Mia van meurs, journaliste

Journaliste en verzetsvrouw Mia van Meurs werd op 28 november 1910 geboren in Rotterdam. Zij trouwde in 1934 en kreeg na de oorlog twee kinderen. Nadat ze gestopt was met haar werk voor Het Parool, werkte ze als publiciste voor vrijwilligersorganisaties en gaf ze bijlessen in de wiskunde. Zij woont in Hilversum. ..LE ‘In ons blad De Blaasbalg noemden wij hem “Goseling, boseling”: minister Goseling van Justitie, die na de Reichskristallnacht in Duitsland tegen de joden de Nederlandse grens gewetenloos voor hen had gesloten. We zijn De Blaasbalg in 1939 begonnen om de mensen te waarschuwen voor de mensonterende toestanden in Duitsland, maar ook om te ageren tegen het inhumane, mensvernederende toelatingsbeleid van Nederland.’

In 1939 had Mia van Meurs al een hele geschiedenis van waarschuwen en schrijven achter zich. Zij was 23 jaar toen zij in juni 1934 trouwde met Bob van Meurs, ingenieur bij Philips in Eindhoven, al na enige maanden uitgezonden naar Philips in Warschau. Mia leerde in Polen de Poolse taal. Zij maakte vertalingen van verhalen en toneelstukken, stuurde allerlei stukjes naar kranten en weekbladen in Nederland en werd in 1937 correspondente voor de NRC. Zij schreef over van alles en nog wat, vooral over het culturele leven in Polen, dat levendig was en op een kwalitatief hoog peil stond. Maar het politieke klimaat in Polen was beroerd.
‘Men leefde onder een militaire dictatuur. Cultureel was het een heerlijk land, politiek een verschrikking. Je kon met niemand vrij praten. Ook niet met je beste vrienden. Iedereen was bang. Dat was eigenlijk geen leven. Geen vrije meningsuiting, de straten vol met uniformen en grote petten.
Ik schreef ook wel over politiek. De situatie was zo dat alle buitenlandse correspondenten hun relaas eerst moesten laten lezen aan een soort ministerie van Voorlichting. Ik deed dat niet. Om die reden waren ze in die tijd erg op me gebeten.
In april 1938 waren er omvangrijke pogroms tegen de Poolse joden. Pogroms waren er altijd al op het platteland, maar toen kwam het ook in Warschau tot een afschuwelijke rel. Daar heb ik voor de NRC een lang stuk over geschreven, dat als kop kreeg: 'Anarchie te Warschau!’ Nadat dat was verschenen moest ik binnen vier dagen het land verlaten.
Ik ben naar Nederland gegaan en heb getracht de regering te bewegen moeite te doen dat ik naar Polen terug kon keren. Maar de regering, met name Patijn, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, deed niets. In het Utrechts Nieuwsblad, de NRC en in andere kranten werd daar wel tegen geprotesteerd. Voor Philips was het natuurlijk ook moeilijk dat de vrouw van een van hun employees Polen was uitgezet.
Ten slotte mocht ik terugkomen, op voorwaarde dat ik niet meer zou schrijven. “Nou”, zei mijn man toen hem dat werd meegedeeld, “dan weet ik wel wat ze daarop zal antwoorden: nee!” Ik ben dus niet meer teruggegaan, althans niet naar Warschau. Wel naar Danzig. Dat was toen nog een “vrije stad” onder toezicht van de Volkenbond. De Polen beschouwden Danzig als een Poolse stad, de Duitsers als een Duitse. Omdat het een twistappel was heeft men er een internationaal protectoraat van gemaakt. Daar ben ik gaan wonen. In het weekend kon mijn man met de nachttrein uit Warschau overkomen.
Danzig was toen eigenlijk al een vreselijke nazi-stad. Als journalist moest je voor een inlichtingendienst verschijnen waar je geacht werd de Hitlergroet te beantwoorden. Daar had ik natuurlijk geen zin in.
In Danzig was slechts ÇÇn niet-nazi-hotel, een Pools hotel dat werd gerund door joden. Daar heb ik toen mijn tenten opgeslagen. Het was het enige hotel waar dat handje niet omhoog moest. Dus kreeg ik meteen weer te horen: “Weet u wel waar u woont? Dat is een joods hotel!”
Vanuit Danzig heb ik nog het een en ander geschreven. Zo heb ik een reis naar de Baltische staten gemaakt. Vooral in Litouwen was veel antisemitisme.
In november 1938 ging ik per auto met vrienden terug naar Holland. Dat was in de Reichskristallnacht. We reden door Duitsland. Daar zagen we die ongekende vernielingen aan joodse eigendommen. In Polen was ik heel wat gewend, maar dit was verschrikkelijk. Ik kwam in Nederland en ben niet meer teruggegaan. Mijn man werd overgeplaatst naar Philips in Eindhoven.’
