‘Ben jij een vreemde hier?

Met z'n allen in de volkstuin

Medium 6 volkstuin mg 6567

Op een paar honderd meter van volkstuinpark Ons Buiten in Amsterdam razen de auto’s over de snelweg. Treinen denderen over het spoor en regelmatig vliegt er een vliegtuig laag over. Op het park is het opmerkelijk stil. Paden worden geveegd, gras wordt een laatste keer gemaaid, bladeren worden bijeengeharkt en de witte plastic stoelen worden met een doekje afgenomen voor ze definitief naar binnen gaan. In de kantine zitten twee mannen achter een bord met plakken leverworst en stukken kaas. ‘Koffie? Nee, dat hebben we niet meer. We zijn eigenlijk gesloten.’
Toen Ons Buiten in 1927 naar deze plek net naast de Nieuwe Meer verhuisde, verbouwden Amsterdammers hier hun bonen, kolen en knollen op hun eigen stukje buiten. Een typische volkstuin - met een scheefgezakt hok voor het gereedschap, mos op de glazen afdekplaten, wapperend plastic - is het al lang niet meer. De uit de kluiten gewassen tuinhuizen staan goed in de verf en de bloemen bloeien uitbundig. Spruitjes of pompoenen zijn ver te zoeken. 'Nieuwe mensen beginnen vol goede moed aan een moestuin, maar dat duurt meestal niet lang. Het stikt hier van de konijnen, die vreten alles op’, vertelt een vrouw terwijl ze een blik werpt in haar bloementuin. 'Daar is niet tegenop te werken.’
Voedsel hoeven we tegenwoordig niet meer zelf te verbouwen, daarvoor gaan we naar de supermarkt. Wie van zijn volkstuin een moestuin maakt, doet dat voor het eigen plezier en niet uit noodzaak. De naar schatting 250.000 volkstuinen in Nederland krijgen steeds meer een recreatieve functie, zowel voor de volkstuinders zelf als voor stedelingen die de natuur opzoeken. Er is bijvoorbeeld een educatieve tuin en er is een wandeling uitgezet langs de mooiste plekken van Ons Buiten en vijf andere tuinparken aan de zuidwestrand van Amsterdam.
'Wij wonen zes maanden per jaar op de tuin’, vertelt een vrouw over de heg. 'Veel mensen doen dat, ze verhuren hun vaste huizen in Amsterdam, Purmerend of Almere en blijven de hele zomer hier.’ Gezinnen brengen vooral de weekends en de vakanties door op Ons Buiten. Je hoort er de merels door de dorre herfstbladeren scharrelen. Elfenbankjes groeien tegen de boomstronken, op een houtsnipperpad schiet een konijn weg. Er is natuur, er is stilte en ruimte. Kinderen bouwen boomhutten, er is plek voor een plastic glijbaan in eigen tuin en op het centrale grasveld kan gevoetbald worden.
Aan de rand van dat grasveld liggen een winkel, een bibliotheek en een kantine. Veel mensen kennen elkaar. 'Ben jij een vreemde hier?’ vraagt iemand. Ze waarschuwt dat de hekken om vijf uur dichtgaan. Ons Buiten is als een klein dorp met een vreemde samenstelling: hier wonen voornamelijk ouderen en welgestelde jonge gezinnen die zich een tuinhuis van tussen de drie- en vijftienduizend euro kunnen veroorloven. 'Wij komen hier al jaren en we hebben ons huisje zelf gebouwd’, vertelt een oudere dame. Ze ziet de jongeren komen en vertrekken. Een volkstuin kost niet alleen geld maar vooral erg veel tijd. 'Iedereen moet maar werken tegenwoordig’, mompelt ze, terwijl ze een enorme tak wegsleept.