Metro’s

Een laffe daad kun je niet met een enkel gebaar uitwissen. Lafheid blijft aan je geweten kleven. Als een sjanker.

Twee metro’s. De eerste rijdt tussen station Châtelet en station Gare du Nord in april 1977. De tweede staat stil op station Wilhelminaplein drie weken geleden. In april ‘77 ben ik twintig jaar. In mijn jaszak zit een 'permission’ van 96 uur. Vier dagen militair verlof, langer kun je als dienstplichtige niet krijgen. De lucht in de metro is klam en de Parijzenaren zijn apathisch. Tegenover mij staat een jonge vrouw. Blond en aantrekkelijk. Op het moment dat de metrodeuren dichtgaan steekt een been naar binnen. Heel even omklemmen de deuren het anonieme lichaamsdeel, maar ze gaan onmiddellijk weer open. Een tweede been stapt binnen, gevolgd door een half dozijn adolescenten: loubards, blanke boefjes uit de Franse hoofdstad. Als door een zwerm wespen wordt het meisje tegenover me omsloten. Maar ze steken niet. Ze aaien met ruwe stuiptrekkingen, drukken zich tegen haar aan, persen zich tegen haar jonge borsten. Uit de kelen van de loubards rochelen schunnige zinnen en vette lachen. Het gelaat van het meisje wordt aan mijn zicht onttrokken. In de metrocoupé gaan alle Parijse ogen neer. Sommige reizigers wenden hun hoofd af; door de donkere ramen zien ze niets anders dan hun eigen weerspiegeling. Ik sta versteend naar de kluwen jongeren te staren. Iedere keer als ik een stap naar voren wil wagen, krijgt het commando van mijn hersenen geen antwoord van mijn spieren. Ik blijf kijken en zie hoe de handen van de loubards als grote witte spinnen de weg naar het handtasje van het meisje hebben gevonden. Ze graaien erin. Een leren portemonnee verdwijnt. Ik ben even apathisch als de doorsnee Parijzenaar. Bij het volgende station vliegen de wespen en hun buit uit de coupé. De jonge vrouw staat nog steeds op dezelfde plek. Stil. Ze is drie minuten lang stil geweest. Heeft niet om hulp geroepen, niet geschreeuwd of gejankt. Alle ogen zijn nu voorzichtig en nieuwsgierig op haar gericht. Haar handtasje gaapt open. Twee sporen van vocht striemen haar wangen. Ik ben misselijk en zal het gedurende de komende 96 uren blijven. Op station Wilhelminaplein sluiten de deuren van de coupé, en onmiddellijk schreeuwt het kleine zwarte jongetje. Zijn linkerhand zit klem en de deuren blijven dicht. Zijn vader gilt van woede mee. Hij is lang, sterk, blank en draagt een blonde paardestaart. Hij probeert tevergeefs de deuren open te krijgen. Hij vloekt en trekt aan de noodrem. Het is voor het eerst dat ik een blanke man met een zwaar Surinaams accent hoor vloeken en praten. De metro schokt en stopt, maar de deuren gaan niet open. Ik probeer de vader te helpen zijn zoontje te bevrijden. Eindelijk lukt dat. De man met de paardestaart ontfermt zich niet over zijn huilende kroost. Hij heeft iets beters te doen. Hij moet de conducteur nog doden, schreeuwt hij. Zijn blik is wild, zijn stem galmt vol haat door de ruimte. Hij gaat de kaak van de RET-conducteur eerst in duizend stukken breken, gilt hij, zodat die ambtenaar voor de rest van zijn carrière aan hem zal denken. Met zijn vingers zal hij vervolgens diens ogen uitsteken. Dood moet hij. De conducteur is uit zijn cabine gestapt en hoort de bedreigingen. Hij is lijkwit en zijn voorhoofd glimt van het zweet. Als door een magneet aangetrokken loopt hij naar de nog harder schreeuwende man. Daar zit immers de noodrem. Alle Rotterdamse blikken gaan neer. Al 22 jaar haat ik metro’s. Ik spring voor de blanke Surinamer en leg mijn rechterhand op zijn schouder. Ik voel zijn knobbelige en gespannen spieren. Met een zachte stem zeg ik absurde dingen tegen hem. Ik heb het over vrede, rust, kalmte. Ik ontneem hem het zicht op de conducteur, die terug naar zijn cabine loopt. Ik ga weer tegenover mijn dochtertje zitten en wacht op haar reactie. Ze zegt dat ik gek ben, dat die man me bijna iets wilde doen en dat ik de volgende keer me nergens mee mag bemoeien.