'Nederland was in eerste instantie een verademing. Toch waren we ervan overtuigd dat het nazigevaar ook ons bedreigde. Met een stel mensen hebben we in 1939 De Blaasbalg opgezet, een tegen de NSB gerichte krant in vijf afleveringen, met het oog op de komende Provinciale-Statenverkiezingen. De initiatiefnemer was Ger van Heuven Goedhart, de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad, die zich zo voor mij had ingespannen toen ik Polen was uitgezet.
Voor De Blaasbalg werd een stichting opgericht met de veelzeggende naam “Weest op uw hoede”. De mensen bewust maken van de dreiging, daar was het ons om te doen. We hebben door het hele land gereisd en mensen gevraagd voor ons blad te werken - onder anderen professor Geyl, dominee Buskes, Boost, Jordaan. Op mijn verzoek schreef Annie M.G. Schmidt, die bij mijn ouders gewoond had, een paar gedichtjes.
In Eindhoven had je al voor de oorlog een zwarte stroming: Zwart Front van Arnold Meyer. Meyer was een fascist die met zijn antisemitisme nog veel verder ging dan die hele NSB van Mussert. Toch waren er bij ons in Eindhoven heel wat mensen die zich tot zijn gedachtengoed aangetrokken voelden, ook bij Philips. Mijn man en ik werkten avonden lang aan het fabriceren van stroken waarop stond: “Is antisemitisch!” Als het donker was plakten we die over de wervende affiches van het Zwart Front heen.
Het was natuurlijk tekenend voor een zaak als Philips, die zijn handelspartners te vriend moest houden, dat ze toch meebogen. Ik heb Frits Philips eens in 1937 in Berlijn een bioscoop zien binnengaan. De portier bracht hem de Hitlergroet en Philips antwoordde tot mijn stomme verbazing met helzelfde gebaar. Hij was een aardige man, beslist niet fout, hij deed dat louter uit zakelijk belang. Voor mij is zoiets ondenkbaar. Ik draag dan ook niet de verantwoordelijkheid voor een groot concern.
We waren lid van de tennisclub, waarin Philips-topmensen een bestuursfunctie hadden. In het begin van de oorlog moesten de joden op last van de Duitsers uit de club worden gezet. Het waren er maar een paar. Mijn man en ik zeiden: “Je hoeft helemaal geen groot misbaar te maken en Philips in diskrediet te brengen, maar je moet die club nu wel sluiten!” Daar wilde niemand aan, dat zou Philips kunnen schaden. Wij en nog een stel hebben voor de club bedankt.’
'Hetzelfde gebeurde met de ari‰rverklaring. Bij allerlei instanties lieten ze je die tekenen. Mijn vader moest een ari‰rverklaring tekenen voor het hebben van een giro. Nou, dat deed hij natuurlijk niet. Wij moesten in Eindhoven een ari‰rverklaring tekenen om het telefoonabonnement te kunnen behouden. Vrijwel iedereen tekende. Wij niet, dus werd onze telefoon afgesneden.
Er is wel geageerd tegen die ari‰rverklaring. Maar helaas, de ambtenaren die als eersten moesten tekenen, deden dat wel. Op een paar na, onder wie mijn broer, die onder secretaris-generaal Hirschfeld van Economische Zaken werkte. Mijn broer zei, zoals onze hele familie: “Direct de prullenbak in met dat onding!” Daarop is mijn broer bij Hirschfeld geroepen, die hem letterlijk gesmeekt heeft: “Meneer Van der Burg, u maakt het mij zo moeilijk!” Maar mijn broer heeft het niet gedaan.
Met die ari‰rverklaring was het in wezen gebeurd. Toen wist men wie wel en wie niet joods was. Met het tekenen van die verklaring heeft men de joden in Nederland in de steek gelaten. Men tekende vrijwel unaniem, en voorzover ik mij herinner kwam ook uit Londen van de regering of van koningin Wilhelmina geen advies om dat niet te doen, laat staan een verbod. Mij persoonlijk interesseerde de houding van Wilhelmina niet zozeer. Over Wilhelmina had ik nooit anders dan vervelende dingen gehoord in mijn jeugd. Dat ze zo gierig was bijvoorbeeld, en uit de hoogte. En dat zij, toen zij op een keer in de buurt van Het Loo wandelaars op haar pad vond, haar koetsier verordonneerde: “Haal dat tuig eens van mijn weg.”(’
'Ik kwam bij het illegale Parool door Ger van Heuven Goedhart. Ik rolde daar vanzelf in. Wij hebben altijd veel onderduikers gehad, met name mensen die plotseling moesten onderduiken. Zoals Frans Goedhart, de oprichter van Het Parool. Goedhart had in september 1940 in de Nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen ook al gewaarschuwd tegen het tekenen van de ari‰rverklaring. Hij is gevangen genomen, ter dood veroordeeld en gevlucht. Na een vluchtadres in Den Bosch kwam hij bij ons in Eindhoven terecht.
