Essay: Persoonsregistratie

Meten is niet altijd weten

Sinds de aanslagen van 11 september past de overheid een scala van nieuwe methoden toe om ons te herkennen en registreren. Al sinds de Middeleeuwen worden ingezetenen in kaart gebracht, en ja, het is ‘voor onze veiligheid’. Maar schiet het middel nu zijn doel niet voorbij?

Medium essay

Begin april 2004 reisde ik per trein naar Madrid. Aangekomen op station Atocha vond ik de hele stationshal bedekt met kaarsen en briefjes. Daarop stonden de namen vermeld van de slachtoffers die waren omgekomen bij de aanslagen van 11 maart, zo’n vier weken eerder. Het station was veranderd in een monument ter nagedachtenis aan de 191 mensen die daar waren bezweken. Het zien van al die briefjes, als een uiterst persoonlijke uitdrukking van gemis, schokte me enorm. In de eerste plaats omdat het veel dichterbij kwam dan overheidsverklaringen, krantenberichten of televisieopnames. In de tweede plaats omdat het Atocha veranderde in een ‘memorial’. Atocha was van doorgangsstation en verkeers­knooppunt een lieu de mémoire geworden. Wie nu de naam Atocha hoort, denkt aan al-Qaeda. Het lemma op Wikipedia geeft als treffer meteen ‘Madrid train bombings’ op. Maar toen was Atocha nog van de slachtoffers.

Inmiddels zijn de briefjes aan de muren en in de tunnels van Atocha verdwenen. De namen en boodschappen van rouw en verdriet zijn aangebracht op een officieel monument net buiten het station, een elf meter hoge, holle cilinder waar je in kunt staan en naar boven kunt kijken.

Het vaststellen, kennen, opschrijven en vereeuwigen van de namen is het tragische maar onmisbare ritueel dat na elke oorlog, elke ramp of aanslag terugkeert. Het is de eerste behoefte van nabestaanden en hulpverleners, van verslaggevers, van politie en justitie. Wie is er omgekomen, wie is er vermist, wie moet er nog worden opgespoord? Het is ook een behoefte die blijft als de plaats des onheils is opgeruimd, als de treinen weer gewoon rijden en de daders zijn gepakt en veroordeeld: het noemen van de namen. Het terugvinden en opschrijven van de namen is óók bij uitstek de taak van de historicus. Ook voor historici die zich bezighouden met politieke geschiedenis en met geschiedenis van internationale betrekkingen gaat het nooit alleen maar om de grote ontwikkelingen van staten of statensystemen, maar ook om de mensen die die ontwikkelingen dragen. Of om de mensen die tussen de raderen van de ‘grote geschiedenis’ raken en in oorlogen of bij aanslagen om het leven komen. Namen onderscheiden, tillen iemand uit de vergetel­heid en beschermen hem of haar, maar kunnen juist ook in dienst staan van politieke ontmachtiging.

Het terugvinden en registreren van de namen is voor een historicus het begin van zijn werk. Voor de nabestaanden is het een begin van rouw en verwerking. Maar ook voor veiligheidsmensen is het een essentiële bezigheid. Hoe hebben die praktijken van registratie en herkenning zich in de geschiedenis ontwikkeld? Hoe werden ze onderdeel van een nationaal veiligheidsbeleid als voorwaarde voor en gevolg van het ‘sociale contract’ tussen de moderne natiestaat en zijn burgers? En hoe zit het met de wederkerigheid van dat contract? Sinds de opkomst van allerlei nieuwe technologieën van herkenning en registratie is er een spanning ontstaan tussen profiel en persoon, en een ongelijkheid tussen overheid en burger. Die spanning heeft implicaties: het is tijd voor een nieuw sociaal contract op het gebied van veiligheid, een die berust op wederkerigheid.

