Met uitzicht op Central Park

Susan Sontag werd door haar essays een van de meest unieke intellectuelen van de twintigste eeuw. Maar kon ze ook goede fictie schrijven?

Susan Sontag behoort eerder tot de literatuurgeschiedenis dan tot de literatuur, beweerde Eliot Weinberger in 2007 kordaat in The New York Review of Books, nog geen drie jaar na haar overlijden. Ze zou gewoon te slim geweest zijn om goede fictie te schrijven, en wat echt blijft van haar werk zijn de essays. De elf korte verhalen die ze publiceerde zijn nu net gebundeld en hoewel ze sterk van vorm verschillen, probeert ze in bijna elk geval het klassieke realisme door intelligente concepten en slimme kunstgrepen te vernieuwen.

Small gettyimages 50397334
Susan Sontag op een schrijvers­conferentie, 1966 © Bob Peterson / Life Images Collection / Getty Images

Het is daarom jammer dat Stories opent met Pilgrimage, voor het eerst verschenen in The New Yorker eind 1987. Het is een traditioneel opgesteld verslag, bijna een journalistieke reportage, van een onwaarschijnlijk huisbezoek van de schrijfster met een klasgenoot, op veertienjarige leeftijd, aan de eminente Thomas Mann, die toen in Californië woonde. In een interview in 1982 in NRC Handelsblad zei Sontag over die ontmoeting: ‘Ik luisterde, voelde me steeds angstiger en ik geloof dat hij me vroeg of ik van Wagner hield. Ik raak er nu nog door ontroerd en tegelijkertijd realiseer ik me dat het volstrekt onbelangrijk is. Het is gewoon een gek verhaal, ik begrijp eigenlijk niet waarom ik het vertel…’

De tekst daarentegen laat vermoeden dat ze wel degelijk trots was op de visite en het gesprek met Mann als bewijs van literaire grootheid op wilde spelden. Pilgrimage is een bij momenten beschamende evenwichtsoefening in bescheidenheid en (vooral) eigendunk, wat ook blijkt uit de rol van de klasgenoot. Hoewel het bezoek op zijn initiatief wordt afgelegd, blijft hij afwezig. Als het inderdaad zo bepalend was om als Amerikaanse tiener bij Thomas Mann op de thee te willen gaan, is ook deze jongeman dan tot literair genie uitgegroeid? En zo nee, wat is er van hem geworden? Sontag let in Pilgrimage enkel op zichzelf en op de Nobelprijswinnaar. ‘De man die ik ontmoette, kon enkel gewichtige clichés aanreiken, hoewel hij het was die de boeken van Thomas Mann had geschreven. En ik bleef sprakeloos, ofwel bracht ik simplismen uit, hoewel ik vol was van complexe gevoelens. We waren geen van ons beiden op ons best.’ Die laatste zin is lachwekkend, maar de rest van het verhaal laat niet toe om er ironie in aan te treffen. ‘Ik heb nooit iemand over de ontmoeting verteld’, zo eindigt het verhaal, wat minstens door het gesprek in de NRC wordt tegengesproken.

Boeiender, en flatterender voor Sontag als schrijfster en als persoon, zijn de volgende tien verhalen, waarvan er acht voorafgaandelijk aan Pilgrimage verschenen, wat het opnieuw vreemd maakt om dat verhaal in pole position te zetten. Dit achttal vormde in 1978 Sontags enige verhalenbundel: I, etcetera, een programmatische titel waarmee ze in goede structuralistische traditie aangaf dat mensen geen unieke subjecten zijn, maar maatschappelijke verzamelingen van culturele eigenschappen en uniforme doelwitten van marketing. In deze verhalen is er niet altijd een ik-figuur tot de schrijfster terug te brengen, hoewel Sontag een van de meest unieke intellectuelen van de twintigste eeuw werd – iconisch, herkenbaar, maar bij momenten ook karikaturaal of krampachtig. De universele betekenis van alles wat ze schreef – en die is er zeker – moet bijna altijd van haar biografie en van het tijdperk (en het land) waarin ze leefde ontdaan worden, zodat haar werk inderdaad literatuur kan worden eerder dan geschiedenis.

‘Wat heb ik gekreund onder de last van onze vriendschap. Maar je dood is zwaarder’

I, etcetera werd in 1985 vertaald en uitgegeven door Agathon. Op de cover – hoe vaak gebeurt het dat van een levende schrijver een foto voor op het omslag van een verhalenbundel wordt gezet? – een bekend portret van Sontag, zittend voor het raam van haar appartement in New York, met Central Park op de achtergrond, haar elleboog op een stapel papier. Over die verhalenbundel schreef Jacq Vogelaar in De Groene dat er vooral mee bewezen werd ‘hoe moeilijk het is om de Amerikaanse samenleving in een satirische vorm te beschrijven; kennelijk is die op zichzelf al zó fantastisch dat overdrijving óf niet óf averechts werkt’. Inderdaad zijn de openlijk cultuurkritische verhalen niet erg geslaagd, en niet zo grappig. Amerikaanse influisteringen bijvoorbeeld gaat over ‘juffrouw Platgezicht’ die haar man verlaat, een steeds obscener leven gaat leiden, en zich prostitueert. De reductie van vrouwen tot (seks)objecten staat voorop. ‘Belaagd door mechanisch starende blikken besloot juffrouw Platgezicht tot een carrière van wellust. De geest van Ben Franklin en die van Tom Paine fluisterden schor in haar oren, lokkend en vermanend.’ Verderop wordt ze nog toegesproken door de geesten van onder anderen Stephen Crane, Warren G. Harding, John F. Kennedy en Errol Flynn – een postreligieuze variant van de engel of de duivel op iemands schouder, en een weinig elegante weergave, in een prozaverhaal, van de sturende werking van de Amerikaanse ideologie.

