Interview Martha Nussbaum

«Met woorden heb je nog geen vrijheid»

Komend jaar verschijnen van Martha Nussbaum maar liefst vier boeken. De Amerikaanse filosofe staat vooral bekend om haar «bekwaamheidsbenadering»: de mogelijkheid van individuen om hun rechten te verzilveren. Een treffen in Berlijn.

Een dief wordt veroordeeld tot het dragen van een hemd met het opschrift «Ik ben op proefverlof wegens diefstal». Een moordenaar van twee homoseksuele mannen krijgt strafvermindering omdat de rechter net als de aangeklaagde walgt van cruisende homo’s. Vooral in de Verenigde Staten krijgen schaamte en walging steeds vaker expliciet een functie toebedeeld in de rechtspraak. Voorstanders menen dat de walging van «de doorsnee burger» voldoende reden kan zijn om bepaalde gedragingen te verbieden, en dat straffen met schaamte de normen van de samenleving op peil houdt. Maar degene die anderen schaamte wil laten voelen en die zich laat leiden door walging probeert zich voor de eigen menselijkheid te verbergen, zegt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum.

In haar binnenkort te verschijnen boek Hiding from Humanity: Disgust, Shame, and the Law geeft Nussbaum een uitgebreide kritiek op de tendens om schaamte en walging een rol te laten spelen in het strafrecht. «De projectie van schaamte op anderen is een manier om de eigen menselijke zwakheden te ontkennen, een manier om te verbergen dat iedereen eigenschappen heeft waarvoor men zich zou schamen als ze openbaar werden. Het gebruik van schaamte is vergelijkbaar met argumenten die het gevoel van walging willen gebruiken. Walging functioneert als een soort afscherming tegen de eigen menselijkheid en vergankelijkheid. Volgens mij kunnen we dit soort argumenten bekritiseren door eigenschappen en werking van deze specifieke emoties nader onder de loep te nemen.»

Nussbaum heeft niets tegen de rol van emoties binnen het strafrecht. Rechtspraak zonder referentie aan emoties is volgens haar ondenkbaar. De mentale staat van zowel dader als slachtoffer speelt een belangrijke rol in een veroordeling. In haar vorige boek Upheavals of Thought: The Intelligence of Emotions (2001) betoogde Nussbaum dat emoties niet gezien moeten worden als oncontroleerbare irrationele oprispingen, maar als intelligente oordelen over zaken die we waardevol vinden. Als zodanig spelen emoties een belangrijke rol in ethiek en rechtspraak, en kunnen ze niet simpelweg als irrationeel terzijde worden geschoven. Nussbaum borduurt hiermee voort op de stoïcijnen die de emoties zagen als oordelen over «externe zaken» waaraan men belang hecht en waarover men geen volledige controle heeft.

Maar Nussbaum gaat niet mee in de radicale normatieve conclusie van de stoïcijnen dat men voor een geslaagd leven het streven naar alle «externe zaken» moet opgeven om zich op die manier van emoties vrij te maken. Liever volgt ze Aristoteles die stelde dat men bij elke specifieke situatie dient te oordelen, dat verschillende oordelen dikwijls onverenigbaar kunnen zijn, en dat daarom soms «tragische beslissingen» moeten worden genomen.

We spreken elkaar in een hotel aan de Kurfürstendamm in Berlijn. Martha Nussbaum is in Berlijn voor een seminar en een lezing. Met haar zwarte kleren en witte gymschoenen valt ze uit de toon tussen de chique toeristen en zakenlieden die de lobby bevolken. Nussbaum spreekt snel en gepassioneerd.

«Emoties als woede en angst kunnen heel goede richtlijnen in de rechtspraak zijn. Wie niet een extreem stoïcijnse positie inneemt, zal moeten erkennen dat er vaak heel goede redenen zijn om woede te voelen. Een rechter zal dan nagaan of het de woede betreft van een redelijk persoon. Als je de moordenaar van je kind om zeep brengt, dan is dat ingegeven door een gegronde woede, en zul je waarschijnlijk veroordeeld worden voor doodslag in plaats van moord. Maar als je iemand vermoordt die door je bloementuin loopt, zul je niet zulke strafvermindering krijgen, want het is onredelijk om over zoiets zo kwaad te worden.

Hetzelfde geldt voor angst. Als je iemand vermoordt uit doodsangst en aannemelijk weet te maken dat die angst gegrond was, zul je waarschijnlijk strafvermindering krijgen. Maar als ik jou nu op je kop sla en zeg dat ik bang was dat je me wilde vermoorden, dan is die angst niet gegrond, want je doet me geen kwaad. Dus men kan niet zeggen dat emoties als groep redelijk of onredelijk zijn. We moeten eerst een onderscheid maken tussen de verschillende emoties, en vervolgens kijken in welke gevallen die emoties redelijk zijn.

