Met voorbedachten rade

Het betoog is geent op het requisitoir van procureur Kirillovitsj in Dostojevski’s De gebroeders Karamazov. Manders: Stephan Sanders, De grote woede van M., 72 blz., f17,50. Van Schralen: Dirk van Weelden, Antonius Servadac, 79 blz., f17,50. Beide novellen verschenen bij De Bezige Bij.
‘Dames en heren’, begon de procureur zijn betoog, ‘de zaak die ons bezighoudt staat niet op zichzelf. Het verontrustende is dat we aan misdaden als deze gewend zijn geraakt en ze allengs minder verschrikkelijk zijn gaan vinden. Waarin ligt de oorzaak van die onverschilligheid? Waarom schrikken we van dergelijke wandaden nauwelijks nog op?

Ligt het aan ons cynisme of aan de uitputting van onze geest, of aan de door onze maatschappij vroeg-oude jeugd? Of misschien doordat onze morele gronden wankelen, of dat we misschien helemaal geen morele gronden meer hebben? Een mens vermoordt zijn medemens en denkt er zelfs niet bij na hoe erg dat is. Werpt u eens een blik op de immorele beginselen die in onze maatschappij heersen. Neemt u bijvoorbeeld M. Servadac, het ongelukkige slachtoffer in deze zaak. Hoe hij ook geweest moge zijn, en er doen veel afschuwwekkende verhalen over hem de ronde, toch is hij een onschuldig kind vergeleken met hen die hem hebben vermoord. Want hier, in de beklaagdenbank, zitten twee personen die in hun cynisme en goddeloosheid een ernstig misdrijf hebben begaan zonder daar enige gevoelens van schaamte over te tonen. Zij hebben zelfs in alle openheid hun motieven voor hun misdrijf te kennen gegeven door ieder voor zich over het deerniswekkende slachtoffer een novelle te schrijven, twee boeken die ik niet anders dan als uiterst bezwarend voor de verdachten kan beschouwen. In die literaire ontboezemingen leren we de auteurs kennen als door iedere moraal verlaten lieden die menen dat in het belang van hun ontembare streven naar schrijversroem alle middelen geoorloofd zijn. Zij hebben de mensen in hun omgeving, hun dierbaren, hun familie, ja zelfs hun minnaars, op schandelijke wijze uitgezogen en misbruikt, alleen maar om hun geliefdheid bij het publiek te vergroten. En nu heeft hun lage drang een dodelijk slachtoffer geeist. Alsof het zo heeft moeten gebeuren, alsof de voorzienigheid een teken heeft willen geven waaruit wij moeten begrijpen dat schrijvers tegenwoordig zelfs niet terugdeinzen voor een lafhartige moord wanneer ze daar hun voordeel mee kunnen doen. Kijk maar naar de feiten. Laten die niet duidelijk zien dat hier ten koste van een ongelukkig personage aanzien wordt gekocht in de wereld van onze vaderlandse literatuur? Wat deed Bert van Schralen op die noodlottige avond waarop M. Servadac de dood vond? Ik lees u voor uit zijn novelle, die hij, in een al te opzichtige poging zijn schuld te verhullen, presenteert als een levensbeschrijving van Servadac: “Op de avond van 22 november 19.. bevond Servadac zich in het Schiller Crest Hotel aan het Rembrandtplein. Op de begane grond is cafe Schiller gevestigd, een mooi, oud cafe, dat nog helemaal is ingericht in de art-decostijl van de jaren dertig. Toen ik een locatie zocht voor een feest ter ere van mijn debuutroman, kon die niets anders zijn dan cafe Schiller. Dezelfde tweeentwintigste november, vanaf vijf uur ’s middags tot een uur of negen lieten we ons er door familie, vrienden, kennissen en Bezige Bij-medewerkers feliciteren. Een half uur nadat ik, een pas geboren schrijver, vertrokken was om ergens feestelijk te gaan dineren en absurde toasts uit te brengen, maakte recht boven het cafe de onverklaarde explosie een einde aan het