H.J.A. HOFLAND

Met volle mond

NEW YORK – Een van de opmerkelijkste eigenschappen van George W. Bush in de film van Oliver Stone is dat de held bij voorkeur met volle mond praat – eet terwijl hij spreekt of andersom en beide in hoog tempo. In het grootste deel van de film zien we Bush, gespeeld door Josh Brolin, in zijn particuliere leven en in de beslotenheid van de hoogste regeringskringen.
Voor mij was het een bevestiging en een openbaring. Uit zijn acht jaar van historische vergissingen kun je wel afleiden dat de wereld hier te maken heeft gehad met iemand die permanent en bij voorbaat overtuigd was van zijn eigen gelijk. Ontoegankelijk voor tegenspraak, of zoals Bob Woodward het heeft uitgedrukt: in een state of denial. De openbaring van de film ligt in de consequentie waarmee Bush deze benadering van vrijwel alles in praktijk heeft gebracht. Hij heeft bij wijze van spreken met volle mond tegen de wereld gepraat. Die man moet zich eens vakkundig laten nakijken, dacht ik in de bioscoop.
Een week na de overwinning van Obama duren in Amerika de vreugde en opluchting voort. Mensen zijn trots op wat ze zien als de voltooiing van de zwarte emancipatie. Dat kun je je gemakkelijk voorstellen. Een halve eeuw geleden moesten Afro-Amerikanen achter in de bus zitten, aparte wc’s gebruiken, alle vernederingen van de apartheid ondergaan. Ik woonde toen in Johnstown, Pennsylvania, zag het verzet groeien. De National Association for the Advancement of Colored People, de NAACP, gaf de voorkeur aan de weg van de geleidelijkheid. Het Congres of Racial Equality, CORE, een gemengde organisatie, wilde de revolutie. Zo zijn de sit-ins ontstaan, waarbij de leden van CORE de rassenvoorschriften doelbewust negeerden. Het begin van de daadwerkelijke emancipatie is letterlijk bevochten. Op 4 november is die ontwikkeling voor de wereld voltooid. Geen wonder dat de grote meerderheid van de Amerikanen trots is.
Maar de trots gaat gepaard met voorzichtigheid en hier en daar met angst. Hoe zal president Obama straks zijn mandaat gebruiken? De kranten staan vol met waarschuwingen en goede raadgevingen van niet de eersten de besten. De economie moet worden gered. Zal Obama met zijn eigen versie van een New Deal komen? Nobelpijswinnaar en columnist Paul Krugman legt uit hoe Franklin D. Roosevelt zich in de depressie van de jaren dertig half vergiste. Rechtse denktanks maken nu graag gebruik van Roosevelts fouten en negeren het feit dat het nationale wegennet voor een groot deel toen is aangelegd en dat de kinderen les krijgen in scholen die toen zijn gebouwd. Nu een New Deal? Dat hangt ervan af of Obama’s plannen op korte termijn voldoende stoutmoedig zijn. De progressieven mogen hopen dat hij voldoende energie en moed heeft. Schrijft Krugman.
Al Gore vult driekwart pagina met het artikel Climate for Change, waarin hij vijf dringende eisen formuleert waaraan moet worden voldaan wil de mensheid aan een klimatologische ramp ontsnappen. Volgend jaar wordt in Kopenhagen na Kyoto de volgende conferentie over het klimaat gehouden. ‘De beste, ja, de enige manier om door een internationaal verdrag de toekomst te verzekeren is door ervoor te zorgen dat de VS opnieuw de natie worden met het morele en politieke gezag dat de wereld naar een oplossing kan leiden.’
Ook aan de rechterkant is een trommelvuur van goede raad geopend. De nieuwe president wordt de dringende raad gegeven alleen met Ahmadinejad van Iran te praten vanuit een positie van kracht. In het Midden-Oosten de tanden laten zien, goed naar generaal Petraeus luisteren, de beste vriend van Israël blijven. Over het algemeen wordt hier het repertoire van Bush herhaald, zij het op een aanmerkelijk bescheidener toon. Op 4 november zijn de bakens onmiskenbaar verzet.
Het best wordt, dunkt mij, de nieuwe sfeer weergegeven door de columnist van The New York Times, Nicholas D. Kristof in zijn bijdrage Obama and the War on Brains. Met de uitslag van deze verkiezingen is niet alleen een mijlpaal in de oplossing van het rassenprobleem bereikt. ‘De Amerikaanse kiezers hebben hun voorkeur uitgesproken voor iemand die zich in geen enkel opzicht ervoor schaamt een intellectueel te zijn.’ Anti-intellectualisme heeft jarenlang, en zeker in de acht jaar van Bush, de toon van het openbare debat bepaald. Denk aan de onnozele rechtvaardigingen die de neoconservatieven aan de oorlog tegen Irak gaven, hoe het nu vertrekkende bewind het klimaatprobleem aan zijn laars lapte, het onderwijs verwaarloosde. Ook intellectuelen kunnen zich vergissen, maar dat is iets anders dan de onder Bush tot bloei gekomen haat tegen de denkende elite. Intellectuelen spreken niet met volle mond, maar luisteren naar elkaar. Dat is de eerste verworvenheid van Obama’s overwinning. Het debat is terug in Amerika.
H.J.A. HOFLAND
Met volle mond

