Diversiteit alleen is nooit genoeg

Met z’n allen door één deur

Enerzijds manifesteert het anders-zijn zich in de moderne tijd meer dan voorheen, anderzijds roept het gevoelens van onbehagen op. Hoe gaan we met de verschillen om?

Medium hh 60471661
5 november, intocht van de Nieuwe Sint. Patrick Mathurin komt met zijn boot aan bij de Stopera in Amsterdam. De Nieuwe Sint heeft geen Zwarte Pieten mee en deelt rozen uit. © Dingena Mol / HH

Het meest opmerkelijke verschijnsel van de moderne samenleving is haar enorme diversiteit. Twee minuten in een willekeurige winkelstraat volstaan om daarvan overtuigd te zijn. Mannen en vrouwen, ouderen en jongeren, rijk en arm, mensen met en zonder handicap, donker- en lichtgekleurde burgers, haastige lieden en slenteraars – het loopt allemaal even soepel door elkaar. Geen wonder dat menigeen deze situatie als een normaal gegeven ziet.

Maar hoe vanzelfsprekend is het eigenlijk dat mannen en vrouwen elkaar met rust laten? Dat rijke en arme burgers probleemloos door elkaar lopen? Dat verschillen in huidskleur of geloof geen onoverkomelijk probleem vormen? Volgens mij spreekt dit allerminst voor zich. Deze soepele omgang met verschillen is veeleer de uitkomst van veelvuldig oefenen en kan zonder een gedeelde code niet bestaan. Ze berust onder meer op het besef dat mensen gelijkwaardig zijn. Dat besef wordt tegenwoordig door een groot deel van de bevolking gedeeld. Het is niet voor niets dat Artikel 1 van onze grondwet over dat beginsel gaat, en er zijn talloze burgers die dat serieus nemen.

Zo laat het moderne leven ons twee gezichten zien. Er zijn enerzijds verschillen van opvatting die vooral naar voren komen als men in discussie gaat, maar er zijn ook gedeelde waarden die maken dat er zoiets als een samenleving kan bestaan. Het begrip samenleving zou weinig voorstellen als mensen inderdaad niets met elkaar gemeen hadden. In feite gaat het altijd om de vraag hoe processen van differentiatie en van integratie op elkaar inwerken. Dat neemt niet weg dat de aandacht vooral uitgaat naar differentiatie of diversiteit, terwijl dat andere proces relatief onzichtbaar blijft. Welke omstandigheden droegen daartoe bij?

Laten we om te beginnen vaststellen dat de belangstelling voor diversiteit niet van gisteren dateert. Denk bijvoorbeeld aan de jaren zestig van de vorige eeuw toen er in brede kring verzet ontstond tegen de gangbare normen inzake seksualiteit en relatievorming. Men plaatste vraagtekens bij het huwelijk als enige legitieme relatievorm. Gaandeweg ontstond er meer ruimte voor handelingen of voorkeuren die van deze norm afweken. We beseften niet alleen dat er homoseksualiteit bestaat, maar ontdekten ook dat man en vrouw meestal op een eigen manier tegen het liefdesleven aankijken. Later werd duidelijk dat lesbische liefde verschilt van homoseksualiteit en vandaag begrijpen we dat transseksualiteit weer iets heel anders is. Zo groeide de pluriformiteit op dit gebied, ook al is het waar dat de daadwerkelijke acceptatie soms bij onze denkbeelden achterblijft.

Vanaf de jaren tachtig nam de diversiteit in demografisch opzicht toe. Het aantal personen met een niet-westerse achtergrond nam toe, bijvoorbeeld doordat mensen na de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland kwamen en doordat Turkse of Marokkaanse migranten hun vrouw en kinderen lieten overkomen in het kader van de gezinshereniging. Zo werd Nederland steeds kleuriger. Dat gebeurde in bepaalde steden of buurten sneller dan in andere, maar het resultaat was toch dat degenen die qua huidskleur van de aanvankelijke bewoners afweken inmiddels een opvallend bestanddeel van onze bevolking uitmaakten. Ook daardoor werd diversiteit een onderwerp van publieke meningsvorming.