Ik maakte toen het nieuwsbulletin voor Het Parool, een samenvatting van het nieuws dat je op de Engelse radio opving. Dat nam Frans Goedhart van me over. Ik heb onderduikers opgevangen, weggebracht en opgezocht. Ach, veel mensen namen veel grotere risico’s en hebben hun leven verloren. Wie ben ik, met mijn manusje-van-alleskarweitjes.’
'In januari 1944 werden we opgepakt, samen met twee andere Parool-verspreiders uit Eindhoven; verraden door een gesnapte Paroolman van het eerste uur die onder zware druk de namen had genoemd van alle mensen die hij kende, een stuk of vijfentwintig. Mijn man, die er iets minder mee te maken had, werd vrijgelaten. Ikzelf ben naar de gevangenis van Scheveningen afgevoerd. Daar heb ik tot mei 1944 gezeten.
Toen kwam het zogenaamde Tweede Parool-proces, maar ik ben vrijgelaten. Ik heb nooit ontkend dat ik al die mensen van Het Parool kende, maar ik zei dat het bevriende journalisten van vroeger waren. Verder niets. Dat zij ondergedoken waren, zei ik, leek mij niet meer dan normaal omdat bij iedereen toen de vrees leefde dat je als gijzelaar zou kunnen worden opgepakt. Van Heuven Goedhart had mij geãnstrueerd wat ik tijdens de ondervraging zeggen moest, nota bene op een wc in het politiebureau van Eindhoven, het bureau waar ik de eerste veertien dagen gevangen zat.
Het Parool is, net als al die andere illegale bladen, vanaf het eerste uur op de hoogte geweest van de toestand van de joden in Duitsland en Polen. Tijdens de oorlog kregen we de informatie vooral via de radio door het afluisteren van buitenlandse zenders, met name de BBC. Maar ook via de hier gedropte mensen uit Engeland, die allerhande inlichtingen meebrachten. In de tijd dat er geen stroom meer was, in de herfst van 1944, toen ik in Amsterdam zat, moest ik, om mijn Bulletin voor Het Parool te maken, naar het Luthers Diaconessenhuis. Daar hadden ze nog wel stroom en een radio die ik kon afluisteren.
Tijdens de oorlogwerkte ik in Utrecht bij de Stichting Psychotechniek. Dat was een soort onderkomen voor illegalen. Van daaruit bracht ik boodschappen over. Na de bevrijding van het Zuiden woonde ik in Amsterdam op de zolder van het huis van Simon Carmiggelt en Max Nord. Ik heb toen nog voor de vers gearriveerde regering in het Zuiden een rapport door de linies gebracht.
Rond kerstmis 1944 ben ik voor een tweede keer door de linies naar het bevrijde Zuiden gestuurd, met een microfilmpje waarop Frans Goedhart de toestand boven de rivieren had verslagen. Het is me toen niet gelukt om door de vijandelijke linies te komen. Ik werd door de Duitsers aangehouden. Maar ik wist de volgende morgen heel vroeg te ontsnappen.’
'Korte tijd na de oorlog, toen ik bij het legale Parool werkte, zag je op straat hoe die lui van de Binnenlandse Strijdkrachten NSB'ers opbrachten. Op een dag liep ik op de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam en daar komt zo'n groepje opgepakte NSB'ers, geflankeerd door BS'ers langs. Die BS'ers sloegen er op los en vernederden die NSB'ers op allerlei manieren. Dus net zoals de Duitsers zich hadden gedragen. Dat kon ik niet hebben, dat vond ik zo verschrikkelijk dat ik een van die BS'ers een klap in het gezicht heb gegeven. Hierop ontstond een rel, omdat men dacht dat ik zelf ook een NSB'er was. Ik ben huilend bij Het Parool naar binnen gerend. Ik vond het zo'n walgelijk gezicht hoe ze die mensen behandelden.
Een vriend van mij, destijds een jongeman, zat ook bij de BS. Die spreekt nu met afschuw over het eigen rechtertje spelen. Ze voelden zich geweldig, die jongelui, toen ze soldaatje konden spelen. Ze gedroegen zich net zoals de Duitsers.
Als Parool-medewerkster heb ik na de oorlog met andere journalisten een reportage gemaakt over de NSB-kampen. Drie tot vier dagen waren we onderweg. De behandeling van die mensen, de ellende die daar heerste - we hebben het iedere avond met alcohol moeten verdrinken.’