Bij schaamte en walging ligt de zaak heel anders dan bij angst en woede. Deze emoties zijn vanuit zichzelf al problematisch. De functie van walging is om onszelf af te schermen van de gedachte aan onze eigen lichamelijke afvalstoffen en onze vergankelijkheid. Vlees, verrotting en lichamelijke afvalstoffen: dat zijn onze voornaamste objecten van walging. Walging dient ter verdringing van het besef van onze eigen dierlijkheid en sterfelijkheid. In die zin heeft het iets functioneels, maar normatief gezien heeft het ook iets irrationeels. Je zegt: dit ben ik niet. Maar je bent het wel. Het is de ontkenning van de mens als een vergankelijk wezen.»

Volgens Martha Nussbaum gaat walging vaak een stap verder dan het directe object van afkeer. «In alle samenlevingen worden bepaalde groepen geselecteerd die moeten dienen als een verdere afscheiding van het walgelijke. Men kan dan wijzen en zeggen: deze mensen zijn smerig. Op die manier is men zelf nog verder verwijderd van het object van walging, want nu is er die groep smerige mensen die tussen hen en het walgelijke in staat. De projectie van deze eigenschappen op een groep gebeurt altijd op een irrationele manier. Het gaat altijd om een groep die al ondergeschikt en gemarginaliseerd is, en dat neemt alleen maar toe door deze associatie met walgelijke eigenschappen. Dit is een belangrijk gegeven in de geschiedenis van het anti semitisme. Het gevoel van walging hangt altijd samen met de angst voor besmetting: men wil die mensen op een afstand houden. Deze reflex is volstrekt anders dan de reflex van woede, waarbij het gaat om een misstand die recht gezet moet worden.»

In haar seminar vrouwenstudies aan de Humbold Universiteit heeft Nussbaum uitgelegd hoe deze walging ook een rol speelt bij miso gamie. Walging van het vrouwelijke lichaam en onmogelijke fantasieën van puurheid spelen vaak een rol bij haat en geweld tegen vrouwen.

Nussbaum is net in Berlijn tijdens de studentenprotesten tegen voorgenomen bezuinigingen op het hoger onderwijs. In de metro worden «open colleges» gegeven onder het motto Bildung für alle. Op straat wordt gedemonstreerd: Wir sind hier und wir sind laut, weil ihr uns die Bildung klaut.

In haar boek Cultivating Humanity: A Classical Defense of Reform in Liberal Education (1997) maakte Nussbaum zich sterk voor de rol van de universiteiten bij de vorming van capabele burgers, of eigenlijk wereldburgers. Minderhedenstudies dienen daarin een belangrijke plaats te hebben, evenals filosofie en literatuur.

Nussbaum denkt dat de Amerikaanse structuur van een brede liberal education ook waardevol is voor Europese universiteiten. «Belangrijke studies als vrouwenstudies integreren hier niet in de bredere maatschappelijke sfeer, juist omdat de structuur van liberal education mist waarbij verschillende opleidingen gecombineerd kunnen worden. Ik was geschokt tijdens het seminar aan de Humbold over religie en geweld tegen vrouwen, een onderwerp van wereldbelang. De eerste dag waren er nul mannen in de zaal, de tweede morgen één, en ’s middags twee omdat de Zweedse ambassadeur langskwam met wie ik bevriend ben. Dat is niet genoeg. In de VS zou het aantal mannen bij zo’n seminar minstens een derde zijn.»

Zelf is Nussbaum ook zo’n veelzijdige academicus. Ze is hoogleraar rechten en ethiek op de faculteiten filosofie, rechten en theologie aan de Universiteit van Chicago. Daarnaast vervult ze uiteenlopende functies op de afdelingen klassieke talen, vrouwenstudies en Aziatische studies. Aan dezelfde universiteit heeft ze recent het Centre for Comparative Constitutionalism opgericht dat de relatie bestudeert tussen de vastgelegde constitutionele rechten en de daadwerkelijke implementatie daarvan. Naast Hiding from Humanity verschijnen dit jaar nog drie andere boeken van haar hand. The Cosmopolitan Tradition is een geschiedenis van het idee van wereldburgerschap. Beyond the Social Contract beargumenteert dat contracttheorieën van rechtvaardigheid tekortschieten als het gaat om het vraagstuk van internationale verdeling. En Compassion and Capabilities gaat over de relatie tussen Nussbaums theorie van compassie en haar capabilities approach.

