan in prestatiepeil in een wereld waarvan het economisch zwaartepunt zich naar het Oosten beweegt en waar de Aziatische landen qua rekenvaardigheid ver op ons land vooruit zijn.’ Met de hete adem van China in de nek verdwenen ditmaal de rapporten niet in diepe ministeriële laden, maar werden gevolgd door heuse maatregelen. Zo werden voor de basisschool en de lerarenopleiding minimumeisen voor rekenen en taal vastgelegd. Er werd geld uitgetrokken om leraren van basisscholen bij- en nascholing te geven en de pabo’s introduceerden voor hun eerstejaars studenten reken- en taaltoetsen.

TERUG NAAR Nuenen. Anita de Bie, directeur van de basisschool Sint Jozef, was ontevreden over de rekenmethode die de school sinds jaar en dag gebruikte. Die methode is heel afwisselend, kinderen leren verschillende manieren om een som op te lossen en de sommen zijn in verhaaltjes vervat. Dit heet 'realistisch rekenen’ en op bijna alle basisscholen leren de kinderen via deze aanpak optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. 'Voor ons’, vertelt De Bie, 'was de methode niet geschikt. Wij hebben een kleine school, waarin groepen 4, 5 en 6, 7, 8 samen les krijgen. We wilden één standaardmanier om een som op te lossen, dan kunnen de leerlingen elkaar helpen. We wilden ook de staartdeling terug. Met de “hap”-methode van een deelsom maken is de weg naar een oplossing zo lang dat de kans op fouten groter wordt.’
Het onderwijsteam van de Sint Jozef stuitte op Reken Zeker, onlangs op de markt gebracht door toedoen van voorstanders van het meer traditionele rekenen, onder wie professor Jan van de Craats. 'Het paste ons als een mooie jas’, zegt Anita de Bie. 'Het materiaal is overzichtelijk, er wordt maar één element per les uitgelegd en er is niet te veel tekst bij een opdracht.’ De overstap naar de traditionele methode was snel gemaakt en hoefde niet met lange, dure cursussen te worden begeleid. Toen de Sint Jozef de methode aanprees, lieten leerkrachten merken dat ze de realistische methode een onding vonden en ze verzuchtten: 'Eindelijk mogen we zeggen wat we ervan denken.’ Jarenlang was er geen ruimte voor tegengeluiden. Het rapport van de Academie van Wetenschappen maakt duidelijk waarom. Was het marktaandeel realistisch rekenen in 1987 nog maar vijftien procent, in 2004 was de methode bij honderd procent van de scholen in gebruik. Er bestónd gewoon geen alternatief meer voor het realistisch rekenen. Hoewel leerkrachten nadelen zagen, hadden ze geen keuze. Realistisch rekenen was gepromoot als modern en aantrekkelijk. Wie het een verslechtering vond was ouderwets.
Het realistisch rekenen - in Nederland geïntroduceerd door de wiskundige Hans Freudenthal (1905-1990) - sluit aan op individualisme en creativiteit. De gedachte is dat kinderen door eigen oplossingen te zoeken inzicht verwerven in de materie. Het abstracte cijferen en het saaie tafels opzeggen werd vervangen door verhaaltjes met getallen en 'handige’ manieren van rekenen. Volgens de critici moet het precies andersom: eerst de basiskennis aanleren via standaardformules, dan groeit er daarna misschien begrip. De verhaaltjes waarmee het realistisch rekenen aansluit op de leefwereld maken sommen relevant, maar hebben ook een nadeel: taalbegrip is hiermee ook voor rekenen essentieel. Kinderen die niet goed zijn in taal - achterstanden die meestal zijn bepaald door de opleiding of het geboorteland van de ouders - hebben daar last van. Jan van de Craats is ervan overtuigd dat de realistische methode op de terugweg is. Veel scholen staan op het punt naar vernieuwde boeken over te stappen, omdat de tienjarige verbruikstermijn van hun methode verstreken is. Deels stellen ze die keuze uit, omdat ze geen geld hebben of omdat er zoveel discussie is. Van de zevenduizend basisscholen in Nederland hebben intussen zeshonderd een methode aangeschaft die nog wel het realistisch rekenen als uitgangspunt neemt, maar althans systematisch is en één standaardmanier van oplossen presenteert. In zoverre heeft de kritiek al effect gehad. Nog eens honderd basisscholen zijn overgestapt op Reken Zeker.
