Menno Hurenkamp

Mick moet aan het water

The Rolling Stones zijn in het land. Oud en grijs spelen de mannen voor volle stadions. Omdat het hartje zomer is, krijgt de flashmob van klagers die vinden dat ze moeten stoppen alle ruimte. The Stones zijn bejaard en rock-’n-roll is jeugdcultuur. Ouderen mogen zich daar niet mee bemoeien. Het tast volgens panische vijftigers de magie van vroeger aan. De LP Beggars Banquet als een met uitsterven bedreigde knoflookpad? Nou nee. Die zorg is schijn. Het gemopper is een geintje van de generatie van ’68, die nog altijd vindt dat hun tijd in alle opzichten uitzonderlijk was. (Ze hebben wakkere woordvoerders, onder anderen in de journalist Jan Tromp.)

Eerst de misverstanden op een rij. Dan de verklaring.

Een: stelt een ouwe man die moderne muziek maakt nog iets voor? «Beethoven, sodemieter op met die veel te harde negende symfonie, dove sukkel. Je snapt er niets meer van.» Je had mensen die het zeiden. Je hoort alleen nooit meer iets over ze. Twee: was de rock-’n-roll van de generatie ’68 als muziekstroming uniek? Nee. Alsof twintig jaar daarvoor geen onbegrijpelijke en van onaangepaste lieden vergeven jazz bestond. Alsof maatschappijkritiek door Crosby Stills Nash and Young de muziek in kwam en iedere gitarist voor hen Händels Water Music had zitten pielen. Alsof nadien de acid house de wezenloosheid niet tot voorbij het denkbare bracht. Drie: het waren door hun levensstijl uitzonderlijk heftige muzikanten. Ach. Keith Richards met zijn dope is Bambi vergeleken met een doorsnee Schiedamse vmbo’er die voor een dansfeestje van een midweek de Blijdorpse medicijnkist leeg peuzelt.

Tot zover de door de generatie van ’68 gewenste reactie. Zij roepen, iemand anders wordt boos. Hoera. Misschien ook wel verstandig, de trots op het instandhouden van je puberteit tot je zestigste. Want veel meer is er niet. De wereldverbeteraars die in de muziek gingen werden beroemd om hun vernieuwende platen — aan de omvangrijke muzikale erfenis van de jaren zestig valt ondanks bovenstaande niets af te dingen. De anderen gingen in de journalistiek of politiek. Ze bogen wel heel menselijk voor eerzucht en dictators. Houdbare ideeën die op hun jaren zestig zijn terug te leiden heeft de wereld bij nader inzien niet gekregen. Tenminste, als je het vergelijkt met het vrouwenkiesrecht uit 1917 of de gedoogpraktijken rond euthanasie en drugs uit de jaren tachtig (gerealiseerd door tolerante christenen). Wel onzin. Als George Bush nu zegt dat vervuiling het milieu niet schaadt, maar dat het vieze water en de smerige lucht dat doen, dan schudden we meesmuilend ons hoofd. Toen aanstormende linkse politici beweerden dat het in de DDR allemaal spic en span was, werd dat bloedserieus genomen.

Het is een bekend maar nog altijd pijnlijk eindsaldo. Pijnlijk ook dat ouders van de wereldverbeteraars en de kinderen van de wereldverbeteraars elkaar daarin de hand reiken. De idealisten staan alleen. Ze willen dat het afrekenen ophoudt. Mick Jagger moet niet van het podium omdat het gênant is hem te zien spelen, of omdat hij tegenwoordig rotzooi maakt. Mick Jagger moet van het podium omdat hij wél wat veranderd heeft. Het liefst zien ze hem in een grachtenpand, voorgeborchte der gewezen wereldverbeteraars. Hopend dat het dan stil wordt.