leven van M. Servadac.” Dat is wat Van Schralen ons wil doen geloven, en gezegd moet worden dat er in deze passage geen woord gelogen is. Maar het is zoals met veel verklaringen die de schijn van een alibi moeten wekken: het is slechts de halve waarheid. Want we herinneren ons allemaal wat de eigenaar van restaurant Sluizer, dat zich op een steenworp afstand van het Rembrandtplein bevindt, hier in de getuigenbank heeft gezegd. Die herinnerde zich de komst van het liederlijke gezelschap nog maar al te goed en wist ons dan ook te vertellen dat het op z'n vroegst tien uur was toen zijn keurige etablissement werd overspoeld door de troep aangeschoten literatoren met hun gevolg. Tien uur! Ik stel daarom nogmaals de vraag: waar was Bert van Schralen op die verschrikkelijke avond tussen negen en tien uur? Op die vraag is hij ons hier een overtuigend antwoord schuldig gebleven. Maar wat ligt er meer voor de hand dan dat de jonge schrijver, in de roes van zijn debuut, besloot zich alvast een pakkend onderwerp voor zijn volgende schandaalroman te verschaffen door de man die model moest staan voor de hoofdpersoon te vermoorden? En treft dezelfde bewijslast niet ook onze tweede verdachte, Marcel Manders? Ook Manders heeft geprobeerd een gordijn voor zijn schuld te schuiven door over de ongelukkige M. Servadac een novelle te schrijven. Uit dat verhaal moeten we geloven dat hij zich ten tijde van M.’s dood op een eiland in de Stille Zuidzee bevond. Maar wat schrijft Manders precies over zijn afwezigheid op het moment dat zijn gewezen minnaar M. in de wanhoop van zijn eenzaamheid en verlatenheid besloot een kamer in het Schiller Crest Hotel te betrekken? Ik lees u de passage voor: “Hij - dat is M. - schrijft in zijn brief dat hij me mist en nu al weken wacht op antwoord. Desnoods had hij genoegen genomen met een ansicht uit een ver land, dat minstens twaalf uur vliegen hier vandaan ligt. Had dan geschreven dat je me niet kan schrijven, schrijft hij. Een krabbel op de achterkant was voldoende geweest: ‘Groeten vanaf dit Stille-Zuidzee-eiland. Als je me zoekt, kijk dan in de atlas, onder de P van Pago Pago, Western-Samoa. Daar ben ik nu onbereikbaar.’ Maar dit keer, klaagt hij, heb ik al mijn sporen uitgewist en hem achtergelaten in een bos zonder bomen of beloftes.” Ook in deze passage valt geen enkele leugen aan te wijzen, maar een alibi verschaft ze Manders geenszins, want wat er staat, laat zich zowel verenigen met zijn verblijf op Samoa als met zijn aanwezigheid op de plek des onheils in Amsterdam. Wij zien hier de doortraptheid van een schrijver aan het werk, die erin slaagt het ene feit dwingend te suggereren zonder het andere, tegenovergestelde feit volledig uit te sluiten. En dan zeg ik u, op grond van mijn jarenlange ervaring met alle mogelijke soorten misdadigers, dat in zo'n geval dat andere feit met de grootste waarschijnlijkheid waar is: Manders bevond zich op het bewuste tijdstip in Amsterdam, alwaar hij in commissie met Bert van Schralen de laaghartige moord pleegde die de weg moest vrijmaken voor zijn leugenachtige novelle over de door hem zo onbarmhartig behandelde M. Ik nodig u hierbij uit eens goed te lezen wat Manders in die novelle over het slachtoffer beweert. Het zijn zinnen waarvan de artistieke schoonheid verhult dat ze eigenlijk een vreselijk onheilspellende boodschap bevatten. Zo schrijft hij: “Ik zal M. bewerken tot een naamloze man in een verhaal dat zich navertellen laat - zelfs, of juist als hij er niet meer is.” Ik kan me niet voorstellen dat het u anders vergaat dan mij bij het lezen van deze