Michel bosio

Twee jaar geleden werd de Franse zakenman Michel Bosio als ‘een ernstig gevaar voor de nationale veiligheid’ ons land uitgewezen. Sinds de Raad van State dat besluit verleden week vernietigde is het uur der wrake aangebroken. Gaan Piet van Zeil, Ruud Lubbers, Frits Korthals Altes e.v.a. alsnog voor de bijl?

DAT SYLVAIN EPHIMENCO, DE Nederlandse correspondent van het Franse dagblad Liberation, voor zijn beschrijving van het drama rond zijn landgenoot Michel Bosio uiteindelijk koos voor de vorm van een roman - het in 1991 bij uitgeverij In de Knipscheer verschenen Facades - had ook enkele voordelen. Een daarvan is dat hij met Gallische rondborstigheid te werk kon gaan, verder dan de marges van de journalistiek hem tot dan toe hadden toegestaan. Het leverde een zeer doorzichtige en daardoor zeer explosieve sleutelroman op, die achteraf bekeken de perfecte opmaat was voor de grote politieke tragedie die nu bekend staat als de IRT-affaire. In ieder geval moet Facades verplichte kost worden voor de leden van de parlementaire enquetecommissie die als alles goed gaat binnenkort start met het onderzoek naar onoirbare opsporingsmethoden. Zoals dezelfde commissie ook onmogelijk een confrontatie met Bosio zelf uit de weg kan gaan, nu hij hier weer vrij mag rondlopen.
Bosio heeft veel aan Ephimenco te danken. De in Cannes geboren ondernemer zat volkomen stuk toen hij eind jaren tachtig aanklopte bij de Liberation-correspondent. Tientallen pogingen om de Nederlandse pers te interesseren voor de intrigerijke verwikkelingen rond zijn persoon, waren op niets uitgelopen. Vanuit zijn armetierige kamer in het Arnhemse Spijkerkwartier voerde Michel Bosio, de berooide ex-directeur van de firma Russel Air Conditioning, een schriftelijke guerrillaoorlog met de Nederlandse autoriteiten, steeds verder wegzakkend in een status als paranoide querulant. Niemand wenste te geloven dat hij het slachtoffer was geworden van een complot waarbij zowel de CIA, de DEA, de BVD als de CRI waren betrokken. Bosio hield bij hoog en bij laag vol dat het door hem opgerichte bedrijf onder druk van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken een dekmantelorganisatie was geworden voor smokkel van wapens, diamanten en drugs, waarbinnen de Nederlandse en de Amerikaanse veiligheidsdiensten broederlijk samenwerkten. Een en ander zou verband houden met infiltratie-acties in het milieu van de georganiseerde misdaad. Met de aldus binnengehaalde revenuen werd volgens dit mondiale complotmodel ook nog eens het anti-communistische verzet in Afghanistan gesteund.
Het geheel van Bosio’s beschuldigingen wees in de richting van een Europese versie van het Iran/Contra-schandaal, waarmee Oliver North op dat moment in de Verenigde Staten in de schijnwerpers was komen te staan. Kortom: het verhaal van Bosio klonk zo fantastisch dat niemand zich er de vingers aan durfde branden.
NA EEN LOOPBAAN met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die hem onder meer in Duitsland en in Israel brachten, lukt het Michel Bosio begin jaren tachtig in Arnhem een bedrijfje op te zetten dat zich specialiseert in de produktie van airconditioning voor personenauto’s. Russel Air Conditioning richt zich vooral op de Arabische markt, een gegeven dat snel tot grote problemen leidt als Bosio’s afnemers merken dat allerlei onderdelen van de verkochte apparatuur uit Israel afkomstig zijn. In 1983, negen maanden na de oprichting, gaat het bedrijf dan ook over de kop. De failliete Bosio weet echter onmiddellijk een subsidie los te krijgen van het ministerie van Economische Zaken. De staatssecretaris daar, de CDA'er Piet van Zeil, trekt er 650.000 gulden voor uit. Een opmerkelijke investering in zo'n failliete boedel, die later nog eens zal worden opgehoogd tot in totaal 2,3 miljoen gulden. De subsidie is overigens geheel illegaal: Bosio is, gegeven zijn bankroet, onder curatele gesteld en mag derhalve eigenlijk helemaal geen deals meer sluiten.
Bosio zelf zal daar weinig baat bij hebben. Op last van het ministerie krijgt hij een man naast zich. Deze G. J. B. Belderbos, eerder op last van Van Zeil betrokken bij een zeer dubieuze subsidie aan het Friese bedrijf Luyt, ontpopt zich tot schrik van Bosio als een handelaar in wapens en diamanten. Van airco’s verkopen komt niets. In plaats daarvan neemt Belderbos, een majoor b.d. met aanzienlijke connecties in het Transatlantische netwerk van Gladio, twee verkopers aan, H. Parisius en een Amerikaan genaamd O'Kelly. Parisius en O'Kelly maken de ene verre reis na de andere met de EZ-subsidies, zonder dat Bosio enig schot ziet komen in de airco-handel. Beetje bij beetje krijgt hij door dat Parisius en O'Kelly in hele andere zaken zitten. De Amerikaan zou hem zelfs onomwonden hebben verklaard dat hij werkzaam was voor de CIA. Parisius, een handelaar in kokosnoten, zou een agent van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA) zijn. Bosio schrijft daar een protestbrief over aan staatssecretaris Van Zeil. Antwoord ontvangt hij niet. Wel krijgt hij kort daarop te horen dat hij is ontslagen.
