Metáfora!

Al weer jaren geleden zag ik Il postino, een Italiaanse film met een gevoelige postbode in de hoofdrol. De Chileense dichter Pablo Neruda bracht hem, hopeloos verliefd op een onbereikbare schone, de basisprincipes van het dichten bij. Dat wil zeggen: hij leerde hem wat een metafoor was. Als je iets beschrijft door iets anders te beschrijven, dan gebruik je een metafoor, zo legde hij hem uit. De postbode wilde niets liever dan dichter worden, zodat hij populair zou worden bij de meisjes. Ga maar langs het strand lopen, zo adviseerde de dichter hem, net zo lang tot je een metafoor hebt gevonden.

Ik vond het een mooie film, was geloof ik zelfs aangedaan, maar merk dat ik de neiging heb er nu spottend over te schrijven. Dat komt doordat ik na het zien van die film ruzie kreeg met mijn gezelschap dat het een kitschfilm vond. Als het tegen één oordeel moeilijk in het verweer komen is, is het wel dat. Ik ben er ingestonken, denk je dan toch. Je denkt dat je iets moois zag, maar het was kitsch.

Ik fiets naar een sportschool waar ik me misschien wil gaan inschrijven en heb die postbode in mijn hoofd, en zijn vergeefse zoektocht langs het strand. Zou je ook metaforenmoe kunnen worden? Was dat wat me parten speelde? Die ochtend had ik een recensie van een roman gelezen die ik zelf ook had besproken, en werd met terugwerkende kracht nog geïrriteerder over het boek in kwestie. Te meer omdat ik de week ervoor een soortgelijke recensie had gelezen, in dezelfde eerbiedige frases gegoten. Soms kan een ander oordeel over een boek je aan het twijfelen brengen: wat zien zij dat ik niet zie? Al moest ik, hard trappend tegen de wind in, toegeven daar steeds minder last van te hebben. Deze sportschool ligt helemaal aan de andere kant van het spoor, dat is alvast een voordeel.

Je hebt van die romans, en Het lichtatelier van Marie Kessels is daar een perfect voorbeeld van, die hun eigen recensie al schrijven. Ze zijn met zoveel literair vertoon opgetuigd dat je als criticus alleen maar met een grote boog om hun al te opzichtig toegedekte valkuil heen wilt lopen. De hoofdpersoon in Het lichtatelier heeft net haar man verloren. Om in het reine te komen met het verlies geeft ze zich over aan een arbeidsintensief karwei: het scheppen van papier. Geen gewoon papier, maar extreem vezelig en onbruikbaar papier, honderd procent natuurlijk van zelf bijeengeharkt bosmateriaal. Het doet er namelijk niet toe wat er uitkomt, het gaat alleen maar om het bezig zijn met iets, iets moeilijks, concentratie- en tijdrovend. Mijn probleem met het boek was dat ik de symboliek er te dik bovenop vond liggen. Iedere pagina schreeuwt het uit. Of nee, niet schreeuwen, dat zou te ostentatief zijn. Iedere pagina lispelt: respect. Heb respect voor mijn verlitera­tureluurde scheppingsarbeid. Kijk eens hoe subtiel en ingetogen: ik heb een metafoor voor mijn rouwproces bedacht.

Metáfora! roept de postbode verrukt uit als hij naar de maan kijkt.

En ziet, o wonder. Twee toonaangevende critici, Arjan Peters (Volkskrant) en Elsbeth Etty (NRC) tuimelen met open ogen de kuil in en weten van genot niet waar ze het moeten zoeken. Hij: ‘Haar bezigheid is therapie, maar bovenal een kunstzinnige hommage, en de beschrijving ervan – het resultaat, de papieren schepping die Het lichtatelier heet – is het geschenk dat wij voorzichtig moeten uit­pakken.’ Zij: ‘Kessels spreekt in deze roman niet alleen Edgar en Ilse vrij, maar alle verloren schepsels die tegen de klippen op “zinloos geworden tijd” betekenis geven. Lezen van Het lichtatelier wordt daarmee een even lucide droomervaring als de scheppende rouwarbeid die er zo bloemrijk in wordt beschreven.’

Deze niet bepaald lucide maar wel zeer bloemrijke hoogdravendheid had me misschien minder getroffen als niet juist ook deze twee critici een paar maanden geleden vooraan stonden in de rij om Connie Palmen een kopje kleiner te maken. Met Logboek van een onbarmhartig jaar zou die een onbeholpen gecomponeerd en stilistisch zwak boek hebben geschreven, een ‘in tranen gedrenkt geschrift’. Waar de vertelster van Kessels rouwarbeid verricht, is Palmen alleen maar bezig met zelfbeklag.

Metáfora! roept de postbode verrukt uit als hij van bovenaf de zee ziet.

Wij houden er in Nederland niet van – nooit gedacht dat ik nog eens op deze manier een zin zou beginnen – als iemand zonder terughouding schrijft over groot verdriet, gemis, verlangen, grote liefde. Liever het mistige proza van een schrijfster die zich verder niet laat zien of interviewen, dan een zich in het openbare leven manifesterende ‘dominante dwerg’ die een geliefd politicus heeft geschaakt.

Wat of ik wil bereiken, vraagt de vrouw van de sportschool die zich heeft voorgesteld als Vanessa. Ze heeft net al op een meerbladig inschrijfformulier geschreven dat ik niet te­vreden ben over mezelf. Opeens is het daarmee iets heel groots geworden.