Een derde ontwikkeling die de aandacht op dit onderwerp vestigde, lag op normatief gebied. Na de aanslagen in New York en andere schokkende ervaringen vroeg menigeen zich af of de integratie van met name moslims wel voldoende vorderde. Aanvaardden zij de scheiding van kerk en staat? Hoe dachten zij over de gelijkwaardigheid van man en vrouw? Waren zij betrouwbare medeburgers of vormden zij een vijfde colonne die danste naar de pijpen van een vreemde mogendheid? Dat zette het proces van integratie onder druk, terwijl het bij moslims leidde tot een bewustwording van hun eigenheid. Zo nam het aantal vrouwen dat bewust koos voor een hoofddoek in deze periode toe en tegelijkertijd werd de vrees onder autochtonen voor een sluipende islamisering steeds sterker. Een en ander maakte diversiteit tot een probleem of in elk geval tot een zaak waarover in felle woorden wordt gedebatteerd.

Het ideaal van gelijk­waardigheid wordt in Nederland elke dag geschonden
***

Hoe gaat Nederland in de praktijk met al die verschillen om? De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het ideaal van gelijkwaardigheid in Nederland elke dag geschonden wordt. Ik volsta met een paar voorbeelden. Er is nog altijd een structureel loonverschil tussen man en vrouw, ook als zij hetzelfde werk doen. Bovendien dringen vrouwen minder door tot leidinggevende functies in het bedrijfsleven. We weten dat migranten vaker dan gemiddeld in buurten met een achterstand wonen, dat hun sociaal-economische status door de bank genomen lager is en dat jongeren eerder in de criminaliteit terechtkomen. Ook vindt er op brede schaal discriminatie plaats van mensen die qua opleiding, cognitieve vermogens of gedrag in negatieve zin van de gangbare norm afwijken.

Toch is dit maar de helft van het verhaal. In werkelijkheid zijn we niet gelukkig met het feit dat veel mensen buiten de boot vallen. Dat blijkt uit de klachten die het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) de afgelopen jaren heeft verzameld. Het voornaamste waar burgers over klagen is de wijze waarop we met elkaar omgaan. Ze nemen een toename van egoïsme en agressie waar, ze vinden dat de zorg voor kwetsbare groepen beter moet en ze storen zich aan politici die niet samenwerken maar onderlinge verschillen voorop stellen. De stemming enigszins chargerend zou men kunnen zeggen dat Nederlanders verlangen naar een zorgzame gemeenschap waarin mensen met elkaar verbonden zijn en elementaire waarden hooghouden. Dit verlangen staat haaks op hun ervaring dat er steeds meer verschillen zijn. In feite verwoorden ze een toestand die de socioloog Émile Durkheim beschreef als anomie: een situatie waarin het aan normen ontbreekt en de gemeenschap aan erosie onderhevig is.

Deze situatie confronteert ons met een paradox. Aan de ene kant blijkt diversiteit iets wat aan het leven eigen is en wat zich in de moderne tijd extra sterk manifesteert. Aan de andere kant roept diversiteit gevoelens van onbehagen op omdat niet langer helder is wat ons met elkaar verbindt. Vandaar dat veel mensen op zoek gaan naar iets wat de bestaande diversiteit van individuen, groepen of levenswijzen compenseert. Daarbij dienen zich twee vragen aan. De eerste heeft betrekking op de sociale groep waarmee ik mij verbonden weet. Van welke groep of groepen voel ik mij een onderdeel, voor welke mensen voel ik een zekere loyaliteit en niet onbelangrijk: welke mensen komen voor mij op als ik zelf in de verdrukking raak? Laten we dit de relationele vraag noemen.

Een tweede kwestie heeft betrekking op de waarden die mij dierbaar zijn. Welke idealen streef ik na, welke normen vind ik van groot belang en niet onbelangrijk: welke zaken zijn voor mij taboe als mijn waarden in het gedrang komen? Laten we dit de morele vraag noemen. Het is goed erop te wijzen dat beide vragen weinig met rationaliteit van doen hebben. Zowel het omarmen van bepaalde waarden als het streven naar groepsvorming is vooral een affectieve zaak. De combinatie van beide vragen maakt dat mensen de negatieve gevolgen van diversiteit op drie manieren kunnen tegengaan.