Bosio laat zich echter niet zo maar wegsturen. De flamboyante Fransman weet zelfs een keer binnen te dringen in de werkkamer van Van Zeil om de staatssecretaris een asbak naar het hoofd te slingeren en bij de strot te grijpen. Vreemd genoeg volgt er geen aanklacht van de bewindsman. Bange dagen beleeft hij als in 1985 blijkt dat een container met kokosnoten uit Ghana, door Parisius onder Bosio’s naam op de boot naar Rotterdam gezet, afgeladen vol zit met 646 kilo marihuana. De drugs worden gevonden door de douane in Antwerpen, nadat de Ghanese boot vanwege een staking in de haven van Rotterdam moest uitwijken naar de Scheldestad.
Bosio is ervan overtuigd dat het gaat om een complot, bedoeld om hem definitief van het toneel te vegen. Hij weet de Belgische autoriteiten van zijn onschuld te overtuigen. De Belgische minister van Justitie Wathelet stopt de hele zaak van de Ghanese kokosnoten in de doofpot, na intens overleg met zijn Nederlandse collega Korthals Altes.
Voor Bosio is dat reden om de politie in te schakelen. De Arnhemse politie-adjudant H. Buil zou hem bij die gelegenheid te verstaan hebben gegeven dat - de inmiddels spoorloos verdwenen - Parisius bekend stond als een agent van zowel de CIA als de DEA. Regeringswaarnemer Belderbos overlijdt eind 1985 plotseling aan een hartaanval. De Arnhemse zakenman J. Heesackers uit in het openbaar het vermoeden dat hij is vermoord. Kort voor Belderbos’ overlijden had Heesackers nog een gesprek met hem over de mogelijke levering van anti- tankhelikopters en ander wapentuig. Belderbos bleek bij leven een ‘free lance manager voor discrete contacten’ te zijn, in de jaren zeventig actief in onder meer Iran.
Voor Bosio zijn al deze losse eindjes informatie voldoende om een zaak aanhangig te maken bij de Commissie voor verzoekschriften van de Tweede Kamer. Hij kiest voor die omslachtige procedure op advies van zijn advocaat mr. R. S. Meijer uit Den Haag, een peperdure raadsman die zijn diensten uit eigen beweging en geheel pro deo aanbiedt aan de bankroete zakenman. Een genereus aanbod, dat echter een dubbele bodem heeft. Meijer blijkt ook juridisch consultant van het ministerie van Economische Zaken en dat ministerie komt het wel heel gelegen dat de verzoekschriftencommissie ongelooflijk traag met Bosio’s klacht omspringt. Dat de plaatsvervangende voorzitter van die parlementaire commissie niemand minder is dan ex-minister Korthals Altes, speelt daar mogelijk een rol bij. Na vier jaar komt de commissie, onder voorzitterschap van de huidige vice-premier Hans Dijkstal, tot de conclusie dat Bosio’s klacht ongegrond was. Hoewel, ongegrond: Dijkstal stelde dat 'we op het einde van de rit moesten concluderen dat niet op alle punten onmiskenbaar kon worden vastgesteld wat de waarheid was’.
Bosio laat zijn advocaat Meijer wijselijk schieten. Zijn volgende juridische raadsheer, P. H. Doedens, verwijt zijn confrere Meijer welbewust een geheel verkeerd traject te hebben gekozen. In Bosio’s geval had er onmiddellijk een strafrechtelijk onderzoek moeten komen. De parlementaire weg hoefde helemaal niet te worden bewandeld.
DE TWEEDE KAMER doet er vervolgens alles aan om Bosio uit Nederland te laten verdwijnen. In oktober 1992 doet CDA-kamerlid Soutendijk de suggestie dat 'de lastpak’ Bosio moet worden uitgewezen. De PvdA en de VVD sluiten zich daar bij monde van PvdA'er Zeilstra en VVD'er Wiebenga van harte bij aan. Staatssecretaris Aad Kosto van Jusitie ziet in de aanwezigheid van Bosio op Nederlandse bodem 'een gevaar voor de openbare veiligheid’ en gelast de deportatie van de ongewenste vreemdeling. Het is een procedure die normaal gesproken is voorbehouden aan buitenlanders die zijn veroordeeld wegens handel in heroine en cocaine, terwijl er tegen Bosio nog niet eens een juridisch onderzoek naar dergelijke praktijken is uitgevoerd. Integendeel: het was Bosio zelf die een onderzoek naar de drugstransporten bij zijn oude bedrijf had gevraagd.
Op 2 november 1992 krijgt Bosio zijn vertrekorder binnen. Hij krijgt tien minuten om zijn tandenborstel in te pakken en wordt als persona non grata op het vliegtuig gezet naar Parijs. 'Dit is een politieke deportatie’, aldus de zakenman, die de maanden daarna tot vier keer toe wordt aangehouden op Nederlandse bodem en weer naar Frankrijk teruggestuurd. Zijn nieuwe advocaat spant ondertussen een procedure bij de Raad van State aan: Bosio’s uitwijzing is in flagrante tegenspraak met het vrije verkeer van personen in de Europese Gemeenschap.
Verleden week donderdag kreeg Bosio gelijk van de Raad van State. Zijn advocaat heeft juridische stappen aangekondigd tegen een hele rij Nederlandse bewindslieden, van Van Zeil tot Ruud Lubbers, van Hirsch Ballin tot Winnie Sorgdrager, die als procureur-generaal al voor systematische tegenwerking van Bosio’s campagne voor eerherstel zou hebben gezorgd. 'Nu is de vernietigende kracht die tegen mij is ingezet, gestopt en zal zij zich tegen zichzelf keren’, profeteerde Bosio daags na de uitspraak van de Raad.