Henk Looijesteijn en Marco van Leeuwen zijn tot nog toe de enige historici die onderzoek hebben gedaan naar de eerste praktijken van herkenning en registratie in Nederland, die begonnen met het concilie van Trente in 1563 dat priesters verplichtte huwelijken en geboortes te registreren. In de tijd van de Republiek waren er diverse andere registers, maar die waren lokaal van aard en werden door verschillende instanties bijgehouden voor hun eigen specifieke doeleinden. Steden hielden bij wie zich als ‘burgher’ in het stadsregister had ingeschreven. De voc en de wic hielden voor hun eigen scheepsadministratie bij welke zeelieden er voor welke tochten waren aangemonsterd. Bij desertie werd de naam van de voortvluchtige matroos aan de havenschout doorgegeven. Ook de krijgsmacht hield bij wie er werd geronseld. Gildes hadden lijsten van leerlingen, gezellen en meesters, bedoeld als onderling verzekerings- en kwaliteitsborgingssysteem. Politie en justitie, die er plaatselijk al wel waren maar op landelijk niveau nog niet, hadden een primitieve, simpele methode om de openbare orde en veiligheid te waarborgen. Criminelen werden gebrandmerkt of verminkt, zodat rondreizende misdadigers snel werden herkend. In oorlogstijd kregen burgers die een grens wilden passeren, of handel in een grensgebied bedreven, een identiteitsdocument. Herkenning en registratie waren dus vluchtig, decentraal en gemakkelijk te omzeilen.

Dat veranderde met de opkomst en de uitbreiding van de natiestaat. Je zou kunnen betogen dat registratie en herkenning onderdeel werden van het sociaal contract dat in Nederland rond 1800 tot stand kwam. Het begrip ‘maatschappelijk verdrag’ was afkomstig uit Jean-Jacques Rousseau’s beroemde werk Du contrat social en behelsde het idee van een oorspronkelijke toestand van gebrek of conflict die kon worden opgelost door als gemeenschap van individuen bepaalde functies en taken aan een centraal gezag uit te besteden. De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798 had immers geproclameerd: ‘Het oogmerk der maatschappelijke vereeniging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaaving van verstand en zeden’ (artikel 1). Ook in de grondwet van 1815 keerde die bescherming van persoon en goederen terug als oogmerk van de nieuwe staat, in artikel 4 – een passage die in de grondwet van 1848 werd herhaald en ook in de versies van 1887 en 1972 behouden bleef, en pas in 1983 uit de constitutie verdween.

Veiligheid strekt zich uit over een bepaald gebied of een bepaalde populatie. Zij heeft betrekking op objecten die moeten worden beschermd, en subjecten die als dreiging worden beschouwd. Herkenning en registratie zijn in beide gevallen noodzakelijk. Iemand moet worden herkend als behorend tot de populatie die bescherming geniet, inclusief zijn eigendommen. Maar er zijn dus ook personen die daarbuiten vallen, of die als gevaarlijk worden gezien. In 1811 werd de eerste Wet op de Registratie aangenomen. Samen met de invoering van een nationale jurisdictie (de Code Napoléon en het Crimineel Wetboek van 1809), dienstplicht en de belastingenwijzigingen plaatsten die ingrijpende hervormingen het individu in een veel strakkere relatie tot overheid, grondgebied en nationaliteit. De groepen zwervers, ‘vagebonden’, ‘zigeuners’, bastaardkinderen en overige buitencategorieën werden ingelijfd in het lichaam van de moderne staat. Identiteit werd een permanente categorie. Het sociale contract hield in dat burgers vanaf dit moment ongevraagd werden geregistreerd en aan gezag en geweldsmonopolie werden onderworpen. Willem I nam het netwerk van informanten over dat door Lodewijk Napoleon was opgezet, organiseerde volkstellingen en begon allerlei statistische gegevens over zijn nieuwe populatie, hun eigendom, inkomsten en grondgebied te verzamelen.