De terugkeer naar de meer traditionele rekenmethodes wordt sterk bevorderd, denkt Van de Craats, doordat middelbare scholen voor hun bijspijkerlessen aan brugklassers simpele rekenboekjes inzetten, in zijn woorden 'rekenboekjes zonder flauwekul’. Maar de strijd om het rekenen op de basisschool is nog niet gestreden, zo merkte Inge Braam, onderwijzeres op De Kosmos in Apeldoorn. Onder pseudoniem publiceert ze een column over het wel en wee van een leerkracht. Naar aanleiding van een rustig getoonzet stukje waarin ze realistisch rekenen te verwarrend noemde, kwam tot haar verrassing een lawine aan commentaren haar kant op, waarbij 'twee legers’ de confrontatie zochten. De ene partij was het Freudenthal-instituut en zijn aanhangers die het realistisch rekenen verdedigden 'alsof het een geloof is’, de andere was Beter Onderwijs Nederland, de club die hamert op ouderwets reken- en taalonderwijs met oefenen, herhalen, tafels en dictees.
Inge Braam is blij met de tendens dat er meer nadruk komt te liggen op 'opdreunen en inslijpen’, omdat het geheugen het nu eenmaal van herhaling moet hebben. 'Heel veel sommen kan ik niet uitleggen aan mijn groep 7, want ze kennen de tafels niet.’ Ook de nieuwe taalmethodes zijn volgens haar beter, de woordenschat wordt systematischer aangeboden en het materiaal voor begrijpend lezen zit slimmer in elkaar. De leerkracht moet weer dictees geven, al moet je volgens Braam geen wonderen verwachten: 'Tienjarigen vinden de dt-regels van werkwoordsvormen moeilijk, dat is altijd zo geweest wat je ook doet.’

MIDDELBARE SCHOLEN hebben van het ministerie de opdracht om vanaf 2014 een jaar voor het eindexamen hun leerlingen een verplichte rekentoets te laten doen. Halen ze die na een herkansing niet, dan hoeven ze niet eens aan het eindexamen te beginnen, want dan zijn ze feitelijk al gezakt. Maar lukt het scholen om de achterstand die hun leerlingen in het basisonderwijs hebben opgebouwd tijdig in te halen?
Hans Spoor, vmbo-wiskundeleraar, luidt de noodklok in een recent rondschrijven aan zijn collega’s. Uit berekeningen blijkt dat als de verplichte rekentoets het afgelopen jaar al zou zijn ingevoerd er vijftienduizend vmbo-leerlingen méér zouden zijn gezakt. Hij schrijft: 'Ik ben van mening dat we nú tegen dit onzalige plan in opstand dienen te komen. Onze vmbo-leerlingen hebben het grootste deel van hun onderwijskundig verleden al aan de achterste mem gehangen en dreigen nu met de verplichte rekentoets een schop na te krijgen. Als we inderdaad willen dat onze leerlingen beter gaan rekenen, dan dient er eerst een goede basis te worden gelegd in het primair onderwijs. Ik roep mijn collega’s daarom op om aan deze waanzin een einde te maken. Stuur e-mails naar Kamerfracties, schrijf ingezonden brieven in dagbladen en roep collega’s op om hetzelfde te doen. Misschien kunnen we er met z'n allen voor zorgen dat OCW inziet dat de ingeslagen weg een heilloze weg is.’
Uit angst dat de boot wordt gemist, slaat de slinger nu te ver door naar rekenen en taal, meent Inge Braam. Ze staat al sinds 1977 voor de klas en weet uit ervaring dat de eisen die aan het onderwijs worden gesteld een zigzagbeweging maken. Van een te sterke nadruk op sociale vaardigheden naar het drillen van leerlingen in een nauw omschreven vakkenpakketje. Van de kinderen hun eigen talent laten ontdekken naar permanente controle en registratie van hun manco’s. Het toetsen en meten neemt groteske vormen aan, vindt ze. Nederland lijkt blind achter de VS aan te lopen. 'Ik lees een paar blogs van Amerikaanse onderwijzers. Ze zijn wanhopig, alleen nog maar bezig met toetsen en het oefenen van toetsen. De eisen worden omhoog geschroefd en losgezongen van de praktijk. Scholen worden steeds meer gezien als bedrijven die moeten presteren.’
