Michiel de Ruyter

Michiel de Ruyter: held van zijn tijd

Waarom die eeuwige hoofdrol voor Michiel de Ruyter? Het is een illusie te denken dat hij als ‘held van Nederland 2007’ een bijdrage kan leveren aan de discussie wat het betekent om in de 21ste eeuw Nederlander te zijn. De Ruyter was een held van zijn eigen tijd. Geschikt om avontuurlijke verhalen over te schrijven en te duiden in de geschiedenisles. Dat is voldoende.

Johan H. Been
Paddeltje
met illustraties van J.H. Isings jr.,
hertaald door John van Foreest
Kluitman, 222 blz., €8,95

John Brosens
Koers pal noord
De Fontein, 200 blz., €14,95

P. Louwerse
Vlissinger Michiel
Sijthof, 236 blz. (antiquarisch)

K. Norel
Michiel Adriaanszoon de Ruyter,
Bestevaer
Callenbach, 224 blz., €12,50

Held van Nederland 2007! Michiel de Ruyter is terug na vierhonderd jaar! De website van Stichting 400 jaar Michiel de Ruyter laat er weinig misverstanden over bestaan. De vierhonderdste geboortedag (24 maart 1607) van Nederlands bekendste zeeheld wordt groots en nationalistisch gevierd. Volgens bestuursvoorzitter Sari van Heemskerck Pillis-Duvekot moet de viering een bijdrage leveren aan de discussie over wat het betekent om Nederlander te zijn. Vanzelfsprekend komt in dit feestelijke kielzog een stroom van (her)uitgaven van klassieke en nieuwe historische jeugdromans op gang, zoals Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de Ruyter (1908) van Johan H. Been, K. Norels Michiel Adriaanszoon De Ruyter, Bestevaer (1956) en Koers pal noord van John Brosens (2006).

Al tijdens zijn leven werd De Ruyter beschouwd als de grootste admiraal van zijn tijd. Hij werd bezongen door tijdgenoot Joost van den Vondel en biograaf Gerard Brandt (1626-1685). Op 18 maart 1677 verdween hij met tal van nationale en internationale onderscheidingen, titels en beloningspenningen in zijn praalgraf in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Toen tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw het nationalisme hoogtij vierde en de verering van het gouden verleden van Nederland zich onuitroeibaar wortelde, vestigde Michiel de Ruyter definitief zijn reputatie als onovertroffen zeeheld. Dat premier Den Uyl zich in 1976 distantieerde van de herdenking van De Ruyters driehonderdste sterfdag heeft daar niets aan afgedaan. Zo ook niet het hedendaagse historische besef dat de grens tussen held en dader uiteindelijk altijd een mistige is. Nee, de Gouden Eeuw kent alleen terecht gevoerde oorlogen. Lafaards en oorlogsmisdadigers kwamen in Nederland nog niet voor. Helden met een ongekende dadendrang daarentegen des te meer. En, getuige ook de recente verkiezing van de grootste Nederlander aller tijden (2004): door heldenmoed laat het volk zich graag bedwelmen.

Dat de door de zeeheld vanaf 1636 gevoerde naam De Ruyter vermoedelijk afkomstig is uit de kaapvaart en ontleend is aan het ‘ruiten’ (roven) met zijn schip, vervolmaakt waarschijnlijk slechts de mythe. Dat De Ruyter als zelfstandig koopvaarder in de jaren 1643-1652 tégen de strenge verbodsbepalingen van de Staten in schaamteloos geweren verkocht aan de gevreesde ‘Sant’ (Sidi Ali ben Mohammed ben Moussa) van het Marokkaanse piratennest Salee doet aan zijn heldenstatus niets af. (Bedenk wat zou gebeuren als blijkt dat de huidige Commandant der Zeestrijdkrachten een verleden als illegale wapenhandelaar heeft.) En dat de tijdens de Tweede Engelse Oorlog uitgevoerde Tocht naar Chatham (1667) een plan was van Hollands raadspensionaris Johan de Witt en wegens ziekte van de Ruyter, die vanwege de onbekende ondieptes het opvaren van de Theems sowieso afkeurde, werd uitgevoerd door diens broeder Cornelis, ook al niet.

Binnen de Nederlandse jeugdliteratuur kan onderwijzer P. Louwerse (1840-1908) als ‘oerschuldige’ worden aangewezen wat betreft de archetypische jongensboekenheld en godvrezende, heldhaftige vaderlander die hij van De Ruyter heeft gemaakt in zijn hoognationalistische Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee (1880).