En wat kreeg de burger daarvoor terug? Hij werd allereerst formeel beschermd in zijn persoonlijke levenssfeer. Een centraal veiligheidsbeleid was voor de grondleggers van het moderne Nederland de voorwaarde voor handel, welvaart en welzijn, alsmede voor een bloeiende politieke en civiele samenleving. Zeker toen veiligheid met de Franse Revolutie en de opkomst van de rechten van de mens ook constitutioneel werd ingekleed en veiligheid ook de bescherming van autonomie, persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit begon in te houden. Herkenning en registratie dienden dus zowel de overheid als de burger en plaatsten beide in een relatie tot elkaar die er in ieder geval op papier nog gelijkwaardig uitzag.

De negentiende eeuw was het tijdperk van de industriële revolutie en de bijbehorende schaalvergroting. In die context kregen herkenning en registratie een steeds belangrijker plaats. Bevolkingsgroei en industriële schaalvergroting drukten zich uit in een paradigma van sciëntisme dat de burelen van de macht sindsdien niet meer heeft verlaten en dat kan worden samengevat als ‘meten is weten’. De bevolking kwam technologisch steeds beter in beeld.

Willem I organiseerde de eerste volks­tellingen in 1829. Maar de techniek schreed voort en werd ook toegepast op het lichaam van de burger. Met de opkomst van de antropometrie werden alle uitsteeksels, botten en lengtes opgemeten en in een formulier met tientallen vakjes ingevuld. Dat duurde uren. Bovendien ging bij het herkennen van de maten dikwijls wat mis. De invoering van de dactyloscopie (vingerafdrukken) in de politiepraktijk rond 1900 maakte het al veel eenvoudiger om personen ontegenzeggelijk te herkennen en hun unieke kenmerken te registreren. Ook de fotografie werd vanaf het einde van de negentiende eeuw ingezet bij de registratie en herkenning vanuit veiligheidsoogpunt. Misdadigers, anarchisten en socialisten werden opgemeten, gefotografeerd en op die manier als databestand opgeslagen. Maar die nieuwe technologieën hadden nog meer een symbolische dan een praktische waarde. Politiecommissarissen speelden onderling kwartet met foto’s van voortvluchtige anarchisten, om aan te tonen dat – ook al was de anarchist in kwestie allang het land ontvlucht – hun dienst modern en bij de tijd was.

Registratie van burgers nam pas vanaf 1936 een hoge vlucht, toen de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters werd opgericht en toegevoegd aan het ministerie van Binnenlandse Zaken. Binnen vijf jaar waren alle bevolkingsregisters in Nederland op orde gebracht en in een centraal bestel samengebracht. Op gemeentelijk niveau waren er nu bevolkingsregisters die met de hand, vaak op ponskaartjes, werden bijgehouden. Deze goed geoliede persoonsadministratie was volgens Loe de Jong ‘een onmisbaar hulpmiddel voor het vervolgingsbeleid van de Duitse bezetter’. Tijdens de bezetting werden registratie en herkenning voor het eerst als een gevaar voor de veiligheid beschouwd. Daarom bombardeerden de geallieerden op 11 april 1944 op aanwijzing van het verzet het bevolkingsregister in Huize Kleykamp in Den Haag, waarbij 59 personen om het leven kwamen – slachtoffers die op de koop toe werden genomen voor de vernietiging van namen in handen van de bezetter.

Na de oorlog was het handhaven van de identificatieplicht en bijbehorend verplicht registratiesysteem onbespreekbaar. Persoons­informatie in handen van de centrale overheid werd niet als hulpmiddel, maar juist als bedreiging voor de veiligheid beschouwd. Toen de overheid in 1971 een volkstelling uitvoerde en aankondigde dat in 1981 opnieuw te doen, om nog meer persoonsgegevens op te vragen, brak er een storm van protest uit. 250.000 personen weigerden aan de telling mee te doen en velen vulden de lijsten expres foutief in – een overtreding die later werd ‘kwijt­gescholden’. De regering zag er in 1981 dan ook van af en zou nooit meer op zo’n grootschalig niveau een volkstelling uitvoeren. Sterker nog, vanaf 1982 verplichtte de Wet Persoonsregistratie de overheid juist tot het veel beter beschermen van persoonsgegevens. Ook de centraliserings­tendenzen werden geblokkeerd: in 1984 werd de Wet op de Centrale Persoons­registratie verworpen en in 1989 omgezet in een Wet op de Gemeentelijke Basisadministratie.

