Mick en keith keith en mick

ER BESTAAT geen verleden tijd in de popgeschiedenis. Alle verhalen kunnen altijd weer als nieuw worden verteld. In gloednieuwe boeken, actuele krantenoverzichten, snel, sneller, snelst gemonteerde tv-reportages. Alle liedjes van de lp’s komen uit op cd en zijn weer als nieuw. Ook retro is gewoon nieuw. Niet pa maar de kids gaan nu naar de Stones. Om te kijken naar Mick en Keith. Om erbij te zijn als dat gebeurt met die twee. De een stort bijna in elkaar als de ander op hem begint te leunen. Dat komt door de heroïne, natuurlijk. Maar die ander leunt bijzonder weinig, geen tijd, die holt als een gek, die moet wel erg hoognodig iets bewijzen. Nu. Je staat erbij en je verbaast je. Het is een wonderbaarlijk vreemd verhaal. Het wordt elke keer weer als nieuw op het podium verteld als de Stones optreden. Je ziet dat Mick de baas speelt. Hij dirigeert het publiek. Hij heeft de show georganiseerd. Maar Keith is de muziek. Op de koptelefoon van drummer Charlie klinkt maar één ding: de ritmegitaar van Keith. Meer hoeft Charlie niet te horen om te weten wat hij moet doen.

HET IS 1961. Het speelt in de Londense voorstad Dartford. Twee jongens komen elkaar tegen op het station. Ze kennen elkaar van gezicht. Mick heeft een stapeltje door hemzelf in Amerika bestelde rhythm-and-bluesplaten onder zijn arm. Keith wil die platen graag horen. Ze spreken iets af. De grootste rock-‘n’-rollband ter wereld is geboren. Zo'n verhaal. Waar of niet, zo is het verteld. Door Keith. Of door Mick.
Van zeven jaar eerder is de foto van een schoolreisje naar Wembley. Op de treden voor een ingang van een betonnen gebouw. Een grote klas met alleen jongens. Allemaal met dezelfde donkere regenjas, dezelfde petjes, dezelfde sokken, opgetrokken tot vlak onder de knokige knietjes. Vooraan staat een mager knulletje, met flaporen en afzakkende schouders. Je ziet aan de foto dat hij een beetje stinkt. Dat is Keith. Keith kijkt alsof hij bang is dat hij straks in elkaar geslagen gaat worden. En dat gaat ook gebeuren. Het gebeurt hem iedere dag. In het midden van de groep heeft een wat dikkere jongen een kat opgetild. Het is Mick. Die wil alle aandacht.
Keith wil gitaar spelen en cowboy worden. Zijn held is Roy Rogers. Als het even kan loopt hij rond in zijn cowboypak. Zijn vader Fred is voorman op een elektriciteitscentrale. Als vader Fred na een lange werkdag thuis is gekomen hangt hij zwijgend in zijn stoel. Er is geen geld voor een koelkast of een telefoon. Keith is enig kind. En een moederskindje. Hij adoreert opa Gus, van moederskant, die in een dansbandje speelt. Er is altijd muziek in dat huis; daar wordt wél gelachen. Opa Gus gaat een keer vreemd met een andere vrouw en vanaf dat moment wil oma nooit meer met hem piano spelen. Toestanden. Het maakt grote indruk op de kleine Keith. Die andere wereld. Het echte leven. Vaak zit Keith alleen in een zelfgemaakte tent in de achtertuin. Wat zit hij daar toch zo in z'n eentje, vraagt zijn moeder Doris zich dan bezorgd af. Dromen over Roy Rogers.
De achterkant van het huis van de familie Richards grenst aan de achterkant van het huis van de Jaggers. Maar de jongens worden geen vrienden. Ze hebben elkaar niets te zeggen. Het zijn werelden apart.
Eva, dan nog niet de moeder van Mick, is een knappe, ambitieuze meid, die uitgaat met de stoerste jongens in de buurt, maar toch trouwt met de bedeesde gymleraar Joe. Joe is ambitieus. Hij wordt rector en ontpopt zich als dé Engelse expert op het gebied van basketbal, waarover hij zelfs een bestseller schrijft. De Jaggers verhuizen van een keurig rijtjeshuis naar een vrijstaande villa. Eva ontpopt zich tot superhuisvrouw met poetsdwang. Mick, de eerste zoon, krijgt alle aandacht. Als hij vier jaar is, krijgt hij met de kerst zijn broer Chris als cadeautje. Het talent van Mick voor sport en muziek wordt gestimuleerd. Chris is de boksbal van Mick. Mick begeleidt zichzelf op de gitaar als hij Spaanse liedjes zingt. Het klinkt alleen maar als Spaans, want de taal kent hij niet. Er is een foto uit 1953 van Mick en Chris op vakantie in Marbella. De broers dragen grote Mexicaanse hoeden. Mick speelt de gitaar en trekt een ondernemend gezicht. Mick en Chris. Chris en Mick. De verlegen lach van Chris en de geposeerde grimas van Mick.
