Michael K. Williams, 22 november 1966 – 6 september 2021

Hij bleek geknipt voor de rol van Omar Little in The Wire. Zozeer zelfs dat Michael K. Williams’ persoonlijkheid steeds meer samen leek te vallen met dat van zijn duistere personage.

Het litteken dat als een veeg zijn hele gezicht bestrijkt. De cornrows, de ondoordringbare blik, de wrange gelaatsuitdrukking. Zijn rauwe stem. En wanneer het bittere ernst werd: de bandana, de flodderige broek en de lange mantel die tot kniehoogte reikte, waaronder hij een stevig jachtgeweer verborgen hield. Boven op dat even achteloze als ontzagwekkende fluitdeuntje, ‘the farmer in the dell’. Omar Coming.

Ze maken het cultpersonage uit de serie The Wire tot wie hij is. Omar Devone Little liet een onuitwisbare indruk na. De Amerikaanse populaire cultuur huilde afgelopen week mee, toen Michael K. Williams, de man die deze vertolking vlekkeloos uitvoerde, overleed aan een overdosis. Er werd niet alleen om de acteur gerouwd, de luister en de genialiteit van een iconisch personage werd gevierd. Omar – zijn voornaam was voldoende – stond immers gegrift in ieders culturele bewustzijn. De sinistere en solitaire straatoverlever was een verzinsel van voormalig misdaadverslaggever David Simon in zijn uitmuntende portret van een grauwe zijde van havenstad Baltimore. The Wire was een bonte weergave van een indringende realiteit, een verhaal van falende instituties en door crackepidemie verwoeste binnensteden als dwingende spiegel voor Amerika. Met Omar als creatief kroonjuweel.

Te midden van alle geweld, de mateloze hebzucht en de niet altijd even welbespraakte woede bleek Omar een zonderling. Een zeldzame stem van moraliteit. In een aflevering demonstreert hij dat door een winkelier te beroven van een drugsvoorraad en vervolgens te betalen voor een pakje sigaretten. Zoals Omars gevleugelde uitspraak luidt: ‘A man got to have a code.’

Weinig figuren waren zo authentiek en tegelijk ontroerend als Omar Little. Doordeweeks drentelde hij door steegjes en overviel hij drugdealers. Op zondag bracht hij zijn grootmoeder, die slecht ter been was en van wie hij de afkeer van vloeken had geërfd, naar de kerk. En er was het ontregelende idee en de voor velen onverzoenbare combinatie van zwarte mannelijkheid en homoseksualiteit. De diepte van het personage kende eigenlijk geen grenzen. En Michael K. Williams bleek er geknipt voor.

‘Omar’ stond gegrift in ieders culturele bewustzijn

Het is treffend dat Omar in de serie steeds naar zichzelf verwees in de derde persoon. Diezelfde mate van vervreemding van zichzelf tekende ook Williams’ leven. De tragiek? Williams was verwikkeld in zijn eigen veldslag. Overmatig drugsgebruik bleef een voortdurende kwelling. Zoals zijn personage balanceerde tussen superheld en griezel, zo bungelde Williams als een jojo in en uit het drugscircuit. De grenzen tussen zijn bloedeigen leven en Omars fictionele leven vertroebelden. Hij ging ‘op enge plaatsen met enge mensen’ gebruiken, snoof zijn salaris erdoorheen en schraapte het kleingeld bijeen voor pakjes sigaretten. Williams was zo high toen hij Obama in 2008 ontmoette dat hij niet meer kon praten. Meermaals stak hij zijn hoofd ‘in de bek van een leeuw’, zoals hij zelf verklaarde. ‘Niemand noemde me nog Mike, voor iedereen was ik Omar.’

Aanvankelijk bleek zijn verwevenheid met Omar een bevrijding. Williams, destijds werkend in het verzorgingstehuis van zijn moeder, maakte rond de millenniumwisseling een donkere periode door, overheerst door drank- en drugsproblemen. Het vertolken van zijn personages bleek later een manier om zijn demonen uit te drijven. Over Omar: ‘Dat donkere deel in mij kan ik hierin kwijt.’ De duisternis van zijn personage – het solitaire van een figuur die overeind bleef in het meedogenloze ecosysteem van het gure straatleven – torste Williams mee in de echte wereld. Tegelijk bleek hij comfortabeler in Omars huid dan in de zijne. Williams droeg ‘Omar’ als een ‘Supermankostuum’. Maar de make-up liep uit, het masker vervaagde. De donkere kanten van zijn personage wogen zwaar op zijn psyche. ‘Toen de serie eindigde’, vertelde hij aan de LA Times, ‘was ik niet uitgerust om met die duisternis om te gaan. Ik pijnigde mezelf op alle mogelijke manieren.’

Mondjesmaat kwam Williams begin jaren negentig aan de oppervlakte van de entertainmentindustrie. Voorheen had hij zijn studies opgegeven om als danser voor George Michael en Madonna te werken. Na zijn rol als Omar Little (2002-2008) verscheen hij in films als 12 Years A Slave van Steve McQueen en À tombeau ouvert van Martin Scorsese. Vervolgens speelde hij in Scorsese’s Boardwalk Empire de innemende dranksmokkelaar Chalky White, leider van de zwarte gemeenschap die respect bedong van witte machthebbers tijdens de drooglegging in Atlantic City. De parallel met Omar? Een figuur met ruggengraat die overeind moest blijven in een spijkerharde wereld vol alfamannetjes. Het is het lot van de zwarte artiest. Als acteur was Williams niet los te koppelen van de zwarte ervaring. De vertolking van zwarte pijn liep als een rode draad door zijn loopbaan. Hij droeg het als een ereteken.

Met zijn acteerwerk haalde Williams doodgewone zwarte verhalen uit de obscuriteit. Alleen al in The Wire zelf begaf verloren ziel Omar zich te midden van een collectieve strijd van jonge zwarte mannen en vrouwen in overweldigende situaties. ‘Ik kan me niet inleven in iets anders dan de zwarte ervaring’, liet hij optekenen in Variety. ‘Ik speel ze met honderd procent eerlijkheid, en weet precies waar ze vandaan komen.’ Hij gaf een menselijk gezicht aan figuren waaraan velen niet in staat waren menselijkheid te verlenen, zei collega Wendell Pierce, politie-inspecteur ‘Bunk’ uit The Wire enkele jaren geleden.

Williams’ personage – Barack Obama haalde hem in 2008 aan als favoriet – zou alle lagen van de populaire cultuur infiltreren. Omar is niet meer. Maar voor Williams was zijn sleutelpersonage al lang dood. ‘Ik moest stoppen met Omar zijn, en gewoon weer Mike wezen.’