Een eerste manier is dat men zich niet aan een specifieke groep verbindt, maar wel de meest elementaire waarden wil verdedigen. Dat geldt met name voor het beginsel dat alle mensen gelijkwaardig zijn. We verwijzen daartoe naar Artikel 1 van onze grondwet dat discriminatie op grond van ras, geslacht, geloofsovertuiging of welke grond dan ook verbiedt. We vinden weliswaar dat iedereen een recht op vrije meningsuiting heeft (Artikel 7), maar uiteindelijk staat Artikel 1 voorop. Dat is van belang waar zich in het onderlinge verkeer spanningen of problemen aandienen. Bijvoorbeeld wanneer een groep moslims zich beledigd voelt door de publicatie van een cartoon, wanneer vrouwen merken dat ze onvoldoende kans op een hoge baan maken, of als mensen met een donkere huid zich storen aan een figuur als Zwarte Piet. In reactie op dergelijke spanningen staan velen een meer correcte houding voor. Ze vinden dat we respect moeten opbrengen voor de groep die zich benadeeld voelt en houden op die manier hun eigen morele waarden inzake mensenrechten hoog.

Medium beeldunie 00157233
Maassluis, 12 november. De Nieuwe Sint ontmoet de ‘officiële’ Sinterklaas tijdens de intocht in Maassluis. © Jet Budelman / De Beeldenunie
Als het vormen, behouden of versterken van eigen identiteiten een publieke kwestie wordt, nemen de verschillen verder toe

Maar dat is niet het enige antwoord op te veel diversiteit. Je kunt ook een andere weg bewandelen, in de zin dat je niet zozeer op moraliteit inzet maar op loyaliteit aan de eigen groep. Je hebt nu eenmaal een zwarte huid en dus kom je voor zwarte medemensen op, ook wanneer die normatief gezien heel anders in het leven staan. Of je bent als Turk solidair met landgenoten omdat je banden met Turkije sterk zijn. Of je werkt als manager graag met je mannelijke peers omdat buitenstaanders zoals vrouwen veel onzekerheden meebrengen. Of je dekt elkaar als medisch specialist wanneer een collega fouten maakt omdat je elkaar nog langer nodig hebt. In al die gevallen gebeurt er iets wat op tribalisme lijkt. Er ontstaat op basis van bepaalde kenmerken een stam die meer op sociale banden dan op morele overwegingen berust en zo de nadelen van een te grote diversiteit bestrijdt.

Bij een derde antwoord op diversiteit worden de twee vorige gecombineerd. We cultiveren dan onze verbondenheid met een bepaalde groep en benadrukken dat deze voor gedeelde waarden staat. Dat proces speelt zich de laatste jaren vooral onder autochtone Nederlanders af. Zij willen enerzijds gemeenschapsvorming op nationaal niveau en geloven anderzijds dat hun gemeenschap een aantal waarden deelt. Dat kan op een vorm van populisme uitlopen. In dat geval werpen leiders zich op als woordvoerders van het volk, dat niet alleen wordt voorgesteld als een homogeen geheel, maar ook als een normatieve grootheid waar politici naar moeten luisteren.

Al deze pogingen om het onbehagen over groeiende diversiteit te beantwoorden, hadden de laatste jaren het nodige succes. Ze hebben ook iets met elkaar gemeen. Ze mikken alle drie op het behouden, vormen of versterken van een eigen identiteit. In het eerste geval wordt dat ethisch ingevuld: wij nemen de mensenrechten serieus en daarom kunnen wij geen enkele vorm van discriminatie toelaten. In het tweede geval wordt zij etnisch ingevuld: wij zijn een bedreigde minderheid en moeten daarom voor onze belangen opkomen. In het derde geval wordt zij op een politieke wijze ingevuld: wij vertegenwoordigen een meerderheid en daarom moeten onze waarden door anderen aanvaard worden.

De moeilijkheid is evenwel dat het claimen van dergelijke identiteiten het onbehagen over een toegenomen diversiteit alleen maar groter maakt. Sterker: als het vormen, behouden of versterken van eigen identiteiten een publieke kwestie wordt, nemen de verschillen verder toe en ligt polarisatie van de openbare meningsvorming op de loer. Dat blijkt inmiddels ruimschoots het geval, en daarom kan het geen kwaad om kort stil te staan bij enkele bezwaren die de notie van identiteit aankleven.

