Roemenen tussen Oost- en West-Europa

Mevrouw de burgemeester

Sinds de opening van het IJzeren Gordijn bestuurt Maria Nagy het dorp Petresti. Dat valt niet mee. Haar dorp in Transsylvanië raakt uit balans: Zwaben en Hongaren vertrekken, het aandeel Roma en arme Roemenen stijgt, en de EU dwarsboomt de landbouw.

PETRESTI, VOORJAAR 2006 – Maria Nagy verruilt haar bodywarmer voor een mantel van klassieke snit, haalt de wagen uit de schuur en draait het tuinhek met het bordje ‘Câinele musca!/A kutya harap!/Bissiger Hund!’ open. Dat bordje is overbodig, want de hond bijt niet en de bewoners van Petresti stelen niet. Bovendien hebben ze geen waarschuwing in drievoud nodig, want ze zijn meertalig. Maar de toeristen vinden het leuk, denkt ze, zo’n teken van de smeltkroes Petresti/Mezopetri/Petrifeld aan het hek bij de burgemeester. Ze parkeert voor het bejaardenhuisje. Het ruikt naar verse verf, het voormalige weeshuis is onherkenbaar veranderd. Maria komt echter niet langs om haar prachtproject, waarvoor ze staatsgeld heeft ‘gewonnen’, zoals ze in het Duits zegt, te bewonderen. Er is nog waanzinnig veel te doen voordat de eerste ouderen komen. Met de nieuwe leidster van het tehuis hakt ze in sneltreintempo vele knopen door.
Daarna bericht Maria de leidster over een recent telefoontje uit de provinciehoofdstad Satu Mare: ‘Van een sociaal werkster, uit een tehuis voor meervoudig gehandicapte kinderen. Daar leeft een vrouw van 21, die natuurlijk al lang ergens anders heen had gemoeten. Maar waarheen?’ Maria slaakt een zucht. ‘Het grootste probleem, had de sociaal werkster gezegd, is de moeder van de jonge vrouw. Zij dreigt zich van kant te maken wanneer men haar dochter naar haar toe stuurt. Want ze is met een nieuwe man getrouwd, heeft twee nieuwe kinderen, en haar gehandicapte oudste dochter heeft ze voor haar nieuwe gezin verzwegen.’
De bejaardenleidster kijkt ontzet. ‘Ja, zo zit dat’, gaat Maria verder. ‘Nu heeft die moeder nog een leegstaand huis hier in Petresti en daarom belde de sociaal werkster mij op. Kan de dochter daar niet leven, vroeg ze, en zich door het nieuwe bejaardenhuis laten verzorgen?’ De leidster zet grote ogen op. ‘Ik heb geantwoord dat ze natuurlijk in haar eigen huis kan leven. Misschien kunnen we zelfs een verzorgster regelen. Maar die moet de moeder dan wel zelf betalen.’ De leidster knikt. ‘Tja, de moeder wil het kind gewoon hier in het dorp verstoppen’, besluit Maria, ‘niets betalen en zelf blijven waar ze is. Wat doe je dan?’
Maar liefst vijftien banen creëert Maria via het bejaardenhuis. Maar haar ambities zijn groter. Ze moet de leegloop van haar dorp zien te keren. Na de grote, bijna paniekerige exodus tussen 1990 en 1993 dacht ze dat voor Petresti het einde in zicht was. Zijzelf bleef en werd burgemeester om te redden wat er te redden viel. Ze kon haar oude vader Rimili toch niet alleen op het hof achterlaten? Haar moeder was kort voor de revolutie van 1989 gestorven. De uittocht is gestaag minder geworden. Maar hoe lokt ze de jonge generatie Zwaben en Hongaren, die in München of Boedapest werken, terug naar haar dorp?
Nog acht maanden zijn te gaan voordat Roemenië tot de Europese Unie toetreedt. Maar Maria heeft de afgelopen jaren al heel wat EU-projecten voor haar gemeente en regio ‘gewonnen’. Dankzij handig netwerken en mooie brieven schrijven heeft ze miljoenen binnengehaald, en daarmee werk. Maar vooralsnog is dat slecht betaald werk. En wat voor een zorgen deze projecten met zich meebrengen!