Na 1945 werd aan de bescherming van de burgerlijke vrijheden en persoons­gegevens dus duidelijk meer politieke aandacht besteed dan aan het uitrollen van een veiligheidsnet. Dat zien we ook terug in de gewijzigde grondwet van 1983. De zinsnede ‘allen die zich op het grondgebied van het rijk bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen’ was verdwenen. Veiligheid ging op in de bescherming van de vrijheid en de rechten van de burgers, en de externe veiligheid werd uitbesteed aan het Noord-Atlantisch bondgenootschap.

We kunnen over deze periode concluderen dat de burger wel steeds omvangrijker in beeld werd gebracht, met behulp van foto’s, persoonsbewijzen en een centrale registratie. Anderzijds was dit sociale contract als veiligheidsproject slechts een bescheiden onderneming wanneer we het vergelijken met de inspanningen van de overheid op het gebied van onderwijs of armenzorg. Praktijken van herkenning en registratie vanuit veiligheidsoogmerk werden gedurende de gehele negentiende eeuw en tot aan de jaren negentig van de twintigste eeuw alleen onder druk van externe veiligheidsdreigingen of door een vreemde bezetter doorgevoerd.

Pas met de digitale revolutie en de ontwikkeling van dna-technologieën in de jaren negentig kwam er een herwaardering. In 1994 werd de identificatieplicht ingevoerd én de Wet DNA-onderzoek aangenomen, die het mogelijk maken iemand te dwingen zijn ID te tonen of bloed af te staan. De aanslagen van 11 september 2001 en de daaropvolgende herijking en uitbreiding van het Nederlandse veiligheidsbeleid hadden een explosie van nog meer methoden en technieken van herkenning en registratie tot gevolg. En de burger? Die ging er deze keer in mee, uit desinteresse, of in goed vertrouwen, omdat hij juist gekend wilde worden, beschermd wilde worden tegen terrorisme en zich als individu binnen een ‘verweesde’ samenleving maar al te graag onderwierp aan die veiligheidszorg en bijbehorende kolonisatie van persoons- en lichaamskenmerken.

Daarmee zijn we aangekomen bij de paradox dat naarmate de technologieën van registratie en herkenning werden verfijnd, de persoon uit beeld raakte. Want wat heeft het registreren en herkennen vanuit het oogpunt van veiligheidsbeleid nog met het noemen van de namen of het reconstrueren van biografieën door historici of nabestaanden te maken? Heel weinig. Sterker, hoe meer informatie en coördinaten van en over personen beschikbaar komen, hoe meer metingen er aan het lichaam worden verricht, des te sterker wordt dat lichaam gedeconstrueerd en wordt de persoon uit beeld verdreven.

De Britse hoogleraar Jenny Edkins schreef in haar boek Missing uit 2011 over de spanning tussen het zoeken naar vermisten door hun nabestaanden en het identificatie- en opsporingsbeleid van de overheid. Zij concludeert: echte personen lopen alleen maar in de weg wanneer er sprake is van ongevallen, rampen, aanslagen of andere noodsituaties. Na de aanslagen in Londen moesten nabestaanden een week wachten tot de namen van de slachtoffers werden vrijgegeven. Omdat de daders zichzelf ook hadden opgeblazen, wilde de politie eerst al het materiaal voor opsporings­doeleinden veiligstellen. Het ging politie en justitie om het ‘wat’ van de stoffelijke resten: wat had een slachtoffer gedaan, en niet om ‘wie’ iemand bij leven was geweest. Informatieverstrekking aan nabestaanden met het oog op rouwverwerking of closure vond pas in een veel later stadium plaats.

Maar ook wanneer de personen niet overleden of vermist zijn, staan herkenning en registratie van overheidswege in het licht van het onderwerpen van een persoon aan een bepaalde ordening en staatsgezag. Dat is het tegenovergestelde van subjectivering, dat de persoon zelf zoekt, als handelend subject, te midden van zijn relaties, vanuit zijn eigen autonomie.