Astrid Hooyberg, directeur van de Amsterdamse basisschool Oscar Carré, wijst het meten van resultaten niet helemaal af: 'Het dwingt je gerichter te handelen. Vroeger was de neiging ervan uit te gaan dat de kinderen niet beter kunnen. Naar de directie en leerkrachten werd niet gekeken. Met die toetsen kun je de prestaties volgen. Het kan altijd beter.’ Op haar school had de inspectie geconstateerd dat in groep 3 en 4 het leesniveau te laag was. 'We waren ons niet van een probleem bewust’, zegt Hooyberg. 'We deden er langer over, maar in groep 8 leest 98 procent van de kinderen op het vereiste niveau.’
De school besteedt nu meer aandacht aan het lezen. Er is een onderwijsadviesbureau ingehuurd dat trainingen geeft aan het team, adviseert hoeveel 'leesmomenten’ de kinderen moeten krijgen en een nieuwe methode begrijpend lezen heeft geïntroduceerd. Ook ligt een plan op tafel om lessen te geven in 'voortgezet begrijpend lezen’, opnieuw aangeraden door adviseurs van buitenaf, waarvan alle scholen tegenwoordig druk gebruik maken, omdat ze geen tijd of de kennis niet in huis hebben om het zelf te doen.
Maar Hooyberg maakt zich, net als Inge Braam en anderen die in het primair onderwijs werken, zorgen dat de school te veel uren voor de basisvakken moet uittrekken. 'Met die verdiepingsmethode begrijpend lezen worstelen we’, vertelt ze. Voor de Oscar Carré, die als 'kunstmagneetschool’ in een volksbuurt kinderen aantrekt uit heel verschillende milieus - zowel wit en hoogopgeleid vanwege het kunstzinnige aanbod als zwart en laagopgeleid vanwege de buurt - kan beperking van het aanbod vervelende gevolgen hebben. 'We voelen de druk van Den Haag’, zegt Hooyberg. 'Het lijkt alsof minister Van Bijsterveldt maar twee woorden kan spreken. Rekenen en taal.’

WIE KUNNEN meepraten over druk van Den Haag zijn de pabo’s. Zij worden gezien als de zwakke schakel in het onderwijs. Als leerkrachten te weinig in hun mars hebben, kun je nog zo veel sleutelen aan methodes, kinderen desnoods wekelijks een toets laten maken, bijscholen en nascholen tot je erbij neervalt, maar helpen doet het niet. De afgelopen jaren heeft een stoet van rapporteurs zich bezorgd uitgesproken over de pabo en pabostudenten. Ruim dertig procent van de studenten heeft als vooropleiding middelbaar beroepsonderwijs, de anderen zijn studenten met een havodiploma op zak en slechts een enkeling heeft vwo met goed gevolg doorlopen. Vooral de snel toegenomen instroom van mbo'ers die in taal, rekenen en wereldoriëntatie een zwakke ondergrond hebben, legt een hypotheek op de kwaliteit van de opleiding. In 2006, tegelijk met de alarmerende conclusies over de basisschool, voerden de pabo’s een examen rekenen en taal voor hun eerstejaarsstudenten in, de propedeusetoets. Wie deze toets niet haalt, mag niet door.
In de praktijk loopt het zo'n vaart niet. Studenten mogen de toets - die makkelijk te doen zou moeten zijn voor eersteklassers van een middelbare school (voor wie hem wil proberen, kijk op de site van Cito onder hoger onderwijs en pabotoetsen) - drie of vier keer herhalen, voordat ze een bindend advies krijgen om naar een andere opleiding uit te zien. Maar vaak is er dan nog een mouw aan te passen, vertelt Rezgar, inmiddels derdejaars aan de pabo van de Hogeschool van Amsterdam, die met een paar medestudenten in de hal pauzeert. Hij zakte in zijn eerste jaar driemaal voor zijn rekentoets, maar omdat de rest van zijn vakken in orde was, mocht hij door. Joshua, ook derdejaars, is goed in rekenen, maar slecht in taal. Met spelling, grammatica en ontleden heeft hij nog steeds moeite, zo erkent hij, maar voor zijn carrière ziet hij het niet als hindernis. Directeur van een school, dat zou hem wel wat lijken.
