Popmuziek

Metalen vraagtekens

Popmuziek: Metallica toont in documentaire zijn onbeholpen kant

Het was even schrikken voor Metallica-fans die op een festival in Austin, Texas, de documentaire Metallica: Some Kind of Monster al te zien kregen. Een blik achter de schermen van de grootste metal-band ter wereld zouden ze krijgen. Dat kregen ze ook. Maar alsof ze hun ouders in bed betrapten, keken ze 135 minuten lang naar opgekropte verwijten, onuitgesproken frustraties, botsende karakters en eindeloze praatsessies. Metallica, bastion van de macho, bleek in werkelijkheid te bestaan uit met zichzelf en elkaar worstelende mannen.

Maandag treedt Metallica op in een volle Arena. Bij een band van dit kaliber staat victorie in het draaiboek. Het meest recente album St. Anger is een gedurfde en avontuurlijke plaat, donker en bijna industrieel kaal. Dus verkocht hij voor Metallica-begrippen matig, want metal-fans houden niet van verandering. Toch zullen ze naar de Arena komen, omdat ze weten dat Metallica vooral oude nummers speelt. Dat is de onuitgesproken afspraak die ook bijvoorbeeld de Rolling Stones met hun publiek hebben gemaakt: laat ons af en toe iets nieuws proberen, we weten waarvoor jullie komen en dat zullen jullie krijgen.

Het is opmerkelijk en dapper dat een band van dit kaliber in zijn kruis laat kijken, zoals Metallica de filmmakers Joe Berlinger en Bruce Sinofsky toestond. Dat de band drijft op de botsende karakters van zanger James Hetfield (een stugge redneck, opgevoed volgens het sektarische Christian Scientist-geloof) en drummer Lars Ulrich (zoon van een Deense tennisprof, decadent, opzichtig geïnteresseerd in kunst) was net zo evident als het gebrek aan communicatie tussen de bandleden. Maar dat een paar mannen jarenlang de wereld kunnen rondtouren en pas een aanzet tot een gesprek hebben wanneer een therapeut ze daartoe verplicht, levert onthutsende inzichten in het bandleven op. Hetfields gecultiveerde imago («Alchollica» heette de band in de wandelgangen, en Hetfield liet het zich graag aanleunen) blijkt hem fataal te zijn geworden. Hij belandt in een afkickkliniek. De opnamen van St. Anger liggen stil, en wanneer Hetfield afgekickt terugkeert, moet hij zich aan een levensregime houden dat nauwelijks in een muzikantenbestaan past. Gezin of band, loyaliteit aan de muziek of aan vrienden, elkaars onhebbelijkheden uitspreken of blijven gedogen, leven volgens de clichés van rock-’n-roll of deze alleen belijden: tegen de achtergrond van meer gedwongen keuzes dan de bandleden lief zijn, toont Some Kind of Monster veel beelden van mannen die lang naar de grond staren en diep zuchten voor het hoge woord eruit komt. Al is dat woord soms alleen «fuck». De documentaireliefhebbers in de Texaanse bioscoopzaal lachten soms schamper om de onbeholpen gesprekken van die stoere mannen, met slaande deuren en al. De Metallica-fans snapten na de film waarschijnlijk waarom James Hetfield op het recentste album van Metallica de levenslust bezingt in teksten met opvallend veel vraagtekens. «Am I Who I Think I Am?» zong hij. Nu pas begrepen ze hem.

Metallica, Arena Amsterdam, 21 juni

Metallica: Some Kind of Monster, Amerikaanse première 9 juli