Die objectivering is na 9/11 nog een stap verder gegaan. Van een zoektocht naar de unieke persoon is de aandacht verschoven naar het vinden van een profiel: als voorspeller van categorische gedragingen of als waarschijnlijkheidsindicator van een bepaald spoor (dna, rna, vingerafdruk). Een profiel is een typering van een individu of een groep personen, gebaseerd op karakteristieken. In een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut wordt het doel omschreven van een ‘risico- of selectieprofiel’: ‘Het risico in te schatten dat een onbekend persoon tot de doelgroep behoort. Daarnaast kan een profiel dienen om kennis over de doelgroep te verkrijgen, doordat het profiel een beschrijving of typering van de groep geeft.’

Veiligheidsonderzoek, opsporing en vervolging gericht op een uniek individu hebben dus concurrentie gekregen van het managen van risico’s en risicogroepen in generieke zin. Het beste en tegelijkertijd meest extreme voorbeeld daarvan zijn de zogenoemde signature strikes. Dat zijn aanvallen met drones, op individuen die door de veiligheidsdiensten niet geïdentificeerd kunnen worden en die op basis van satellietbeelden en generieke besluitalgoritmes worden uitgevoerd. Iemand wordt aangevallen, omgebracht, weggevaagd op basis van algemene kenmerken of gedragingen (het dragen van een tulband, zich als groep in de buurt van een kruispunt ophouden), zonder dat zelfs maar zijn of haar naam voorafgaand aan de aanval bekend was, en daarna al helemaal niet meer. Het is inmiddels een publiek geheim dat president Barack Obama zich elke dinsdag over een ‘kill list’ buigt, die volgens Amerikaanse onderzoeksjournalisten ‘feitelijk alle mannen met een dienstplichtige leeftijd in een gevechtszone als krijgers beschouwt (…) tenzij expliciete informatie hen postuum onschuldig verklaart’. De persoon is volledig uit beeld geraakt. Het profiel is alles wat er van iemand of iets rest. Zijn naam is voor altijd verdwenen.

De valse romantiek van technologische vooruitgang op het gebied van herkennen en registreren, en zeker ook op het vlak van profiling en datamining, is bij uitstek iets wat in de erogene zones van de ministeries van Veiligheid en Justitie en Defensie en in de corridors van de politie- en veiligheidsdiensten rondwaart. Met ‘vals’ wil ik niet beweren dat er geen technologische vooruitgang is; die is er zeker wel, en die moeten we ook niet tegenhouden. Maar die valsheid zit in de aanname dat vooruitgang van de herkennings- en registratietechnieken zich één op één uitdrukt in een beter in beeld brengen van de persoon. En dat is dus niet zo. Het profiel begint de persoon te overwoekeren. En dan heb ik het niet alleen over acceptabele of onacceptabele foutmarges, maar vooral over het volgende: het geloof en de verwachting dat de perfectionering van het profiel de persoon vangt. Een profiel gaat namelijk alleen maar over wat er zou kunnen gebeuren, gebaseerd op kansberekeningen of aannames van een grote groep. Het gaat slechts om een waarschijnlijkheid, een kans. Tegelijkertijd neemt de ratio ‘inbreuken op de lichamelijke integriteit/­waarheidsvinding’ niet af, maar juist toe bij steeds omvangrijkere praktijken van herkenning, registratie en profilering. Die praktijken binden immers steeds meer individuen aan processen van _intelligence-_gerelateerde of strafrechtelijke waarheidsvinding, waardoor er ook steeds meer ruis en vervuilde informatie in de databanken terechtkomt, zonder dat daarbij concrete aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van die specifieke individuen aan concrete misdrijven. De kans op het vinden van de dader wordt statistisch dus kleiner in plaats van groter.

Is dit dan een pleidooi voor minder veiligheidsbeleid, voor minder herkenning en registratie? Dat is het geenszins. Het is een zegen om in een land te wonen waar democratie en rechtsstaat verzekerd en beveiligd zijn. Waar de burger een beroep kan doen op politie en justitie en recht en gerechtigheid en bescherming mag verwachten. De doorontwikkeling van bovengenoemde technologieën is bovendien niet tegen te houden.