NEW YORK – Een van de opmerkelijkste eigenschappen van George W. Bush in de film van Oliver Stone is dat de held bij voorkeur met volle mond praat – eet terwijl hij spreekt of andersom en beide in hoog tempo. In het grootste deel van de film zien we Bush, gespeeld door Josh Brolin, in zijn particuliere leven en in de beslotenheid van de hoogste regeringskringen.
Voor mij was het een bevestiging en een openbaring. Uit zijn acht jaar van historische vergissingen kun je wel afleiden dat de wereld hier te maken heeft gehad met iemand die permanent en bij voorbaat overtuigd was van zijn eigen gelijk. Ontoegankelijk voor tegenspraak, of zoals Bob Woodward het heeft uitgedrukt: in een state of denial. De openbaring van de film ligt in de consequentie waarmee Bush deze benadering van vrijwel alles in praktijk heeft gebracht. Hij heeft bij wijze van spreken met volle mond tegen de wereld gepraat. Die man moet zich eens vakkundig laten nakijken, dacht ik in de bioscoop.
Een week na de overwinning van Obama duren in Amerika de vreugde en opluchting voort. Mensen zijn trots op wat ze zien als de voltooiing van de zwarte emancipatie. Dat kun je je gemakkelijk voorstellen. Een halve eeuw geleden moesten Afro-Amerikanen achter in de bus zitten, aparte wc’s gebruiken, alle vernederingen van de apartheid ondergaan. Ik woonde toen in Johnstown, Pennsylvania, zag het verzet groeien. De National Association for the Advancement of Colored People, de NAACP, gaf de voorkeur aan de weg van de geleidelijkheid. Het Congres of Racial Equality, CORE, een gemengde organisatie, wilde de revolutie. Zo zijn de sit-ins ontstaan, waarbij de leden van CORE de rassenvoorschriften doelbewust negeerden. Het begin van de daadwerkelijke emancipatie is letterlijk bevochten. Op 4 november is die ontwikkeling voor de wereld voltooid. Geen wonder dat de grote meerderheid van de Amerikanen trots is.
Maar de trots gaat gepaard met voorzichtigheid en hier en daar met angst. Hoe zal president Obama straks zijn mandaat gebruiken? De kranten staan vol met waarschuwingen en goede raadgevingen van niet de eersten de besten. De economie moet worden gered. Zal Obama met zijn eigen versie van een New Deal komen? Nobelpijswinnaar en columnist Paul Krugman legt uit hoe Franklin D. Roosevelt zich in de depressie van de jaren dertig half vergiste. Rechtse denktanks maken nu graag gebruik van Roosevelts fouten en negeren het feit dat het nationale wegennet voor een groot deel toen is aangelegd en dat de kinderen les krijgen in scholen die toen zijn gebouwd. Nu een New Deal? Dat hangt ervan af of Obama’s plannen op korte termijn voldoende stoutmoedig zijn. De progressieven mogen hopen dat hij voldoende energie en moed heeft. Schrijft Krugman.
Al Gore vult driekwart pagina met het artikel Climate for Change, waarin hij vijf dringende eisen formuleert waaraan moet worden voldaan wil de mensheid aan een klimatologische ramp ontsnappen. Volgend jaar wordt in Kopenhagen na Kyoto de volgende conferentie over het klimaat gehouden. ‘De beste, ja, de enige manier om door een internationaal verdrag de toekomst te verzekeren is door ervoor te zorgen dat de VS opnieuw de natie worden met het morele en politieke gezag dat de wereld naar een oplossing kan leiden.’
Ook aan de rechterkant is een trommelvuur van goede raad geopend. De nieuwe president wordt de dringende raad gegeven alleen met Ahmadinejad van Iran te praten vanuit een positie van kracht. In het Midden-Oosten de tanden laten zien, goed naar generaal Petraeus luisteren, de beste vriend van Israël blijven. Over het algemeen wordt hier het repertoire van Bush herhaald, zij het op een aanmerkelijk bescheidener toon. Op 4 november zijn de bakens onmiskenbaar verzet.
Het best wordt, dunkt mij, de nieuwe sfeer weergegeven door de columnist van The New York Times, Nicholas D. Kristof in zijn bijdrage Obama and the War on Brains. Met de uitslag van deze verkiezingen is niet alleen een mijlpaal in de oplossing van het rassenprobleem bereikt. ‘De Amerikaanse kiezers hebben hun voorkeur uitgesproken voor iemand die zich in geen enkel opzicht ervoor schaamt een intellectueel te zijn.’ Anti-intellectualisme heeft jarenlang, en zeker in de acht jaar van Bush, de toon van het openbare debat bepaald. Denk aan de onnozele rechtvaardigingen die de neoconservatieven aan de oorlog tegen Irak gaven, hoe het nu vertrekkende bewind het klimaatprobleem aan zijn laars lapte, het onderwijs verwaarloosde. Ook intellectuelen kunnen zich vergissen, maar dat is iets anders dan de onder Bush tot bloei gekomen haat tegen de denkende elite. Intellectuelen spreken niet met volle mond, maar luisteren naar elkaar. Dat is de eerste verworvenheid van Obama’s overwinning. Het debat is terug in Amerika.