***

Een eerste bezwaar tegen het denken in termen van identiteit is dat lichamelijke verschillen een allesomvattende betekenis krijgen. Men denkt al snel dat er een diepe kloof tussen man en vrouw bestaat, dat zwarte en witte Nederlanders heel anders in het leven staan, dat het liefdesleven van homoseksuelen niet met dat van heteroseksuelen te vergelijken is of dat de draagster van een hoofddoek zich wezenlijk van leeftijdgenoten zonder hoofddoek onderscheidt. Bovendien is men geneigd om zichtbare kenmerken te zien als een teken dat op achterliggende waarden, geschiedenissen of loyaliteiten wijst. Een donkere huidskleur staat voor vierhonderd jaar koloniale uitbuiting. Een baard of hoofddoek duidt op orthodoxe opvattingen inzake de islam. Het korte rokje van een vrouw fungeert als indicatie voor losbandigheid.

In al die gevallen is sprake van een reusachtige versimpeling waarbij men de rijkdom van een bepaalde persoon of groep tot één enkel kenmerk reduceert. Het is een denkwijze die zich nauwelijks van racisme onderscheidt, zij het dat de waardering deze keer geen negatieve maar een positieve is. Wie trots is op zijn seksuele, gekleurde of religieuze identiteit keert de oude racistische waardering om, maar voor het overige houdt men aan het reduceren van iemands leven tot een enkel zichtbaar teken vast.

Bezwaarlijk aan het denken in termen van identiteit is dat lichamelijke verschillen een alles­omvattende betekenis krijgen

Het punt is evenwel – en dat lijkt mij een volgend bezwaar te zijn – dat mensen doorgaans meer dan één identiteit hebben. Ze voelen zich betrokken bij een specifieke groep, maar ook bij het bedrijf waar ze werken, bij de stad waar ze woonachtig zijn, bij de kinderen waar ze voor zorgen, bij het land waar hun voorouders vandaan kwamen, bij de voetbalclub waar ze vrijwilligerswerk doen et cetera. De meeste mensen kunnen goed overweg met een dergelijke meervoudigheid. De vraag welke identiteit voorop staat, hangt namelijk van de situatie af. Het ene moment gaan ze volledig in hun werk op, het andere moment spreken ze hun politieke voorkeur uit en het derde moment staan ze te juichen bij hun voetbalclub. Dat plaatst een vraagteken bij het idee dat iemands identiteit volledig wordt bepaald door de culturele traditie waartoe hij of zij behoort én bij het idee dat deze tradities elkaar volkomen uitsluiten.

Het laatste bezwaar tegen een begrip als identiteit is dat het de nadruk legt op datgene wat iemand zelf denkt of doet. Uiteraard draag je zelf bij aan je persoonlijke ontwikkeling, maar de bijdrage van anderen is vaak belangrijker. We kunnen de vraag wie we zijn nooit losmaken van al die medemensen en leermeesters die ons in het leven hebben bijgestaan. Dat geldt evengoed voor organisaties of voorzieningen waarvan we aannemen dat ze gewoon werken. Wat blijft er over van onze identiteit wanneer de voedselvoorziening plotseling zou wegvallen, als er een ernstige ziekte zou uitbreken of als overheidsdienaren misbruik maken van hun macht? Aan dat soort overwegingen gaan we te gemakkelijk voorbij als we onze identiteit voorop stellen. Daarmee vormt denken in termen van identiteit niet zozeer een antwoord op de toegenomen variatie van het moderne bestaan, het is juist een radicale vorm ervan en daarmee tevens een onderdeel van het probleem.

***

Een en ander maakt duidelijk dat het cultiveren van de eigen identiteit op een serie fysieke, culturele en sociale vooronderstellingen berust. Maar we kunnen ook uitgaan van andere vooronderstellingen met als gevolg dat er een nieuwe houding tegenover diversiteit ontstaat. Dat alternatief zal ik kort aanstippen. Wat betreft de natuurlijke aspecten van ons bestaan geloof ik dat mensen, dwars door alle tijdvakken, culturen en sociale klassen heen, vele zaken met elkaar gemeen hebben. Er bestaat brede consensus over het idee dat gezondheid beter is dan ziekte of gebrek, dat vrede beter is dan geweld en dat liefde beter is dan haat. Deze overeenstemming is zo breed dat wij er zelden over nadenken. Maar ze treedt onmiddellijk aan het licht wanneer zich een ramp voordoet of het menselijk leven wordt bedreigd. Ze is eigenlijk een kwestie van gezond verstand, al zou ik degenen die hieraan voorbijgaan om de verschillen tussen mensen te benadrukken, niet graag de kost geven.