BROERS. EN TOCH niet. Mick en Keith. Keith en Mick. Ik spoel de band terug. Zoom in. Stel scherp. Nog eens beleef ik alles als voor de eerste keer. Dat kan. In de popmuziek is alles net zo nieuw als je het hebben wilt. Ik zet Let It Bleed op en ik ben daar: de jaren zestig lopen op hun eind. 'Altamont’. Weer kruipt het duister omhoog. Weer speelt Ry Cooder die inventieve mandolinesolo op 'Love in Vain’ en giert de prachtige slide van Keith voorbij. Keith en Ry, het duo dat de Stones zal opfrissen als die pathetische Brian Jones eindelijk opmietert met z'n overbodige gefreak. Ja, denk ik, het kan, terugspoelen en de gebeurtenissen een klein beetje veranderen, zodat de Stones nog jaren een creatieve band blijven. Het is 1998 en The Rolling Stones maken met Ry Cooder nog steeds de muzikale voorhoede uit.
HET IS 1987. Ik interview Mick Jagger. Het is niet bedacht, het is echt waar. Het is in een hotelkamer bij Kensington Gardens, Londen. We hebben een uur. De tweede soloplaat van Mick heet Primitive Cool en gaat uitkomen. De Stones liggen op hun gat. Mick Jagger heeft een nieuwe Keith ingehuurd voor zijn soloplaten: Jeff Beck. Maar het wordt niets tussen Jeff en Mick. Altijd ruzie. Ook op dat moment. Het interview wordt uren uitgesteld vanwege ruzie. Het interview gaat misschien wel niet door. Dan gaat het toch door. Je merkt niets aan Mick. Hij is relaxed. Draagt een goor T-shirt. Is verschrikkelijk verkouden. Hij zegt: 'Doe maar rustig aan, jongen. We hebben alle tijd.’ Mick Jagger vraagt wat ik wil drinken, er is cola, er is ook wat sterkers. Ik zeg doe maar cola. Mick en ik.
Ik wil met Mick terugspoelen. Stel je voor, Mick. Het is 1971. Samen met Keith maak je die verschrikkelijk mooie Stones-plaat Exile on Main St. De chaos op dat majestueuze landgoed Nellc“te in het Zuid-Franse Villefranche-sur-Mer, waar Keith de Rolling Stones Mobile een zomer lang heeft geplaatst om een 'thuissituatie’ te creëren. Exile on Main St. is volgens velen en volgens mij de ultieme Stones-plaat. En het is vooral de plaat van Keith. Mick kwam alleen langs om in te zingen. Mick, jij, die tussen de warrige opnamen door op sjieke wijze trouwt met de adembenemende Bianca, die haar borsten haast bloot heeft hangen om de aandacht van haar zwangere buik af te leiden. Terwijl Keith je nog smeekt om niet met dat kakkineuze mens in zee te gaan die eruitziet als jouw vrouwelijke evenknie. Mick, het is dan net alsof je trouwt met je broer, weet je dat wel? De enige van de Stones die je uitnodigt op de bruiloft is Keith. En hij komt. Met zijn Anita een beetje achteraf, smoezelend over iets anders. Wat is dat met jullie?
Nellc“te, de drugs, de rondhangende dealers, de zichzelf uitnodigende freaks, Gram Parsons die bij Keith intrekt en zijn beste vriend wordt, waardoor jouw altijd sluimerende jaloezie ten opzichte van Keith weer gevoed wordt. (Weet je nog, in de goeie jaren met Brian toen die twee een hip geheim deelden waar jij buiten stond?) De kille oorlog tussen jouw vrouw Bianca en de vrouw van Keith, Anita, waar jij nog weer eens mee naar bed ging toen ze zo liep te schreeuwen dat Keith haar al in geen maanden had aangeraakt. De stapels drugs door het huis, de heroïneverslaving van bijna iedereen. Maar vooral van Keith. Zo high als hij was en zo bezeten tegelijk. Je groeiende behoefte aan een ordelijke manier van songs schrijven met Keith, terwijl Keith het liefst een dag met je in de studio wil doorbrengen om al hangend en gitaarstemmend vaag te zoeken naar een akkoord voor een middenstuk voor een nog niet bestaande song of zoiets. Of met het eindeloos herhalen van een riff die maar geen klinkende riff wil worden, in elk geval niet zo klinkend als die ene riff die op de nacht van 9 mei 1965 tot Keith komt in een droom: ’(I Can’t Get No) Satisfaction’. En met het zetten van een shot. Het drinken van nog maar weer een litertje Jack Daniels. Het nog maar weer eens een nachtje niet slapen. Want Keith slaapt zomaar wel eens negen dagen niet omdat er iets moet, gelooft hij dan. Een visioen. Heb jij dat wel eens, Mick, een visioen?
In werkelijkheid zegt Mick maar een paar nietszeggende dingen over The Rolling Stones in die hotelkamer. Hij zegt dat het best wel eens zo kan zijn dat The Rolling Stones weer wat gaan doen. Maar voorlopig gebeurt er dus niets. En daarom heet zijn nieuwe single 'Let’s Work’.
