KUNST

‘Mexicanidad’

Frida Kahlo

Bij het eeuwfeest van haar geboorte, in 2007, werd Frida Kahlo in Mexico geëerd met een zeer groot retrospectief - 354 werken, bijna een derde van haar oeuvre - dat in twee maanden door bijna een half miljoen Mexicanen werd bezocht. De toeloop verbaasde de organisatoren. Kahlo is echter, behalve kunstenaar, ook de belichaming van de ‘Mexicanidad’, vergelijkbaar met containerbegrippen als de 'Russische Ziel’ of het Braziliaanse 'Saudade’, iets waarvan alleen de Mexicanen zelf weten wat het is. Het heeft te maken met Kahlo’s trouw aan het 'echte’ Mexico, aan land en volk en het pre-Columbiaanse erfgoed; verder stond zij als activiste resoluut aan de kant van de 'gewone’ Mexicaan, die na de revolutie van 1910 in een turbulent experiment terechtgekomen was.
Het zijn niet de enige kopjes waaronder Kahlo wordt geschaard. Zij was ook nog gehandicapt, van Hongaars-Duits-joods-Mexicaans-indiaanse herkomst, ze was biseksueel. Amerikaanse en Europese auteurs zien haar graag als een feministische kunstenaar die haar vrouwelijke fysiek, met alle pijnlijke en bloederige kwaliteiten van dien, in haar kunst ter discussie stelde. Haar gemangelde lichaam, getekend door polio, ongeluk, miskramen en ziekte, is in haar schilderijen haar handelsmerk. Dat was nieuw; het is nog altijd confronterend.
In Brussel is een kleine (26 werken) maar fijne tentoonstelling ingericht van het bezit van het Museo Dolores Olmedo in Xochimilco, de verzameling van Dolores Olmedo Patino (1908-2002), die Kahlo gekend heeft (en nogal een hekel aan haar had, overigens). Het zijn meest kleine werken, aangevuld met enkele mooie tekeningen, en het geheel geeft een vrijwel volledig beeld van Kahlo’s werk.
Het aardige is dat die tentoonstelling wordt gevat in een compleet Mexicaans festival in het Bozar, waarin ook een curieuze tentoonstelling over 'het beeld van de Mexicaan’ (Imágenes del Mexicano) door de eeuwen heen. Curieus, omdat de nadruk ligt op de laatste 450 jaar, van de Conquista (1521) tot 1950, en de 2500 jaar cultuur daarvóór (Olm-, Tol-, Mix- en Azteken) in één zaal worden afgedaan. Dat levert als etnografisch discours over de koloniale tijd wel wat op, als kunsthistorisch verhaal veel minder, omdat Mexico nu eenmaal een buitengewest was, waar de (westerse) schilderkunst nauwelijks het niveau van de goede amateur oversteeg. Pas in de negentiende eeuw is er iets van een 'eigen’ visie te ontwaren. Heel merkwaardig zijn bijvoorbeeld de portretten van dode kinderen, soms met wijdopen ogen, die passen in de intense, vrijmoedige relatie die Mexicanen onderhouden met de dood. Ook opvallend is het werk van de schilder José Maria Estrada (1810-1862). Dat zouden wij hier ophangen in het Museum voor Naïeve Kunst: stijve portretten, tweedimensionaal, de ogen schematisch in het gezichtsoppervlak geplakt, figuren onhandig geplaatst in onbeholpen perspectief, geen echt idee van anatomie. Bovendien hield Estrada ervan tekst in het beeldvlak te schilderen, waardoor de schilderijen iets van een uithangbord of een memorietafel krijgen.
Estrada is een schilder aan wie je in elke andere tentoonstelling glimlachend voorbij zou zijn gelopen, maar hier wordt je opeens duidelijk hoe ongelooflijk sterk Kahlo’s werk wortelt in dit stijve negentiende-eeuwse genre. Ook zij hanteert een bijna kinderlijke mise-en-scène, ook bij haar zijn de figuren schematisch en popperig, ook zij schrijft teksten, en ook bij haar domineert de borende blik uit starre ogen. Waarmee je dus, naast al de hoogdravende moderne kwalificaties van de getourmenteerde feministe, iets wezenlijks meekrijgt over het 'Mexicaanse’ van haar kunst.

Frida Kahlo y su mundo, t/m 18 april; Imágenes del Mexicano, t/m 25 april. Bozar, Brussel. Voor Kahlo is reserveren dringend aanbevolen: www.bozar.be