In dat boek leren we Michiel kennen als het type ondeugdelijke, maar goudeerlijke straatjongen – ‘ik jok niet om ene kleinigheid en om geen grootigheid ook’ – die voor de schoolbanken te ongedurig is en twaalf ambachten en dertien ongelukken telt. Draaiend aan het grote wiel van de touwslagerij op de Lijnbaan dagdroomt hij ondanks zijn eenvoudige afkomst als zoon van een bierdrager heel onrealistisch over grootse daden als admiraal van de Staatse Vloot. Om die dagdromerij nog steviger gestalte te geven beklimt hij zelfs de Vlissingse torenspits. Daarmee geeft hij zijn visitekaartje af als moedige hoogbootsmansjongen. In 1618 kiest hij onder leiding van de vaderlijke ‘Barre Bruinvisch’ het ruime sop en verandert als bij toverslag van deugniet in ondernemende en dappere koopvaarder en nederige maar bejubelde vlootadmiraal, die ‘als een tweede Karel de Grote met zijne onverschrokken Paladijnen, van de ene overwinning naar de andere snelde’.

Dit heroïsche beeld blijft in veel historische jeugdromans over De Ruyter terugkomen. Zelfs anno 2007 houdt de mythe stand, zo blijkt uit Koers pal noord van John Brosens, die een historisch interessant, nieuw avonturenverhaal verzon rondom De Ruyters waargebeurde ontsnapping uit Biskaje, waar hij door een Spaans schip in gevangenschap aan land was gebracht, en zijn terugtocht door Frankrijk naar Vlissingen.

Dat Frankrijk in die dagen voor Hugenoten en andere protestanten onveilig was en dat gevaar van struikrovers en onguur volk voortdurend dreigde, schetst Brosens redelijk geloofwaardig. Ook volgt hij historische feiten beter dan de romantische Louwerse, die, onjuist en kortzichtig, de held al vanaf zijn geboorte De Ruyter noemt en het succes van de Tocht naar Chatham enkel verklaart vanuit De Ruyters kordate handelen. Maar Brosens’ Michiel lijkt helaas wel te veel op Louwerse’s dwarse, ruziezoekende straatjongen die voorspelbaar in de bekende leergierige, behulpzame bootsjongen verandert en louter door ervaring, doortastendheid, moed en intelligentie de tocht langs de Franse westkust naar huis overleeft.

Wie weet dat De Ruyter in 1653 (na het sneuvelen van admiraal Maarten Tromp) wegens machtsintriges en twijfel over eigen geschiktheid aanvankelijk weigerde opperbevelhebber van de Staatse Vloot te worden en dat hij tijdens de Tweede Engelse Oorlog aan depressiviteit leed, vraagt zich af waarom Brosens niet heeft durven verrassen en heeft gekozen voor een onzekerder en daarmee geloofwaardiger jongere: een twijfelaar, die niet zozeer door wijsheid, maar vooral door geluk en historisch toeval – in de zeventiende eeuw heette dat nog Gods wil – overleeft.

Norel, die in zijn Michiel Adriaanszoon De Ruyter verhaalt over De Ruyters leven als vlootvoogd tot aan zijn dood, voelt de historische werkelijkheid beter aan. Het resultaat is daardoor wel een saai verhaal, doorspekt met een vreselijke, christelijke moraal. Norels beeld – wellicht naar het enig juiste – van de plichtsgetrouwe, godvruchtige vaderlander die ‘rustig en vriendelijk tegen hoog en laag is’, levert een oninteressant boekpersonage op.

Waarom dan die eeuwige hoofdrol voor De Ruyter? Met zijn al dan niet terechte, min of meer onbetwiste zeeheldenstatus is, ter voorkoming van verdere mythevorming, een bijrol als in Paddeltje voldoende. Auteur Been handhaaft weliswaar het traditionele beeld van De Ruyter als ‘moedig schipper uit het noorden’, maar stelt de jongensavonturen van zijn wilskrachtige scheepsjongen, die rond 1645 door een machtige zeerover in Salé gegijzeld wordt, centraal.

Beens rolverdeling is zo gek nog niet. Het is een illusie te denken dat De Ruyter als ‘held van Nederland 2007’ een bijdrage kan leveren aan de discussie wat het betekent om in de 21ste eeuw Nederlander te zijn. De Ruyter was een held van zijn eigen tijd. Geschikt om avontuurlijke verhalen over te schrijven en te duiden in de geschiedenisles. Dat is voldoende.