Eerst een ander misverstand de wereld in geholpen: Zonder aarzelen verluchtte ik in de loop der jaren onze poot met cayennepeper en basilicum. Elke keer maar weer. Vanuit de overweging dat iemand anders dat had gezegd. Eerlijk en eerder. Tegelijkertijd hield ik ook voortdurend de kleinste vlam in de gaten. Geen klachten, dat niet. Tot ik, de zomer was al begonnen - tevens was er sprake van een spreekwoordelijk ‘gisteren’ - die geiteschouder in de pan gooide. ‘Alles anders!’ klonk het opeens vanuit de keukenmuur. Het merkwaardige was dat ik ernaar luisterde. Bakte de brokken tot ze een beetje roestig waren en zag toen toe hoe in plaats van gebruikelijke resten witte koelkastwijn drie maatjes verse sake uit het plafond neerdaalden. Over de schouder gegoten. Waarbij nog een forse scheut Japanse soja, een eetlepel mirin (zoete rijstwijn) en de gebruikelijke drie tenen knoflook. Voorts voelde ik wel dat ik er niet afkwam zonder een halve theelepel shichimi togarashi, een zevendelig mengsel van grote spijskracht. Deksel op de pan en vlam hoger, dan laag maar ook lager dan hoog. Er dient een pittige bruis te ontstaan. Dat is alles. Behalve dan, en er was geen andere reden voor dan dat ik het al in huis had, de helft van een bosje koriander - anders kon ik die tweede helft natuurlijk nooit overhouden voor die poten van de volgende dag.
Dat dit alles tot goed resultaat zou leiden was voorlopig nog een wens. Via een methode zonder naam. Met voorlopig effect. Maar de lamspoot blijft.