THEATER

Met verwonderingsgezicht

Ton van Duinhoven

Toneelspeler Ton van Duinhoven koos het vak niet, het vak koos hem. Eerst de journalistiek. Hij rolde erin, net als zijn vader die recht uit de fabriek in Schiedam bij Het Volk ging werken. Zoon Ton begon daar ook, maar hij wilde bij een verzetskrant. Dat werd Het Parool. Plek hadden ze niet, maar hij kon als volontair bij de sportredactie komen. Daar werden zijn frivole voetbalverslagen opgemerkt door kunstchef Simon Carmiggelt, die hem onder meer naar ‘De kleine krant’ van De Groene Amsterdammer haalde, en naar het journalistencabaret De Inktvis, waar-ie een blauwe maandag meedeed, werd gezien door Wim Kan en prompt voor diens ABC-cabaret werd gecontracteerd. Daar begon het.
Op een avond zat Cor Ruys (1889-1952) in de zaal, groot karakterspeler en komediant, artistiek leider van het Vrije Toneel (zo genoemd omdat ze zonder subsidie werkten). En daar kon Antonius Mechel van Duinhoven in 1949 als toneeldebutant zonder opleiding meteen beginnen. Van Cor Ruys leerde Ton van Duinhoven een aantal ingrediënten van het toneelspelersvak die hem tot de grote acteur zouden maken die hij is geweest. De kernzaken natuurlijk, adem, dictie, timing, tekstzegging, fysieke transformatie, 'koppen maken’ (zelf greep op de grime houden). Maar ook zorgen dat je op repetities 'aanbod’ hebt voor een regisseur, als acteur voorstellen doet, hem verrast. En bovenal de betekenis van de rol voor het totaal van het stuk in het oog houden. Allemaal kwaliteiten die Van Duinhoven maakten tot een vaak onder collega’s als recalcitrant betitelde Einzelgänger.
Als jonge toneelkijker heb ik in 1966 binnen een tijdsbestek van enkele maanden twee verschillende kanten van de acteur Ton van Duinhoven gezien die me als een blok voor hem deden vallen. Eerst in De thuiskomst, dat snoeiharde wildebeestenstuk van Harold Pinter. Hij speelde Lenny, een pooier met een doodsangst voor sterke vrouwen, in ieder geval een lefgozer met een behoorlijke berg psychopathologische lijken in de kelder van zijn onderbewustzijn, een tijdloos fantastische creatie. Zes jaar later zou hij Brack spelen, een rechter in Ibsens Hedda Gabler, ook een man met een griezelige spookzolder in de bovenkamer, een soort Lenny-met-krijtstreep. Tweeënhalve maand na De thuiskomst ging in maart 1966 bij Toneelgroep Centrum Liefde’s Loze Les, een vroege komedie van Shakespeare, in première, in de regie van Guus Hermus, een collega waar Ton van Duinhoven zeer goed mee uit de voeten kon. Zijn rol was daarin Don Adriano de Armado, 'een wereldvreemd, pompeus, ridicuul en poëtisch heerschap, een eenzame’ (de typeringen zijn van de acteur zelf). Deze heer van stand met zijn paradoxale tekstbrouwsels, een voorstudie van Malvolio uit Driekoningenavond, werd een van zijn lievelingsrollen, geheel opgebouwd uit een hanepoterige vogelimitatie met een 'verwonderingsgezicht’ (Guus Hermus). Hij kreeg er zijn enige toneelprijs voor, de Arlecchino voor de beste mannelijke bijrol.
Dat het grote publiek en de media zich bij zijn overlijden alleen de talloze televisieoptredens zouden herinneren, dat had-ie voorspeld. Het Jamin-mannetje, de partyrobot, de Feyenoord-suppoost en de Chinees die in Nederland iets te snel het woord 'kezen’ onder de knie krijgt. Allemaal uit het nu ook al weer bijna vergeten Hadimassa. Wim de Bie, die daar met hem samenwerkte, herinnerde zich vorige week hoe Ton van Duinhoven aan die karakters, types en karikaturen eindeloos kon slijpen en schuren. Geen 'typeur’ dus, maar toneelspeler, en een verdomd goeie ook. Dat zijn dood snel door een sportheld zou worden overwoekerd had-ie trouwens ook voorspeld. Het werd Anton Geesink. Ik hoorde hem er vrijdag vanuit een vochtig zwerk homerisch om lachen. Dag Ton!