In werkelijkheid werkt Keith Richards zich op dat moment niet minder de benen uit het lijf om het gat te vullen dat door het wegvallen van de Stones is ontstaan. Eerst maakt hij een film met Chuck Berry. Dan neemt hij zijn eerste soloplaat op, Talk is Cheap. Die klinkt als een ruwe demotape die nog door Mick Jagger ingezongen moet worden. Terwijl de plaat van Mick alleen maar heel kaal naar werk klinkt. Vervolgens verkopen de soloplaten van Mick en Keith nog minder dan de slechtst verkopende Stones-plaat. Ze zijn niks zonder elkaar. Ze kunnen elkaar haten wat ze willen, maar samen moeten ze verder.
Mick en Keith. Keith en Mick.
Kijk naar de foto’s en je weet hoe het zit.
HET IS 1964. De Stones komen uit een bus in Amerika. Bill maakt een aantekening. Hij doet dat altijd. Hij wil alles onthouden. Vóór in het beeld Charlie. Hij glimlacht, maar er is als altijd een wand van glas tussen Charlie en de wereld. Brian ziet er in driedelig pak picobello uit. Hij kijkt geil uit zijn ogen. Hij is de mooiste Stone. Alle meisjes willen met Brian. Keith staat achter op de foto te lachen. Hij heeft de tijd van zijn leven. Deze groep, dit geluid, Amerika, mooier kan het niet. En Mick? Hij staat op de foto, maar valt niet op. Mick denkt: wacht maar, mijn tijd komt nog wel.
Het is 1968. In een platenstudio. De Stones nemen Beggars Banquet op. Mick is een enorme gestalte. Hij rookt een sigaret. Met zijn lange haar, afhangende jas en starende blik staat hij erbij als een magiër. Keith leunt tegen een muurtje, speelt gitaar, heeft een lachje en kijkt naar waar het geluid vandaan komt. Ze zijn begonnen met iets dat groter is dan hen allebei. Klassieke nummers. Klassieke platen. Beggars Banquet (1968). Let It Bleed (1969). Get Yer Ya-Ya’s Out (1970). Sticky Fingers (1971). Exile on Main St. (1972). Op de grond in een hoekje zit Brian. Brian heeft de grimas van een idioot. Hij weet: vroeger was het Mick en Keith en ik. Nu zijn het Keith en Mick. En ik kan nog geen nummer schrijven. Ik gebruik te veel drugs. Ik ben niks. Ik ga dood. Nog geen jaar later is hij dood. Hun nieuwe gitarist is Mick Taylor. Dat die er niet echt bijhoort zie je op alle foto’s. Maar met Mick Taylor beleven de Stones hun glorie. Een raadsel is het.
Het is 1974. Voor de Japanse markt wordt een plaat gemaakt met al eerder uitgebrachte nummers. Die plaat heet Discover Stones en daar hoort een foto bij. Bij de fotosessie is Bill er niet. Een onbekende man met een baard figureert voor Bill. Wat maakt het uit. Als Mick en Keith er maar op staan. Mick met een mal hoedje en een plastic grijns, Keith op apegapen tegen een decorstuk achterin.
HET IS 1976. De Stones poseren voor de hoes van hun lp Black and Blue. Het is de periode met Ron Wood waarin de Stones de Stones van toen gaan nadoen. De na-tijd. Maar niet voor Mick. Voor Keith is het de na-tijd. Voor Mick is het de nu-tijd. Op deze overdreven gestileerde foto worden, als in marmer uitgehakt, de machtsverhoudingen uitgedrukt. Voorin, in het midden en het meest naar voren, Mick. Hij kijkt je recht aan. Hij zegt: Hier ben ik en dit zijn mijn Rolling Stones. Keith, rechts van hem, is ook groot in beeld. Hij is stoned. Of dronken. Hij is er niet. Helemaal links, ook van zijaanzicht, Ron. Naar achteren, op hun plaats, Charlie en Bill. Verveelde arbeiders.
In de biografieën over Mick lees je bijna niets over Keith. Het gaat in die boeken over de jaloezie van Mick, de ambitie van Mick, over Mick en alle mooie jonge vrouwen in de wereld, Mick en het geld.
In de biografie over Keith gaat het over muziek, over heroïne, whisky. En over Mick dit, Mick dat.
Keith zegt in het openbaar woedende en verbaasde dingen over Mick.
Mick zegt in het openbaar nooit iets over Keith. Keith is zijn zaak niet. Hij moet Mick Jagger spelen en daar heeft een mens de handen vol aan. Hij weet zo ook wel dat Keith van hem houdt. Hij begrijpt dat best. Hij houdt zelf ook heel veel van Mick Jagger.
OVER TWINTIG JAAR staan Mick en Keith op een podium met een stuk of wat onbekende studiomuzikanten. Ze spelen The Rolling Stones. Mick rent als een gek heen en weer. Keith leeft nog.