Er zijn ook overeenkomsten als we naar de culturele kant van ons bestaan kijken. We weten allemaal dat religieuze of levensbeschouwelijke tradities van elkaar afwijken als het gaat om de verschillende geboden, om de denkbeelden waar deze uit voortvloeien, om de teksten die in een traditie worden gehanteerd of om de argumenten die de gelovigen bij een twistgesprek aanvoeren. Wat dat betreft mogen de meningsverschillen tussen christenen, boeddhisten, moslims, socialisten of confucianisten niet worden onderschat. Maar op het onderliggende niveau van waarden, deugden of idealen zijn de verschillen minder groot. Sommige geleerden zijn er zelfs van overtuigd dat deze tradities in wezen dezelfde waarden omarmen. Qua uitleg mogen termen als naastenliefde, broederschap, compassie, empathie of mededogen dan misschien verschillend zijn, op het niveau van de gevoelens bestaat er meer overlap dan de dogmatici doen voorkomen.

Ten slotte moeten we geen overdreven voorstelling maken van onze scheidslijnen op sociaal gebied. Samenwerking is uiteraard eenvoudiger als mensen behoren tot eenzelfde groep of een vergelijkbare achtergrond hebben. Maar daaruit volgt niet dat samenwerking tussen verschillende ‘stammen’ onmogelijk zou zijn. De geschiedenis kent vele voorbeelden van collectieve actie waarbij mensen over sociale verschillen heen stappen. Daarbij gelden in het algemeen twee voorwaarden. Ten eerste moet er een urgente kwestie zijn die men alleen kan oplossen door de handen ineen te slaan. Ten tweede moet er sprake zijn van leiderschap waarbij duidelijk wordt hoe het overwinnen van scheidslijnen in zijn werk gaat.

We hebben de afgelopen jaren zeven onderzoeken gedaan waarin dat bevestigd wordt. De ene keer ging het om ‘ondernemende burgers’ in Amsterdam, de andere keer over ‘best persons’ die in achterstandswijken hardnekkige problemen oplossen en een derde keer om ‘sociale voortrekkers’ die plaatselijk nieuwe initiatieven ontwikkelen. Al deze mensen stelden niet zozeer hun identiteit voorop, maar waren dienstbaar aan datgene wat we doorgaans het algemeen belang of de publieke zaak noemen.

Komt iemand zijn beloften na? Is iemand bereid om zijn of haar werk goed te doen? Durft iemand iets te zeggen als er onrecht aan de orde is?
***

Op basis van het voorgaande ontwaar ik een alternatieve werkwijze om de problemen die uit een toegenomen diversiteit voortvloeien te beantwoorden. Ik vat die samen als het streven naar meer common sense en maak daarbij gebruik van het gegeven dat deze uitdrukking drie betekenissen heeft: gezond verstand, gemeenschappelijke betekenis en een gezamenlijke weg.

Het eerste element van mijn pleidooi houdt in dat we het gezonde verstand een voorname rol geven. Dat is bepaald niet evident in een samenleving met veel hoogopgeleide burgers, die steeds een eigen mening ontwikkelen, die graag het woord voeren en die op het internet alle relevante informatie kunnen verzamelen. Deze burgers laten zich veelal leiden door teksten, denkbeelden, argumenten, theorieën, modellen en bedoelingen zonder te weten wat er in het alledaagse leven gaande is. Ze kunnen wat dat betreft het nodige leren van professionals die op grond van hun praktische ervaring weten hoe je een slimme oplossing in het alledaagse leven kunt inpassen. Wat we ‘gezond verstand’ noemen, berust in feite op het vermogen om dingen die ons hoofd bedenkt relevant te maken voor burgers van vlees en bloed, dat wil zeggen voor mensen die behalve een verstand (hoofd) ook een gevoelsleven (hart) en zelfs lichamelijke drijfveren (onderbuik) hebben. Zouden we die praktische wijsheid in het samenwerken voorop stellen, dan hebben de scheidslijnen als gevolg van toegenomen diversiteit een minder negatieve uitwerking.