Dit is naast alle kritische reflectie juist een pleidooi voor een nieuw sociaal veiligheidscontract dat berust op wederkerigheid. Want hoe zat het ook alweer? De burger stond binnen constitutionele kaders (gevraagd of ongevraagd) autonomie af, gaf de overheid (vrijwillig of verplicht) inzage in persoonsgegevens en liet zich registreren in ruil voor meer veiligheid en bescherming. Hij gaf zijn naam en gegevens prijs in de verwachting ook echt te worden gekend en beschermd als individu, met onvervreemdbare rechten en autonomie. Maar ik heb betoogd dat die veiligheid en bescherming niet per se altijd gediend is met meer technologieën van profilering en centralisatie, integendeel. Het is daarom tijd om die passage over veiligheid en bescherming af te stoffen en weer in de grondwet op te nemen, iets waar de Europese Commissie in januari 2012 nog een voorzet toe gaf. Zo kan veiligheid als tweesnijdend zwaard, als opdracht en plicht, naar de overheid en voor de burger, beter worden beschermd en constitutioneel worden ingeperkt.

Het probleem bij het huidige sociale-veiligheidscontract schuilt namelijk in de eenzijdigheid van die deconstructie van de persoon door de overheid. Natuurlijk waren de autoriteiten, voor zover we daarover in die termen kunnen praten, in de zeventiende eeuw echt niet zoveel menslievender. Op de scheepsrollen van de voc stonden de opvarenden niet vermeld om ze te beschermen, maar om ze bij desertie op te kunnen sporen. Maar tot in de twintigste eeuw had de burger zelf nog volop de mogelijkheid met zijn of haar identiteit te sjoemelen, zijn persoonlijke autonomie te beschermen. Mensen konden veelvuldig van identiteit veranderen, een nieuw leven beginnen, deserteren uit krijgsmacht of scheepsdienst. Vrouwen konden zich als man voordoen en aanmonsteren voor de grote vaart.

In de 21ste eeuw is dat ‘recht op een nieuw begin’, oftewel het ‘recht op vergetelheid’, daarentegen een illusie geworden. Profielen, strafbladen, dna-materiaal, maar ook eigenhandig nagelaten sporen op internet zullen ervoor zorgen dat een veelvoud van digitale en zelfs biometrische schaduwen ons door tijd en ruimte blijven achtervolgen. Ons lichaam is doorzichtig geworden, ons huis van glas. Tegelijkertijd brengen die profielen dikwijls niet de persoon, maar slechts een geabstraheerd en achterhaald kenmerk in kaart, waarmee die veelvoud aan digitale schaduwen toch nooit de echte persoon benadert. De persoon wordt vereeuwigd, gefixeerd en gereduceerd. Steeds meer mensen worden op deze manier gerubriceerd en geprofileerd als ‘marginaal’, als onderdeel van een randgroep, of ze nu diabetes hebben, in een prachtwijk wonen of lid zijn van een etnische of religieuze minderheid. Deze burgers zijn silenced voices geworden. Zij kunnen hiertegen niet of nauwelijks protest aantekenen omdat ze niet meer in beeld zijn als burger, maar alleen nog als risicocategorie.

Een contract is echter een tweezijdige overeenkomst. Veiligheidsbeleid dient dit contractuele aspect in het oog te houden. Veiligheidsbeleid gaat immers nooit alleen over oorlogen, terroristische dreigingen of onpersoonlijke drone-aanvallen, maar over personen wier individuele vrijheid en lichamelijke integriteit beschermd moeten worden, tegen invallen van andere personen, maar ook tegen inbreuken van de overheid of marktpartijen in de autonomie. Als de burger dat niet ziet, en de particuliere bedrijven dat contract bij voortduring uithollen, is het nog steeds de overheid die vanuit veiligheidsoverwegingen ook zorg moet dragen voor de bescherming van het particuliere eigendom van lijf, goederen en lichaam van de burger, ook in digitaal opzicht. Veiligheid is het middel tot een doel, nooit doel op zichzelf. Misschien toch goed om daar weer eens ‘breed maatschappelijk debat’ aan te wijden.