Vooral het vuilnisproject: 980.000 euro heeft het Phare-programma ter beschikking gesteld voor afvalscheiding en morgen moeten minstens twaalf gemeenten in de regio beslissen hoe ze dat gezamenlijk gaan aanpakken. Maria wil het afval het liefst al bij de mensen thuis scheiden en vervolgens, voorzover mogelijk, recyclen. Maar er is hier nog niet eens een vuilnisophaaldienst. Velen kiepen hun afval gewoon op de grote hoop direct achter het zigeunerbuurtje. Die leven daar nu eenmaal graag in, heet het, die leven ervan. Verder moet er een begin met de riolering en met het recreatiecentrum worden gemaakt… En vóór 2009 moet alles functioneren.
Het volgende moment is Maria op weg naar de primarie, het kleine gemeentehuis. Ze legt het stukje per auto af, dat scheelt tijd. Een hond loopt pal voor haar wagen de weg over. Dat ging net goed, bij de onafgebroken stroom vrachtwagens. Ze rijden zonder uitzondering te snel op deze dorpsweg naar de Hongaarse grens, de nieuwe ‘Europaweg’ E671. Twee kilometer lang is Petresti en het dorp wordt over de volle lengte door deze weg in tweeën gespleten. Een verkeersbord bij de school waarschuwt voor overstekende kinderen en een ander bord kondigt een zebrapad aan dat er niet ligt. Beter wat preventie dan helemaal niets, meent Maria.
De E671 staat het toerisme in de weg dat Petresti, met zijn vele leegstaande boerenhoven, zo goed kan gebruiken. Bijna elk boerenhof ligt aan deze weg, en het recreatiecentrum dat met ecopark en meertje aan de dorpsrand is gepland is hetzelfde lot beschoren. Voor dit vrijetijdscomplex heeft Maria onlangs geld bij de EU aangevraagd. Dat geld gaat er komen, maar ja… Ze staart een reusachtige oplegger na, volgeladen met tractors. Iemand zit boven op zo’n tractor alsof het een paardenkar met een berg hooi is.

LAAT in de middag rijdt Maria even naar Carei om te tanken. Ze geeft flink gas om het kaarsrechte stuk van tien kilometer over de E671 naar het stadje zo snel mogelijk meester te zijn. ‘Oei!’ Voetgangers die uit het niets opduiken op de weg, levensgevaarlijk! Links ziet ze in de verte de spiegelende, zilverwitte contouren van de PoliPol-vestiging waar dochter Annemarie als manager werkt. Maria heeft haar moeten beloven nooit in het openbaar van ‘PoliPol’ te spreken. Dat is de strategie van deze Duitse meubelgigant: veel Europeanen willen niet weten dat hun gestoffeerde stoelen uit Roemenië komen. Ze passeert het Dacia-kerkhof. Tussen de inheemse wrakken rust ook al de eerste generatie auto’s van westerse merken.
Op weg naar de benzinepomp komt ze langs drie monumentale witte bouwwerken. Elk staat voor een tijdperk. Het grauwwitte paleis behoorde graaf Sándor Károlyi toe, de naamgever van Carei/Nagykároly/GroßKarol en de man die Maria’s voorvaderen in hun Ulmse schuiten over de Donau hierheen heeft gehaald. Zijn paleis heeft betere tijden gekend, maar ook slechtere. Ertegenover staat de stralend witte, gloednieuwe Russisch-orthodoxe kerk. ‘Buitenproportioneel’, denkt Maria, want de etnische Roemenen vormen in deze streek geen meerderheid en bovendien zijn ze lang niet allemaal Russisch-orthodox. Maar de postcommunistische staat wil het zo. Het derde, wederom grauwwitte bouwsel is al net zo gigantisch: het sovjetoorlogsmonument. Wonderlijk dat het nog overeind staat.
Ze tankt en koopt gebak. Op de terugweg staat de zon al vlak boven de horizon. Paardenkarren keren van de velden terug. Op het moment dat twee van zulke karren elkaar passeren, beginnen de mannen op de bokken een gesprek. Maria ziet hoe op de beide karren, wanneer de voerlui elkaar niet meer kunnen horen, de mobieltjes uit de broekzakken worden gehaald om het gesprek voort te zetten.