Deze «bekwaamheidsbenadering» is Nussbaums belangrijkste bijdrage aan de hedendaagse politieke en ethische theorievorming. Ze ontwikkelde deze benadering samen met de econoom en Nobelprijs winnaar Amartya Sen, toen beiden werkzaam waren bij het World Institute for Development Economics Research (Wider) van de Verenigde Naties Universiteit in Helsinki. Uitgangspunt is het idee van menselijk functioneren of bekwaamheid: datgene wat mensen kunnen doen en zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de mogelijkheid te leven, gezond te zijn, te kunnen denken en voelen. Volgens Nussbaum en Sen is het in de ontwikkelingseconomie niet voldoende om naar het bruto binnenlands product te kijken. Men moet kijken naar de mate waarin deze bekwaamheden uitgeoefend en ontplooid kunnen worden. Na de afsluiting van het Wider-project is Nussbaum haar capabilities approach blijven veranderen en aanscherpen, waarmee het wat betreft gebruik en inhoud verwijderd is geraakt van Sens aanpak. Waar Sen het gebruikt als een instrument voor het meten en vergelijken van de kwaliteit van leven in ontwikkelingslanden, gebruikt Nussbaum het als een «minimale theorie» van sociale rechtvaardigheid en mensenrechten.

Martha Nussbaum: «Ik zie mijn capabilities approach als een specimen van de mensenrechtentraditie. Maar er zijn veel verschillende mensenrechtentradities. Vooral in de Verenigde Staten worden mensenrechten vaak gezien als negatieve vrijheden, dat wil zeggen dat de staat zich alleen maar dient te onthouden van inmenging in de persoonlijke levenssfeer. Dit idee gaat uit van een vals onderscheid tussen rechten waarvoor de staat geld moet uitgeven en rechten waarvoor dat niet hoeft. Mijn aanpak gaat hier lijnrecht tegenin. Alle rechten behoeven actieve inmenging van de staat, en alle rechten hebben een economische component. De vrijheid van meningsuiting vereist bijvoorbeeld scholing, en dat betekent dat er geld moet worden uitgegeven.»

Ligt het belang van de mensenrechtentraditie niet juist in de bescherming van het individu tegen de staat? Dat de staat dus iets niet doet, en ook geen geld hoeft uit te geven. Dat is een ander soort eis dan dat de staat iets wel moet doen, namelijk geld aan scholing uitgeven. Moet dit onderscheid niet juist heel duidelijk worden gemaakt?

Martha Nussbaum: «Maar er is geen onderscheid! Je kunt niet iets duidelijk maken wat er niet is. In bepaalde delen van India zijn de infrastructuur en het onderwijssysteem een puinhoop. Wat betekent vrijheid van meningsuiting dan? Wat betekent stemrecht dan? Je kunt nergens heen. Er is geen openbaar vervoer, geen elektriciteit, geen scholing. Vrijheden zijn dan slechts woorden op papier. Je kunt wel die woorden op papier hebben, maar dan heb je nog geen vrijheid. Vrijheid betekent ergens toe in staat zijn, dat is wat de capabilities approach zegt. Zelfs in de Verenigde Staten, waar men erg gehecht is aan het idee van negatieve vrij heden, zijn er uitspraken van het hoog gerechtshof geweest die stelden dat het recht op fatsoenlijke scholing inherent is aan het recht op vrijheid van meningsuiting. Het is een vals onderscheid dat denk ik belangrijke realiteiten verhult. Volgens de capabilities approach moet je altijd letten op datgene wat mensen daadwerkelijk kunnen doen en zijn. Als ze daartoe niet in staat blijken, weet je dat die vrijheid nog niet is bereikt.»

In de capabilities approach wordt een ethische norm gebaseerd op de menselijke natuur. Hoe maakt u die stap van feitelijke beschrijving naar normatieve claim?

«Die stap maak ik niet. Ik start vanuit de norm, vanuit het idee van menselijke waardigheid. Vervolgens stel ik dat bepaalde vaardigheden inherent zijn aan een waardig leven, en probeer ik te specificeren welke dat zijn. Op die manier kom ik bij de minimale rechten die elke burger in een fatsoenlijke maatschappij moet hebben. Het blijft dus binnen de normatieve sfeer. De feiten zijn alleen nodig om ons een idee te geven van wat de menselijke mogelijkheden zijn.»

Daarover kunnen grote verschillen van mening bestaan. Verschillende levensovertui gingen onderscheiden verschillende menselijke kenmerken en mogelijkheden.

«Het gaat mij niet om de betekenis van het leven. het gaat mij om een basis voor politieke keuzes in een pluralistische maatschappij. De hoop is dan dat mensen met verschillende levensovertuigingen het erover eens zijn dat dit de juiste keuzes zijn. Het gaat om de mogelijkheid van menselijk functioneren, niet om dat functioneren als zodanig. Op de lijst staat vrijheid van religie, maar niet van religieus functioneren. Zeggen dat iedereen naar de kerk moet is in strijd met veel levensovertuigingen, maar zeggen dat iedereen vrij is om het eigen geloof te praktiseren, dat is iets waar de meeste mensen zich wel in kunnen vinden. Desondanks zullen er in een pluralistische maatschappij altijd mensen zijn die niet van pluralisme houden. Die zullen niet voor deze aanpak tekenen.»