Wederkerigheid betreft ook de vraag of er een mogelijkheid bestaat voor silenced voices om terug te praten. Mogen burgers demonstreren bij de kroning van de aanstaande koning? Blijft er bij alle gerechtvaardigde, noodzakelijke en vereiste beveiliging van de vorst en van de bevolking op deze feestdag ruimte voor onderdanen die hier om welke redenen dan ook kritiek op hebben? Kunnen burgers ergens protest aantekenen of inzage vragen in de redenen en feiten van hun blacklisting als terrorisme­verdachte? Veiligheid als tweezijdig sociaal contract vereist een structurele mogelijkheid tot inspraak op veiligheidsbeleid en controle, van evaluatie achteraf tot hoger beroep.

Zo’n tweezijdigheid komt niet alleen de burger ten goede, maar ook de overheid. Meer oog voor de ‘ontvanger’ van veiligheidsmaatregelen en ervoor zorgen dat risicoprofilering niet de persoon mist, helpen de overheid bij het voorkomen van schadeclaims en gevaarlijke beschuldigingen. Neem het debat over de drone-aanvallen. Medewerkers van het Amerikaanse State Department klagen steen en been dat ze geen antwoord hebben op de beschuldigingen dat de luchtaanvallen grote aantallen onschuldige burgers hebben gedood. Door het informatievacuüm en de onbekendheid met de aantallen en namen van de slachtoffers kunnen ze die claims niet weerleggen. Ze kunnen de slachtoffer­aantallen, die door militanten mogelijkerwijs bewust worden opgeklopt en voor propagandadoeleinden worden misbruikt, niet rechttrekken. Want het drone-programma is geclassificeerd. Niemand kent meer de namen. En dat terwijl tweezijdigheid bestaat bij de gratie van het besef dat de persoon als subjectieve categorie nooit zal samenvallen met de persoon als onderwerp van veiligheidsbeleid.

We zullen moeten duidelijk maken dat de kwaliteit van die wolken data vaak te wensen overlaat. Meten is niet altijd weten. En zelfs al weten we meer, alles weten is niet alles voorkomen. Schaalvergroting en nationale databanken leiden tot meer datastromen, maar ook tot meer ruis. Kwaadwillende personen zullen praktijken van herkenning en registratie blijven ondermijnen. De wedloop op het gebied van registratie en profilering is een concreet beleids- en budgetprobleem. Kijk naar het werk van de politie ten aanzien van risicogroepen zoals radicaliserende jongeren. Met databases krijg je de Syrië-gangers niet in beeld, wel met wijkagenten die ‘hun’ buurtjongeren kennen en die het vertrouwen genieten van hun ouders. Hervormingen en reorganisaties, ook bij de politie of de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, gaan vaak gepaard met een ongefundeerd vertrouwen in schaalvergroting en databanken. Maar juist op het gebied van veiligheid zijn personen belangrijker dan profielen, zijn vertrouwen en intuïtie van de wijkagent minstens zoveel waard als centrale registers.

Veiligheid is geen profiel maar een naam. Veiligheid is respect voor het onkenbare van de persoon die door die naam wordt opgeroepen, voor het open en veranderlijke of veranderbare karakter van iemands identiteit. De namen zijn belangrijk, als substituut voor het gezicht van de ander. Namen geven stem aan de silenced voices die niet (meer) terug kunnen praten. Bij alle aandacht voor objectiverende databanken moet het gezicht van de ander, diens naam dus voortdurend in het oog worden gehouden, en worden beschermd. Want daar was dat oorspronkelijke oogmerk in de grondwet voor bedoeld.

Dit is een verkorte versie van de oratie op 22 maart van Beatrice de Graaf bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar op het gebied van conflict en veiligheid in historisch perspectief aan de Universiteit Leiden