Een paar koeien lopen door Petresti, mensen met stokken erachteraan. De beesten vinden ook alleen wel de weg naar hun boerenhof, maar ze zouden het bij alle verkeer nauwelijks levend bereiken. Maria ademt de frisse lentelucht in. Gelukkig slaapt ze niet aan de straatkant, maar achter in het Kämmerle. Alsof haar grootvader en al die andere Zwaben met hun langgerekte, van de straat afgekeerde huizen de snelweg hadden voorzien. In deze boerderijen kon men zich altijd al goed tegen gevaar en kou beschermen, met de kostbare koeien en paarden aangenaam warm onder één dak. Zo leefde men eeuwenlang, totdat men hun de dieren afnam.
Vader heeft het geweten. Hij was al getrouwd toen hij direct na de oorlog werd gedeporteerd. En toen hij in 1950 na vijf jaar dwangarbeid thuiskwam, waarschuwde hij de familie: alle mensen hier zouden hun bezit verliezen, alles zou in een kolchoz worden ondergebracht, dat had hij in Rusland gezien. En precies zo is het gebeurd. Ook de paarden werden afgenomen.
Zijzelf was in 1950 nog niet geboren. Maar als kind ving ze de onwerkelijke verhalen op die werden verteld in de keuken, waar haar neef Johann Müller van de overkant en zij tussen de volwassenen speelden. Velen waren daarginds in Rusland gestorven, had haar vader verteld. Ze waren zo vreselijk dun en ze hebben zelfs bij dertig graden vorst geen aardappels gekregen. Hij had gezegd dat hij het niet zou hebben overleefd indien de Russen uit het dorp waar hun barakken stonden niet hadden geholpen. Die hadden zelf niks. Maar iets hebben ze altijd gegeven. Veel van deze Russische families waren door Stalin kapotgemaakt, uitgehongerd, vermoord, naar Siberië gedeporteerd, ook hun werden de paarden afgepakt… Hetzelfde lot, hier en daar.
Vader heeft haar, zo klein als ze was, geleerd dat je een stuk brood dat van de tafel valt opraapt en opeet. En als er iemand komt die in de problemen zit of niets te eten heeft, moet je helpen. Ze denkt dat ze naar hem, Franz, aardt. Zij moet, net als hij, altijd met de mensen praten. Je moet elkaar kunnen zeggen wat je dwarszit, ongeacht waar je vandaan komt. Wanneer iemand haar twee maanden lang negeert omdat hij zich vanwege de grondteruggaveregeling benadeeld voelt, drijft haar dat tot waanzin. Hij moet langskomen en zijn hart luchten of desnoods ruziemaken, maar wegblijven mag hij niet.

NAZOMER 2007 – Johann Müller slaakt een zucht van verlichting. Eindelijk stopt het met regenen. Morgen moeten absoluut de aardappels worden gerooid. Daartoe gaat hij straks maar even langs bij zijn ‘zigeuner-medewerkers’, zoals hij het tweetal noemt. Hij verlaat de veranda om zijn kleine ‘plantage’ achter het huis te inspecteren.
Onder de grootste boom staat een houten ton die met plastic is afgedekt. Johann schuift de folie weg en een zwerm insecten vliegt op. Die hadden een goed plekje uitgekozen: in de ton gist fruit. Hmm! Hij ademt de geur diep in. Puur natuur! Dat wordt weer een zware Zwabische brandewijn. Alleen mag hij deze palinka, zoals ze hier heet, wegens die idiote EU-normen niet officieel verkopen. Dat je normen hebt, is op zich een goede zaak, meent hij. Maar wie stelt deze normen op? Zijn fruit is immers geheel vrij van chemische bestrijdingsmiddelen en het gisten gebeurt ook vanzelf, zuiverder gaat het niet. De Europese Unie – net zo veel beperkingen als onder het communisme.