Erwin Janssen, docent rekenen en wiskunde aan de Amsterdamse pabo, stelt nuchter vast dat de helft van alle studenten voor de eerste rekentoets zakt en dat mbo'ers de toets pas na veel oefenen halen. 'Ze moeten er meer voor doen. Het komt door de slechte aansluiting van de basis- en middelbare school. Op de middelbare school werken ze veel met rekenmachines. Wij vragen ze weer sommen te maken op papier en uit het hoofd.’
Is het niet schokkend en merkwaardig dat studenten dat niet kunnen? vraag ik. 'Nee, niet schokkend, wel merkwaardig’, zegt Janssen. 'Zo komen ze binnen en dat is waar wij het mee moeten doen.’ Gevraagd of hij de toets een goede zeef vindt, antwoordt Janssen formeel: 'Studenten die wij afleveren zijn startbekwaam.’
Wat rekenen betreft streeft de pabo ernaar, in de woorden van Janssen, dat de studenten aan het eind van hun opleiding 'zo goed zijn als de beste leerling van groep 8’. Mijn verblufte blik ziende, voegt hij eraan toe dat ze de sommen ook moeten kunnen uitleggen en nog wel op verschillende manieren.
Na de propedeusetoets heeft Den Haag al weer nieuwe kwaliteitseisen aan de pabo’s opgelegd. Voor elk vak, te beginnen met rekenen en taal, is een zogenaamde 'kennisbasis’ uitgewerkt waarin staat wat pabostudenten tijdens hun opleiding moeten leren. Overal op pabo’s voeren docenten hevig discussie over de gevolgen. Erwin Janssen legt uit: 'Als je de kennisbasis naar de letter uitvoert, dan ben je tien uur per week kwijt aan rekenen en taal.’ Studenten hebben rond de dertig 'contacturen’ op de hogeschool, als je althans - zoals de hogeschool doet - de wekelijkse stagedag die elke student op een basisschool doorbrengt, meerekent. Van de twintig werkelijke pabo-uren zou dan de helft besteed gaan worden aan rekenen en taal.
De pabo, met zijn nadruk op pedagogiek, zou dan verdwijnen en plaatsmaken voor wat sarcastisch de trabo - de taal- en rekenacademie voor het basisonderwijs - wordt genoemd. Dat vinden veel pabodocenten, zelf opgeleid in het systeem dat ze nu onderwijzen, verkeerd. Want wat zou er van hun eigen aanpak en programma overblijven? De bedoeling van Den Haag is dat pabostudenten voor hun diploma een landelijk examen in de belangrijkste vakken zullen doen. Helaas zullen de pabo’s dat plan gaan saboteren, denkt een insider die ongenoemd wil blijven: 'Ik voorspel je dat over een jaar de uitkomst van het haalbaarheidsonderzoek zal zijn dat een landelijk examen kennisbasis niet mogelijk is.’
Kritische pabodocenten die het omgooien van het onderwijsprogramma en selectie bij de poort hoogstnoodzakelijk vinden - die zijn er heus wel - zijn terughoudend of willen niet geciteerd worden. Eén van hen verwijst naar het diploma-schandaal bij hogeschool InHolland. Hogescholen, zo suggereert hij daarmee, liggen al onder vuur en wie er werkt moet loyaal zijn of vertrekken. Mislukt daardoor de hele operatie om de kwaliteit van de pabo’s te verbeteren?
Onderwijzeres Inge Braam kent de studenten die de pabo aflevert heel goed. Ze heeft zelf naast haar werk op de basisschool tien jaar lesgegeven op een pabo en krijgt regelmatig stagiaires in haar klas. Ze spreekt met begrip en mildheid over hen: 'Je hoeft de leerlingen maar één stap voor te zijn. Studenten die moeite hebben met rekenen kunnen het vaak geduldiger uitleggen dan de snelle rekenaars. Die zeggen: “Snap je het nou nog niet?” Tja, hun taalniveau is niet hoog, het zijn allemaal studenten die zelf met zwakke taalmethodes zijn opgeleid. Ze hebben een magere woordenschat.’
