Tijdschrift Boek-delen

Mevrouw Splits lijfblad

Boek-delen: Tijdschrift voor lezers en leeskringen

Uitg. Biblion, los nummer ƒ15,-

Spuugziek altijd te worden opgevoerd als allochtone auteur, met nadruk op het bijvoeglijk naamwoord, schreef Hafid Bouazza het boekenweekessay Een beer in bontjas, waarin hij duidelijk maakt dat «het land van herkomst», thema van de boekenweek, voor een schrijver is te vinden in de kunst waardoor hij is gevormd, en niet in de Bosatlas, hoe teleurstellend dit voor menige Hollandse lezer ook moge zijn. Bouazza: «Voor de schrijver is taal zijn identiteit, stijl zijn paspoort.»

Om zijn ergernis over de zucht naar het exotische aanschouwelijk te maken, voert Bouazza een denkbeeldige fan op, ene mevrouw Split, zinnebeeld van de Hollandse lezeres, die opgewonden verklaart: «Het moet heerlijk zijn om tussen twee culturen te leven! Kijk, ik heb mij helemaal in stijl gekleed voor de eregast.» Eregast Bouazza antwoordt de met Jemenitische kraaltjes en Egyptische sjaaltjes uitgedoste dame: «Mevrouw toch! Wilt u niet zo op mij leunen? U morst drank, speeksel en woorden.»

Door deze reactie wenden dames als Split zich liever tot de nadrukkelijk allochtone schrijver Kader Abdolah. Dat is nu eens een kunstenaar die zich als een heuse orang-oetan op de allochtone borst slaat — altijd weer opnieuw, bijvoorbeeld onlangs tegen Monica Soeting, toen deze hem interviewde voor Boek-delen, het kersverse «tijdschrift voor lezers en leeskringen», dat een «toegankelijk blad over literatuur» wil zijn dat zich richt op de tienduizenden leden van een leesclub.

In het allereerste nummer van Boek-delen bedient Abdolah mevrouw Split, ook steevast lid van een leeskring, op haar wenken door met grote nadruk te verklaren dat Nederlanders geen grootse literatuur kúnnen scheppen, want «in een sloot kan nu eenmaal geen walvis zwemmen». Alleen ellende en onrecht leiden tot grootse literatuur, want literatuur, beste leeskringlezers, wordt gemaakt door de politiek. En daarom, zo zegt de schrijver met de imposant uitheemse snor en de immer woestwoedende blik, produceert de Nederlandse schrijver in deze weldoorvoede en keurig georganiseerde samenleving alleen slappe boeken over zichzelf. Verbeelding is vergroeid met de maatschappelijke context. Kader Abdolah: «Je kunt niet over oorlog schrijven, als er geen oorlog is.» Lees: wil je over oorlog weten, pak een boek van een allochtone schrijver ter hand.

De oplage van drieduizend geeft een idee van de vermeende grootte van de wereld van de mevrouwen Split, waarop de redactie zich ook in de rest van dit nummer exclusief richt. Zo vind je informatie over werk en leven van Vonne van der Meer, die zich voor de gelegenheid gewillig heeft laten fotograferen in een shampooweide; kun je met Couperus wandelen door Den Haag en lees je een verslag van de uitreiking van de AD Leesclub Prijs, met daarin een glansrol voor de gepensioneerde lerares Nederlands mevrouw Van Schaik, leeskringbegeleidster van de prijswinnende kring Hoogerheide-Woens drecht van de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen. Verder nog een interview annex portret van een bejaard leeskringlid: «Wat ik ook als heel bijzonder in onze groep heb ervaren, was het onderlinge contact.»

Terwijl je de gratuite teksten doorworstelt, raak je benieuwd hoe nog verder te variëren op hetzelfde thema in volgende nummers. Zijn er nog verwoede lezers met een ander verhaal? En Abdolah, Vonne van der Meer en de leesclubprijs zijn al verbruikt! Resten alleen Bernlefs Hersen schimmen en Renate Dorresteins belevenissen, maar dan heb je het wel gehad, lijkt me. Waarschijnlijk leeft dit doodgeboren kind alleen in de hoofden van marktonderzoeksbureaus en -adviseurs, want ja, die drieduizend leeskringleden zijn er inderdaad wel — de wereld van mevrouw Split is groot — maar laten we optimistisch blijven en ervan uitgaan dat zij zich liever richten tot literatuur dan zich abonneren op verhalen over hun eigen levens.