Johann staat tussen zijn wijnstokken in de blubber. Als je naar het zigeunerbuurtje gaat, zeggen de mensen, kun je maar beter kaplaarzen aantrekken. Want dat is een grote modderpoel, met de auto kom je er niet ver. Hoezo, denkt Johann. Kijk naar mijn tuin, zo’n moeras moet de hele poesta zijn geweest toen onze voorvaderen hierheen kwamen. En kijk naar Petresti, ooit ons fier-Zwabische Petrifeld, waar de regenpijpen watervallen uitgieten over de betonnen voetgangersweg, op de grasstrook ervoor en zelfs op de weg, maar nauwelijks in de greppel voor de huizen. En dan durft men de zigeuners te verwijten dat je bij hen natte voeten krijgt?
Johann weigert zijn schoenen voor kaplaarzen te verruilen. Niet uit koppigheid, maar hij is sowieso een halve dag te laat. Want hij was vandaag op deze schoenen al in Satu Mare. De buurt rond de markt daar was eveneens een grote modderpoel. En dat in de grootste stad van Noordwest-Roemenië! De jongelui hebben hun moderne, inferieure sportschoenen vervloekt. Toen hij de bebouwde kom binnenreed, zag Johann een nieuw verkeersbord: verboden voor paard-en-wagens. Terwijl de paarden veel beter dan bussen en tractors en mensen op sportschoenen met de blubberige bodem uit de voeten kunnen. Dat is dus de vooruitgang die de EU brengt: de paarden moeten weg – net als in het communisme.
Dat met de paarden was het ergst. Moeder en vader hadden hun dwangarbeid in respectievelijk het Donetsbekken en het strafkamp voor Duitse soldaten bij Brasov/Kronstadt in 1950 ternauwernood overleefd of daar kwam de collectivisatie. De goede paarden kwamen in de kolchoz, en de oude, de zieke, de heel jonge paarden… Al was hij een peuter toen het gebeurde, de gedachte doet hem pijn. Deze paarden werden doodgeschoten en aan de varkens gevoerd. Zo was dat, zo wilden de communisten de tractor propageren, vermoedt hij terugblikkend. Maar tot op heden wordt de landbouw hier met goede, krachtige paarden bedreven.
Vanochtend, toen hij met wat inkopen op de markt in Satu Mare stond, is hij nog dat zijstraatje in gelopen, de smalle Hám-Jánosstraat. Met de auto kom je daar niet en hij sopte toch al in zijn schoenen. Daar heeft hij haar met eigen ogen kunnen aanschouwen: de ingestorte synagoge. Het had kortgeleden in de krant gestaan. Eerst regende het zo lang, toen kwam de wind er nog bij, en toen is ze vanzelf ingestort, deze verlaten synagoge. Er is nu niet eens een ruïne over. Hij heeft mannen gezien die steen voor steen doorgaven en wegruimden.
Pal tegenover Johann Müllers boerderij stopt de wagen van de burgemeester bij haar hof. Maria Nagy stapt uit, kan na een paar minuten de E671 oversteken en komt op hem toe: ‘Is het met je paprika’s nog wat geworden? En de courgettes?’ ‘Het gaat best’, zegt Johann. ‘Morgen gaan de aardappels eruit. Nee, de druiven lees ik zelf, dat laat ik aan niemand anders over. En jij moet kilo’s walnoten pellen, hè!’ Hij kijkt zijn nicht schalks aan. Daarnet hoorde hij, tussen het verkeer door, dat vertrouwde jaarlijkse geluid van de overkant: tjak, tjak. Dat was Maria’s man Ferencz die walnoten stuksloeg. Met de hamer, op elke noot een slag.
‘Ik heb liever notenbomen dan aardappels’, antwoordt Maria. ‘Als ik met pensioen ben, ga ik walnootbomen kweken. Je zet een keer een stoel neer en plukt ze, Ferencz slaat ze op hun kop, ik pel ze en dan verkoop ik ze aan de deur. Daarmee krijgen we ons pensioen flink omhoog. Pfff, jij met je aardappels – zo veel werk en wat zijn ze nog waard?’