Terwijl we doorpraten over het gezag, het aanzien en de salariëring van de leerkracht, rolt ineens het F-woord uit de mond van Braam. 'Finland! Daaraan zouden we ons moeten spiegelen. Als je echt wat wilt veranderen in het onderwijs, dan moet je ervoor zorgen dat de onderwijzers universitair opgeleid zijn. En betaal ze dan ook!’ Hoezo sprak ze dan zo mild over de pabostudenten en vond ze geduld en pedagogische kwaliteit voorop staan? 'Nou ja’, zegt ze berustend, 'zolang je binnen dit systeem zit, kun je niet meer verwachten.’
De gunstige berichten over de kennis van Finse scholieren zijn in Nederland meer mensen opgevallen en voorzichtig zijn de eerste onderwijskundigen en leraren hun licht op gaan steken. Deze verkenners reizen naar Helsinki en komen terug met een eenvoudig en naar het lijkt doeltreffend recept. Het vak van onderwijzer heeft een hoge status en is gewild. Per jaar melden zich zevenduizend studenten aan, van hen wordt slechts tien procent toegelaten. Ze worden opgeleid door de beste docenten, en moeten een mastergraad hebben voordat ze zelf voor de klas komen te staan. Dan krijgen ze ook behoorlijk betaald. Inspectie, onderwijskundige bureaus en ondersteunende diensten, die in Nederland als een dikke schil om de scholen heen gedrapeerd liggen, spelen in Finland nauwelijks een rol. De deskundigheid zit in de school zelf.
Het is precies waar oude rotten in het vak in Nederland van dromen. Dat de leraar weer heer en meester in de klas is, dat hij - of meestal zij - uitmuntend is opgeleid, aanzien heeft en navenant wordt betaald.

HET IS WAAR, Nederland experimenteert sinds een paar jaar met een universitaire opleiding voor onderwijzer. Jaarlijks beginnen zo'n driehonderd studenten ermee. Ze doen als het ware twee studies: de pabo en onderwijskunde. Het ministerie van Onderwijs geeft er hoog van op en hoopt op een impuls voor de basisschool. In juni studeert de eerste lichting af. Dan zal blijken of ze inderdaad voor de klas gaan staan. Afgaand op wat studenten hem vertellen, waagt een van hun docenten - ook al weer iemand die ongenoemd wil blijven - te betwijfelen of ze voor het onderwijs behouden blijven. Het management of de onderwijskunde, beter betaald immers, trekt ze meer.
Alle toetsen, kennisbases, verplichte volgsystemen, bij- en nascholingen, examens, sancties en overige inspanningen ten spijt, doemt er een wrang beeld op. Zolang onderwijzers weinig betaald worden, hun vooropleiding en opleiding zwak is en het een eeuwigheid duurt voordat het roer weer om is naar 'ouderwets’ leren, zal het met rekenen en taal voortmodderen blijven.
'Voor het onderwijs’, zegt een van de ervaren leraren die voor dit artikel is geraadpleegd, 'zijn alleen de echte liefhebbers nog te winnen. Of mensen die te licht zijn.’ Er klinkt geen bitterheid in zijn stem, wel spijt over zo veel kortzichtigheid.


De hapmethode
De meeste leerlingen in het basisonderwijs leren tegenwoordig niet meer delen met de staartdeling, maar met de hapmethode. Die komt er eigenlijk op neer dat de leerling telkens happen neemt van het deeltal totdat er een rest overblijft die kleiner is dan de deler. Het argument is dat leerlingen dan zouden begrijpen wat ze doen, terwijl dat bij de staartdeling niet het geval zou zijn. De hapmethode nodigt uit tot onhandig en omslachtig rekenen, omdat het geen systematische methode is. Onderzoek van dr. C.M. van Putten en drs. M. Hickendorff van de Universiteit Leiden heeft aangetoond dat leerlingen van groep 8 die een hapmethode gebruiken, significant meer fouten maken dan leerlingen die werken met de traditionele staartdeling. Zelfs als ze alleen maar delingen met kleine getallen uitvoeren (deeltal hoogstens vier cijfers, deler hoogstens twee cijfers).