Metaphysica homosexualis

Schopenhauer is een van de eerste moderne filosofen die aandacht heeft voor wat gewone mensen altijd al aan het hart gaat: seksualiteit. De geschiedenis van de wijsbegeerte vertoont sinds het begin van onze jaartelling een enorme preutsheid, met uitzondering misschien van de Franse Verlichting.

Voor Schopenhauer zijn voortplanting en de verhouding tussen de seksen echter filosofisch interessant. En voor ons zijn zijn gedachten hierover interessant, bijvoorbeeld omdat zijn metafysica kan worden gelezen als een pleidooi voor algehele homoseksualiteit, waar ook ter wereld.
Dat zit als volgt. Schopenhauers filosofie gaat in de beste traditie van de metafysica over alles, maar in de eerste plaats toch over het leven en alle onbewuste krachten die hierin hun, meestal verderfelijke, rol spelen. Deze krachten zijn uitdrukking van wat de wereld wezenlijk is: de metafysische Wil. Alles wat bestaat, is uiting van deze ongebreidelde drang zich te manifesteren. Daarom zijn alle verschijnselen per definitie in gevecht met alle andere verschijnselen: het bestaan is een onophoudelijke strijd van allen tegen allen.
Er zijn slechts enkele, uiterst geringe mogelijkheden om uit dit tranendal te ontsnappen. Afgezien van de kunst, die soms een ogenblik vertroosting biedt, en naastenliefde die bij hoge uitzondering mogelijk is, beschrijft Schopenhauer een radicale uitweg: het ontkennen van de wil tot bestaan, door ontzegging van alle aardse genoegens, van voortplanting en ten slotte ook eten en drinken.
Schopenhauer kwam - opnieuw: als een van de eerste moderne filosofen - onder de indruk van de oosterse wijsbegeerte. Zijn ideaal van de heilige, die uit overtuiging het leven verzaakt en daarmee zichzelf en mogelijk zelfs de wereld verlost, is mede hieraan ontleend. Zijn in de filosofie wel heel ongebruikelijke oproep tot radicale ascese staat recht tegenover dat wat de mens het meest beweegt en drijft: seks, zoals we al heel lang wisten maar pas sinds de door Schopenhauer beïnvloede Freud als wetenschapper mogen zeggen.
Seksuele gemeenschap is volgens Schopenhauer de meest extreme bevestiging van de wil tot leven. Hier ontmoeten man en vrouw elkaar als marionetten van de verraderlijke wil, die door voortplanting het mensengeslacht en daarmee deze gruwelijke wereld tot in eeuwigheid doet voortbestaan. ‘Post coitum cachinnus auditur Diaboli’, schrijft Schopenhauer: 'Na de liefdesdaad kun je het schaterlachen horen van de duivel.’ Precies hier ligt het aangrijpingspunt voor een metafysisch pleidooi voor homoseksualiteit. Ervan uitgaande dat onze seksuele lusten niet eenvoudig zijn te onderdrukken, een ervaringsfeit waar de niet van realiteitszin gespeende Schopenhauer zelf op wijst, zou juist het misleiden van de Wil tot leven een uitweg kunnen bieden. Deze metafysische misleiding is het meest adequaat in lichamelijke liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht. Want terwijl de wil tot leven op de meest hevige manier wordt bevestigd, blijft dit handelen verstoken van de ultieme metafysische bedoeling, namelijk voortplanting en voortbestaan. Zo'n coïtus doet het lachen op des duivels lippen besterven.
Schopenhauer was zelf geen voorstander van wat hij geheel in de lijn van zijn tijd 'tegennatuurlijke vormen van geslachtsbevrediging’ noemde. Zijn argument komt erop neer dat in de daad zelf de levenswil juist bij uitstek wordt bevestigd, een argument dat hij ook aanvoert wanneer hij zich tegen zelfmoord uitspreekt. Voor die zelfmoord heeft hij begrip (zijn vader maakte een eind aan zijn leven), alleen verkiest de zelfmoordenaar volgens hem niet de dood, maar is hij ontevreden over het leven. Hij wil niet het niets, maar een beter leven, dat niet mogelijk blijkt. De zelfmoordenaar heeft een motief, meent Schopenhauer, in plaats van een 'quiëtief’, het ontbreken van elk willen.
Het fascinerende is echter dat Schopenhauer, in de door hem aangevoerde mogelijkheden tot ontsnapping aan het helse leven, de wil om de tuin laat leiden met behulp van de geest. (Hij noemde dat 'intellect’, want het woord 'geest’ werd al te zeer met zijn filosofische aartsvijand Hegel geassocieerd.) In de kunst bijvoorbeeld is dankzij esthetische contemplatie alle lust, verlangen en streven voor een ogenblik tot rust gekomen. In de zeldzame gevallen van naastenliefde is de Wil ook momentaan afwezig en juist daarom zijn die momenten van compassie bijna even uitzonderlijk als het verschijnsel van de ware asceet.
De paradoxale ontsnapping uit de wereld van de Wil heeft veel Schopenhauer-specialisten beziggehouden. Problematisch in de meeste analysen is de vraag hoe onze geestelijke vermogens, die bij Schopenhauer niet meer zijn dan een instrument van de Wil, in staat zouden zijn de Wil zelf te overwinnen. Die raadselachtige zelfvernietiging schuilt kennelijk in de Wil zelf - want buiten de Wil bestaat er niets. Maar als dat zo is, waarom zou dan niet juist de 'tegennatuurlijke geslachtsdaad’ het middel bij uitstek zijn om een eind te maken aan de slechtste van alle mogelijke werelden waar wij toevallig in leven?
Optimisten kunnen bij Plato terecht, en eventueel bij Foucault, als zij een filosofische rechtvaardiging van homoseksualiteit verlangen. Pessimisten bij Schopenhauer, al hield hij niet van mannen. (Van vrouwen trouwens nog minder.) Uiteindelijk blijven in deze kwesties natuurlijk de smetten van de metafysica bestaan. Het idee dat de mens man of vrouw, wit of zwart is op andere dan biologische gronden leidt immers tot de grootst mogelijke narigheid. Om maar niet te spreken van het idee dat homoseksualiteit zou moeten worden gelegitimeerd.