Ze herinneren zich beiden nog goed dat vóór de revolutie groenten en aardappels van de kolchoz werden geëxporteerd. ‘Nu komen de aardappels uit het Westen hier in de supermarkt, niet?’ verzucht Maria. ‘En goedkoper dan de onze. Hoe dat functioneert?’ Johann heeft in de krant gelezen, zegt hij, dat je je eigen varkens alleen nog thuis mag slachten wanneer je er niet meer dan twee bezit. ‘Regelingen, wetten, voorschriften, orders: de Europese Unie verbiedt steeds meer.’
Waarom klaagt hij nu zo, bezint Johann zich, terwijl Maria de berichten op haar mobieltje bekijkt. Destijds onder het communisme kon je je eigen varken amper voeden. Je at aubergine als vleesvervanger. ‘Men klaagt over de Europese Unie’, vervolgt hij zelfkritisch, ‘en wil niet meer weten hoeveel honger men twintig jaar geleden had: nauwelijks olie, nauwelijks meel, alle boter naar Rusland. Iedereen heeft in die tijd gestolen. Iedereen, niet alleen de zigeuners.’
Er wordt veel op de zigeuners gescholden, bedenkt Johann. Eigenlijk alleen maar gescholden. Iedereen doet daaraan mee, ook hijzelf soms, geeft hij toe. Maar zijn zigeuner-medewerkers zijn tenminste blij met wat ze vandaag hebben en klagen niet voortdurend. De zigeuners leven als in de Bijbel: geef ons heden ons dagelijks brood en morgen zien we wel weer. Daarvan kunnen wij leren.
‘Iedereen klaagt’, herhaalt Maria zijn woorden, ‘en vergeet daarbij hoeveel financiële steun we van de EU krijgen.’ ‘Met Oud en Nieuw stond men hier niet erg hard te juichen’, houdt Johann haar voor. ‘Zeker als je het vergeleek met het gigantische EU-toetredingsfeest in Boekarest dat de televisie die avond uitzond. En met de revolutie in 1989…’ ‘We hebben in het Cultuurhuis anders wel de Europese hymne gespeeld’, pareert Maria. ‘Maar er heerst inderdaad angst.’

DE VOLGENDE ochtend zit Johann Müller achter een verweerd tafeltje op de veranda, neemt geroutineerd een kip tussen de knieën en daar is ze al een kopje kleiner. De Zwaben gaat het nu relatief goed, mijmert Johann terwijl hij de kip plukt. Maar de jaren in het communisme hebben hun sporen achtergelaten. Ze dragen het verleden met zich mee. Hij voelt dat hij zijn blik op dat verleden moet bijstellen. Met de vele nieuwe contacten in Duitsland en Europa komen andere inzichten en ook vragen op hem af: ‘Jullie families zijn tenminste niet verdreven.’ Of: ‘Als jullie Donau-Zwaben in Servië hadden geleefd, waren jullie in 1945 afgeslacht.’ En ook: ‘Velen van jullie vaders en grootvaders hebben toch achter Hitler aan gelopen? Wat hebben zij precies uitgespookt?’
Tjak, de volgende kip heeft haar laatste adem uitgeblazen. Hij let even niet op; een ei rolt zo uit haar op de grond. Hij steekt zijn arm in de kip en ziedaar, nog drie eieren, de twee laatste zonder schaal. Hij vangt ze op, voor de soep of voor de katten. Een nieuw perspectief ontwikkelen, dat valt hem niet mee, vooral nu zijn vrouw er niet meer is. Hebben de Duitse Roemenen dan geluk gehad? Zijn ze fout geweest? Dat alles heeft hij hier nooit horen vertellen.
De ergste nazi’s uit de streek zijn aan het einde van de oorlog naar Duitsland gegaan, daarvan is Johann overtuigd. Die hebben de komst van de communisten niet afgewacht. Nu ja, daarvan wás hij overtuigd, maar zijn nieuwe contacten hebben hem aan het twijfelen gebracht. Hier op het dorp werd er niet over gesproken. Hij weet alleen welke buurman een fanatieke communist was. Een van hen heeft zich land toegeëigend dat de Müllers toebehoorde. Maar over de oorlog heeft zijn vader hem bijna niets verteld. Wel dat in Satu Mare de treinen met de joden klaarstonden voor transport, dat het heel heet was en de mensen niets te drinken hadden. Wie waren de schuldigen?