woorden: met het beeld van de verminkte M. op die naargeestige hotelkamer voor ogen lopen mij de koude rillingen over de rug. En die rillingen gaan over in regelrechte morele ontzetting bij het lezen van de volgende passage: “M. schrijft dat hij me mist. Terwijl ik hem kort geleden nog heb uitgelegd waarom hij me met rust moet laten. Ik werk aan een boek waarin hij de hoofdpersoon zal spelen. Dat vergt uiterste concentratie. Ik denk over hem, niet aan hem. Als ik schrijf, is hij de derde persoon. Ik richt me niet tot hem, maar tot de lezer, over zijn hoofd heen. Nu voelt hij zich bekocht. Afgeschreven, schrijft hij letterlijk.” Afgeschreven - hoe wrang en bitter klinkt dat wanneer we bedenken dat Manders M. eerst als minnaar heeft laten vallen, vervolgens hem in zijn boek heeft “afgeschreven”, en hem ten slotte, zoals ik meen dat we nu met zekerheid kunnen vaststellen, daadwerkelijk heeft vermoord. Of, om een term van zijn medeplichtige te gebruiken, die zich over het algemeen iets minder fijnzinnig uitdrukt: “gesloopt”. Want “vertellen is slopen”, luidt de immorele stelling van Van Schralen. “Een schrijver”, zo stelt hij in zijn novelle doodgemoedereerd vast, “een schrijver kan niets scheppen, alleen heel spannend, amusant, ontroerend iets kapot maken. De beste vertelling is de volledige sloop van zijn onderwerp.” Jawel, Van Schralen houdt er wonderlijke ideeen over het schrijverschap op na, die ons niet anders dan met de grootste weerzin kunnen vervullen. Luister naar wat hij zoal te berde brengt. De schrijver, zo staat hier te lezen, is “een misdadiger die bewust aanstuurt op de ondergang van zijn vrienden ten dienste van zijn roman in wording”; hij is “een man die alleen schrijvend kan leven en die, omdat in zijn ogen vertellen slopen is, een ravage om zich heen aanricht”; hij is een “verkrachter”, een “vampier”, een “gewetenloze usurpator” - echt, het staat er allemaal. Ik vraag u nu, moet ik hier nog iets aan toevoegen? Getuigen deze woorden niet onomstotelijk van een morele verwording die tot niets anders kan leiden dan tot de definitieve vervaging van de grens tussen literaire karaktermoord en daadwerkelijke moord met voorbedachten rade?
En zijn de novellen van de beide verdachten geen doorzichtige pogingen om de gevolgen van hun weerzinwekkende daad te ontlopen door zich op de onschendbaarheid van het literaire aura te beroepen? Ik zie nog de zelfvoldane triomf op de gezichten van deze beide misdadigers toen zij onlangs op de televisie in het literaire programma van Gabriel Landrot hun wandaden mochten toelichten. De vanzelfsprekendheid waarmee ze in die uitzending het recht van de schrijver op de totale vernietiging van zijn onderwerp opeisten, werpt niet alleen een onverdelgbare smet op de nagedachtenis van de tragische M. Servadac, maar ook op het blazoen van onze nationale letterkunde. Toegegeven, wij hebben hier te doen met de brede natuur van aanstormende, jonge schrijvers, een natuur waarin twee afgronden gapen: een vol oneindige idealen en de andere die slechts het laagste van het laagste bevat. Het karakter van zulke wilde, onzedelijke jongelieden heeft evenzeer behoefte aan het gevoel van vallen als aan dat van hoge verheffing. Die tegennatuurlijke mengelmoes van gevoelens hebben ze nodig, zonder dat zijn ze ongelukkig, onbevredigd en betekent hun bestaan niets voor hen. Maar kunnen we toestaan dat de levensnood van de een hoger wordt aangeslagen dan de doodsnood van de ander, alleen maar omdat de eerste zich tooit met de vlag der schone letteren en de laatste voorgoed het zwijgen is opgelegd?’