Het tweede element van de hier bepleite werkwijze houdt in dat we meer aandacht schenken aan de waarden, deugden en idealen die mensen met elkaar gemeen hebben, ook als zij naar culturele achtergrond, religieuze traditie, politieke voorkeur of sociale groep verschillend zijn. Daarbij moeten we, zoals gezegd, niet zozeer letten op voorkeuren die ze uitspreken, op teksten die ze aanhalen of op denkbeelden die ze verdedigen, maar vooral op datgene wat zij daadwerkelijk doen. Het gaat dus om hun handelen en om de vraag welke waarden daarbij aan het werk zijn. Komt iemand zijn beloften na? Geeft iemand blijk van menselijke betrokkenheid? Is iemand bereid om zijn of haar werk goed te doen? Durft iemand iets te zeggen als er onrecht aan de orde is? In feite gaat het om kwaliteiten die in de meest uiteenlopende culturen worden gewaardeerd en die de basis voor de tweede betekenis van common sense vormen.

Ten slotte is er een derde manier waarop men common sense kan opvatten, zij het dat deze ook met een connotatie in de Franse taal te maken heeft. Ik doel op het besef bij groepen of personen dat zij eenzelfde richting volgen. Daarin komen de twee eerste betekenissen bij elkaar. Pas wanneer men heeft besloten om – ondanks bestaande scheidslijnen – samen aan de slag te gaan met het oplossen van een urgent probleem en men bovendien ervaren heeft dat er – ondanks bestaande scheidslijnen – op normatief gebied een bepaalde overlap bestaat, zal de bestaande diversiteit haar vruchten afwerpen.

Het vaak gehoorde credo dat diversiteit aan elke vorm van samenwerken ten goede komt, vind ik hoogst naïef. Om productief te zijn moet diversiteit voldoen aan twee voorwaarden. Variatie naar lichamelijke, culturele en sociale kenmerken is mooi, maar ze werkt pas als men het morele relativisme overwint (door te erkennen dat samenwerkende partijen bepaalde waarden met elkaar gemeen hebben) en als men tevens een dosis gezond verstand opbrengt (door te erkennen dat samenwerking behalve een cognitieve ook een affectieve en lichamelijke dimensie heeft).

Laat ik één voorbeeld geven om te illustreren wat ik bedoel. Tien jaar terug werd door Barend Rombout in Rotterdam Bureau Frontlijn opgericht. Het omvat professionals die vanuit meerdere disciplines samenwerken om hulpbehoevende gezinnen te helpen. De betreffende gezinnen kampen met een ingewikkelde problematiek waarin armoede, opvoedingsvragen, geweld, middelengebruik en sociale achterstanden bij elkaar komen. Hun etnische, sociale en religieuze achtergrond is vaak zeer divers. Niettemin hanteren de hulpverleners van Bureau Frontlijn een paar elementaire waarden die niet ter discussie staan. Verder hebben ze weinig op met allerlei formulieren en beleidsnota’s. Het gaat erom dat gezinsleden de weg naar een meer normaal maatschappelijk bestaan vinden. Daarbij is een flinke portie gezond verstand nodig, want praten of debatteren lost niets op. Al met al is het een werkwijze die veel common sense in de hier bedoelde zin laat zien en na tien jaar ook de waardering krijgt die zij verdient.

Betekent dit nu dat er in de moderne samenleving onvoldoende ruimte voor uiteenlopende identiteiten is? Dat lijkt me niet de kern van het probleem te zijn. Volgens mij houdt modern leven in dat je een brede diversiteit van mensen accepteert en tevens oog hebt voor het feit dat hun gedrag aan bepaalde normen onderhevig is. Sommige normen zijn van legale aard in die zin dat ze niet bij wet verboden zijn. Andere normen zijn van sociale aard in die zin dat ze goede samenwerking bevorderen. En weer andere normen zijn van morele aard in die zin dat ze verwijzen naar bepaalde waarden die we met elkaar gemeen hebben. Het is voor allochtone én autochtone burgers een hele opgave om uit te vinden waar de juiste balans tussen variatie en selectie ligt. Het uitgangspunt zou moeten zijn dat het niet zozeer gaat om de vraag wie je bent, maar om de vraag wat je in een gegeven situatie doet. Dit criterium helpt wellicht om verder te komen dan het nogal vruchteloze debat dat we momenteel over diversiteit voeren.


Gabriël van den Brink is hoogleraar wijsbegeerte bij Èthos aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en emeritus hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde bij Tilburg University