Hij steekt zijn arm in de volgende kip en trekt er de ingewanden uit. Zijn ouders hebben hem altijd gezegd: de communisten die met ons wilden afrekenen, waren beslist geen etnische Roemenen, en zelfs geen Russen, dat waren Roemeense Hongaren en joden. Johann had nooit een reden gehad om aan hun woorden te twijfelen. Nu moet hij daarover opnieuw nadenken. Maar hij beleeft het toch zelf, de tolerantie van de Roemenen. Ze zijn weliswaar chaotisch, maar respectvol, ook tegenover minderheden, zolang ze zichzelf maar gerespecteerd weten. Ferencz, de man van nicht Maria, heeft bijvoorbeeld een Roemeense moeder. Hij vertelde over de ‘zachtmoedige, warme’ vrouw die ze was. De Zwabenmoeders kunnen daarentegen nogal ijzig zijn, weet Johann.

VOORJAAR 2008 – Morgen, op 1 juni, vinden de burgemeestersverkiezingen plaats. Maria heeft zich niet meer verkiesbaar gesteld. Achttien jaar is genoeg. In de primarie wordt ze opgewacht door twee vrouwen van haar eigen leeftijd. De ene heeft opvallende kunstnagels en de andere een opvallend ontbrekende tand, en beiden zijn in opvallend nauwe kleding met wilde-dierenpatronen gehuld. Maria neemt ze mee naar haar kamer, schuift een berg folders met reclamemateriaal voor straatmeubilair aan de kant en legt enige grote enveloppen in verschillende kleuren op tafel. Daarin zitten de bevolkings- en kandidatenlijsten. Dan wijdt ze de beide hulpkrachten in het procédé van morgen in en voorziet de papieren van alle mogelijke stempels.
Ze voelt nu hoe moe ze is. Pas in de nacht is ze uit Satu Mare teruggekeerd, waar ze veel moest vergaderen en stempelen. Het gaat om de grote infrastructurele projecten, die ze in haar laatste dagen in het ambt nog de nodige zetjes wil geven: de afvalscheiding, riolering, en natuurlijk ook het recreatiepark. Ze heeft er alle vertrouwen in dat het geld ervoor zal blijven toestromen. De jaren tot 2013 gelden als Roemenië’s laatste grote inhaalslag met Europese subsidies.
Maria kijkt verder. Ze is er trots op dat haar bejaardenhuisje geheel zonder zulke buitenlandse subsidies draait. Alle plaatsen zijn inmiddels bezet, gratis plaatsen en betaalde plaatsen. Er wordt met voor Roemenië revolutionaire concepten gewerkt. Het onbekende beroep van bejaardenverzorgster wordt hier in Petresti ontwikkeld, en ook een ‘aanleunsysteem’ met de ambulante verzorging van ouderen wier kinderen in Duitsland of elders werken functioneert al. Er zal steeds meer goed betaald werk komen, dat vertelt ze rond. In sommige branches zijn de nettolonen het afgelopen jaar met een kwart gestegen. Ooit zal Europa in evenwicht zijn. Nu al pendelen Hongaren uit hun eigen land naar de Roemeense grensregio omdat ze thuis geen werk vinden.

MARIA rijdt op de E671 langs de laatste huizen van haar dorp, kijkt naar links en lacht: op het veld is onlangs een heuse sporthal verrezen. Het gebouw zal ooit het middelpunt vormen van een recreatieterrein met een park en een meertje. Maar enig onbehagen blijft. Het verkeer raast langs. De ouders zullen hun kinderen op de geplande minigolfplaats niet eens kunnen verstaan – en het moet nota bene een ‘ecopark’ worden.


Dit is een bewerking van een hoofdstuk uit IJzeren deuren: Zes families tussen Oost- en West-Europa van Annemieke Hendriks (uitgeverij Contact). Op 29 september wordt het boek gepresenteerd in het Duitsland Instituut te Amsterdam (DIA)