Michaël Zeeman 12 september 1958 – 27 juli 2009

Waarschijnlijk was hij de enige echte homo universalis van Nederland. Een man die alles wist over alles, met de literatuur als episch centrum van het bestaan. Voltaire wist al:wie schrijft, heeft oorlog.

ALS ER IETS IS dat de maandag overleden Michaël Zeeman kenmerkt, is het stijl. En dat betekent niet alleen dat deze imposante en grote man smaakvol gekleed ging en dat hij uitsluitend in lange, elegante en geestrijke zinnen sprak. Ook de woordkeus van zijn duizenden krantenstukken was trefzeker, hij wist in een restaurant feilloos de beste wijn te vinden en was onweerstaanbaar charmant. Zijn stijl was een manier van leven, zijn manier van leven stijl.
Le style est l’homme, schreef de achttiende-eeuwse filosoof en bioloog Buffon: de man is zijn stijl. Die was bij Michaël Zeeman van een verbluffende veelzijdigheid. Maar in die naar alle kanten uitwaaierende belangstelling stond één ding centraal. Dat was de literatuur, in de ruimste zin van het woord, zoals alles bij Zeeman in de ruimste zin van het woord was. De liefde voor het lezen en voor de poëzie van de taal ontstond in zijn jeugd. Hij groeide op in een domineesgezin, waar hij vaak in de bibliotheek van zijn vader was te vinden. Op zijn zeventiende sloeg hij er voorgoed de deur achter zich dicht en begon een leven van lezen.
Zijn nieuwsgierigheid en gretigheid waren mateloos. Hij ontdekte schrijvers en filosofen die pas jaren later in Nederland, vaak dankzij hem, bekend zouden worden, onder wie Martha Nussbaum. Voor de Volkskrant interviewde hij talloze grote buitenlandse auteurs, onder wie Günter Grass, Jens Christian Grøndahl, Umberto Eco en Orhan Pamuk. Legendarisch is het interview met de door hem bewonderde Philip Roth, en dat met de ontoegankelijke V.S. Naipaul. Zeven jaar lang, van 1995 tot 2002, werd in Zeeman met boeken pas verschenen werk tegen het licht gehouden: binnen- en buitenlandse romans, maar ook poëzie en biografieën. Zeeman liet zien dat je op televisie serieus en onderhoudend over literatuur kon praten, zonder de kijker als kleuter te behandelen of je tot interviews te beperken.
Een onafzienbare reeks recensies in de Volkskrant verkende de nieuwe buitenlandse literatuur. De laatste jaren vooral van Midden- en Oost-Europese snit, omdat hij verbluft was over de Nederlandse desinteresse voor het continent waartoe zijn ‘voormalige vaderland’ toch echt behoorde. Zeemans interesse ging veel verder dan literatuur alleen. Hij schreef talloze stukken over theater, beeldende kunst, filosofie, geschiedenis en politiek, steeds goed geïnformeerd en met een lucide eigen oordeel.
Hij was een lezer, en hij was een schrijver. In 1991 debuteerde hij met de poëziebundel Beeldenstorm, bekroond met de C. Buddingh’ Prijs, vier jaar later verscheen Verhoudingen. Zijn uit verhalen opgebouwde roman De verduistering (1995) was een veelbelovend begin, maar kreeg vooral aandacht vanwege de meedogenloze pastiche op de filmrecensent van zijn eigen krant.
In 2002 vertrok hij als correspondent van de Volkskrant naar Rome. In zijn dankwoord bij de uitreiking van de Gouden Ganzenveer geselde hij het geestelijk klimaat in Nederland. Hij had bij de omroep gewerkt, bij de universiteit en bij de krant, en overal lieten de culturele elites het volgens hem afweten. Zijn afschuw van gelijkheidsdenken, populisme, braafheid en de angst om uit te blinken daalde met een mengsel van ongespeelde oudtestamentische woede en geestige schimpscheuten over zijn toehoorders neer. Steeds vaker klonk die door in wat hij schreef.
Na 9/11 was hij de eerste publicist die begreep hoezeer het postmoderne relativisme voorbij was, en dat het voortaan weer over ideeën zou gaan. In een reeks van columns en lezingen in binnen- en buitenland ontvouwde hij de laatste jaren allengs meer een cultuurpolitiek programma. Het was een pleidooi voor een open, kosmopolitische blik, een aanklacht tegen de teloorgang van een ambitieus, op emancipatie gericht onderwijs, tegen de in Nederland heersende angst voor identiteitsverlies in een multiculturele samenleving, tegen het bedroevende peil van de publieke omroep, tegen de sociaal-democratische cultuurvijandigheid, en voor het geloof in een diverse, maar gedeelde Europese cultuur. Geleidelijk aan verschenen meer stukken van hem in gezaghebbende Europese, vooral Duitse en Italiaanse kranten.
Daarbij vocht hij de nodige vetes uit, met een soms obstinate onverzoenlijkheid. Maar al te vaak was Voltaire’s gevleugelde woord op hem van toepassing: qui plume a, guerre a: wie schrijft, heeft oorlog. Die met zorg gekoesterde vijandschappen gaven kleur aan een landschap dat vanuit het verre Rome bezien in een gezapige eenvormigheid lag te dampen. Naast dat talent voor vijandschap bezat hij echter een nog groter talent voor vriendschap.
Ik heb talloze keren met hem geluncht en gedineerd. Na afloop had ik vaak buikpijn. Van het lachen welteverstaan. In een duizelingwekkend tempo rolden de grappen voorbij, de roddels, de ironisch uitvergrote woedeaanvallen over politici, critici en schrijvers, in een voortdaverende conference vol naamgrappen, gespeelde verbazing, onwaarschijnlijke eruditie en surrealistische overdrijvingen, een achtbaan van theorieën, boekverslagen, aansporingen tot het bekijken van voorstellingen, films en waarom ik nog niet dit boek en dat andere had gelezen.
Deze zomer zou hij zijn woonplaats Rome voor Berlijn verruilen. De Italiaanse hoofdstad was zijn thuis geworden, het gevoel voor stijl en theater van de Romeinen, hun vitaliteit, de rijkdom van hun keuken, hun waardering voor de eigen geschiedenis, hun savoir vivre – het paste alles zo goed in dit leven. Maar zijn rusteloze onderzoekersgeest verlangde naar verandering, en naar een stad midden in het nieuwe Europa waar hij nog zo veel over te melden had.
Tussen Rome en Berlijn, in Wenen, werd hij ziek. Het bleek een hersentumor en toen het verval onomkeerbaar dreigde in te zetten, besloot hij dat het genoeg was. Zijn onverwoestbare enthousiasme moest het afleggen tegen de eindigheid van het bestaan, waarover hij meer dan wie ook gelezen had.