Ook Baby, in 1974 in Playboy verschenen, is onbeheerst: een ouderpaar spreekt een dokter over de moeilijkheden bij de opvoeding van hun kind. Aanvankelijk brengt Junior zijn nachten al lezend door, net als Sontag ‘onder de dekens met een zaklantaarn’, maar daarna wordt hij stap voor stap verprutst door de massacultuur – met als uitingen onder meer films met Steve McQueen, bananenchips, porno en sympathie voor de zuidelijke staten.

Het contrast met de beste verhalen van Sontag is groot, en het verschil lijkt te liggen in wat ze meermaals seriousness noemde – ernst, diepgang, gewicht – een waarde die vooral in de autobiografisch getinte verhalen de boventoon voert. The Letter Scene uit ’86 is een reeks fragmenten over personages die op het punt staan een brief te schrijven, met als rode draad een vrouw die een manier zoekt om haar man te zeggen dat ze wil scheiden. Debriefing (vertaald als Verslag uitbrengen) is een aangrijpend verhaal dat fragmentarisch het zowel vluchtige als overweldigende leven in New York weergeeft – Sontag was bij uitstek een metropolitane schrijfster, iemand die esthetische en stedelijke indrukken nodig had, ontmoetingen, duizend verschillende mogelijkheden op één avond, het gevoel het leven van de geest ten volle te leven, terwijl er in New York zoveel andere dingen gebeurden die haar niet interesseerden, maar die niet mochten ontbreken. ‘Deze stad’, zo schreef ze in Verslag uitbrengen, ‘is noch een jungle noch de maan noch het Grand Hotel. Van veraf: een kosmische vlek, een conglomeraat van bloedende energiestromen. Van dichtbij is het een tamelijk goed leesbaar gedrukt circuit, een getransistoriseerd labyrint van diersporen, een databank voor astmatische stemspectrogrammen. Alleen bepaalde burgers hebben het recht versterkt en hoorbaar te worden.’ De gebeurtenissen in het verhaal zijn incidenteel, maar een terugkerend personage is Julia, een vriendin van de ik-figuur, die zelfmoord pleegt. ‘Wat heb ik gekreund onder de last van onze vriendschap. Maar je dood is zwaarder.’

Het laatste verhaal heet The Way We Live Now. Het verscheen ook in 1986 in The New Yorker, en het is perfect – gelaagd, niet eenduidig te interpreteren, met zowel veel mededogen als subtiel misprijzen, en met een drive die vanzelfsprekend lijkt maar die net daarom van groots compositorisch talent getuigt. Sontags biografie is hier niet te situeren op één plek of in één vertelstandpunt, maar eerder in een New Yorkse scene, een groep mensen, een verondersteld intellectuele manier van samenleven – opnieuw een ideologie, maar vooral de ontkenning ervan in het dagelijks leven. John Updike selecteerde The Way We Live Now in 2000 voor The Best American Short Stories of the Century, en in het voorwoord vatte hij het samen: een man overlijdt langzaam aan een onbenoemde ziekte, die echter duidelijk met aids samenvalt; ‘een cirkel van vrienden reageert met roddelend geraas, als een korf opgeschudde bijen’. Sontag noemt enkel voornamen, die elkaar inderdaad voortdurend stukjes informatie aanreiken over de aftakeling van de zieke, waarin vaak toch ook opluchting klinkt over hun eigen gezondheid, en overschatting van de rol die ze zelf spelen.

‘Volgens Lewis praatte hij vaker over mensen die hem vaker bezochten, wat begrijpelijk is, zei Betsy, ik denk dat hij zelfs een lijstje bijhoudt.’ En in een latere fase van de ziekte: ‘Hij heeft zo’n vreemde, zenuwslopende onthechtheid over hem, zei Ellen, dat is het wat mij van streek maakt, hoewel het er makkelijker door wordt om met hem samen te zijn. Daarvoor was hij nogal klagerig. Ik kan het niet uitstaan dat ze hier elke ochtend mijn bloed komen halen, wat doen ze met al dat bloed, zou hij gezegd hebben; maar waar was zijn woede, vroeg Jan zich af. Meestal was hij net heel aardig, hoe gaat het met jou, vroeg hij altijd, hoe voel jij je. Hij is zo lief nu, zei Aileen.’ Ondanks de ogenschijnlijk gedateerde thematiek – aids is vandaag niet meer wat het in de jaren tachtig was – toont dit verhaal hoe Sontag slim genoeg was voor fictie.

The Way We Live Now is literatuur omdat het zowel over vandaag als over toen gaat, over mensen die voortdurend praten, voortdurend commentaar leveren, met woorden die verlangens en angsten uitdrukken, cirkelend rond het lijden van een ander.