Microscopische doorsneden van de werkelijkheid

Hripsime Visser en Flip Bool, Emmy Andriesse (1914-1953). Focus Publishing, 136 blz., f95,-
NIET VER VAN Carpentras uit een auto gestapt, op zoek naar een eet- en ligplaats, schoot mij ongevraagd een ongeveer zestienjarig meisje te hulp. Het waren mijn eerste stappen in de Provence maar ik herkende haar onmiddellijk. Vrolijk wees zij de richting aan die ik had te volgen: een heuvel op en een heuvel af en achter die olijfbomen daar.

Het werd een warme, geurige wandeling door het boek De wereld van Van Gogh van Emmy Andriesse. Ook het mooie, jonge meisje was daaruit afkomstig, samen met andere portretten, die een wonder zijn van spontaniteit en weloverwogen gebruik van de fotografische ruimte. Bij elke hernieuwde confrontatie werd er nieuwe zeggingskracht aan toegevoegd.
Soms kreeg je het idee dat de reputatie van het werk van Emmy Andriesse nauwelijks verder reikte dan haar vakgenoten. Mocht je haar foto’s al ergens ter sprake brengen, dan volgde er slechts bij hoge uitzondering spontane instemming met de kwaliteit daarvan. Daar waren zieners voor nodig. Die tevens notie hadden van de toch vrij klein behuisde, direct naoorlogse fotografie in Nederland.
Waar te nemen aan het aantal bezoekers tijdens de opening van de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum blijkt, ruim veertig jaar na haar dood, dat haar stille faam toch is aangeslagen. Warme woorden van fotograaf Willem Diepraam, gefundeerde inleiding van conservator van het museum en mede-auteur van de juist verschenen monografie Hripsime Visser, en een vrolijk verhaal van Joost Elffers, zoon van Andriesse en grafisch ontwerper Dick Elffers.
DE BEWONDERAAR van het eerste uur keert terug naar de foto’s zelf die, door haarzelf afgedrukt, voor het eerst in zo groten getale bijeen zijn. Ze zijn nog meer Andriesse dan reprodukties in boeken en door anderen afgewerkte negatieven deden vermoeden. Het aanwezige concrete grijs werd, door haar leerling Ed van der Elsken, ‘modderig, nogal zwaar in de halftonen’ genoemd. Dat is even wennen, maar de beelden zelf zijn als ikonen bewaard gebleven. Vrouw met knotje en man met pet. Kleding van eenvoudige snit. Ze kijken naar rechts de foto uit. Man lijkt juist op dat moment over de muur te stappen. Je ziet alleen zijn rechterbeen, dat eroverheen hangt.
Maar zo zit het niet. Achter hem tegen een gepleisterde muur staan twee krukken, waaruit blijkt dat er sprake is van een eenbeni ge man die op de muur zit, zonder meer. Vrouwtje eveneens en profil staat voor de muur en maakt een gebaar dat haar rechtervuist precies voor haar neus doet uitkomen. Ze mimet een trompet waarop wordt geblazen. Wat ze deden en waarom was minder belangrijk dan dit, destijds titelloos doorkijkje; in de foto zag ik voor het eerst mensen gefotografeerd. Precies daar waar lukraak overgaat in midden in de roos. Bijna microscopische doorsnede van de werkelijkheid. Waar in het echt misschien een welluidende kop en een staart aan zitten, die op de foto gelukkig ontbreken.
SOMS LIJKT het alsof ze de eerste was in Nederland die mensen fotografeerde. Ontdekte dat gefotografeerde mensen bestonden. Waar andere fotografen op de loer lagen om de inspanning van arbeiders en de resultaten van arbeid vast te leggen, zag zij een le vend naakt of een piekerig straatkind. Ontdaan van sociaal onderschrift. Een luxe die de wereld zelf eigen is. De luxe die aan de dingen blijkt te kleven wanneer je ze zonder plichtmatige vergelijking of dogmatische beweegredenen tot je neemt.
Van al die bliksemsnelle ontmoetingen met mensen moet het resultaat tot het laatste moment worden afgewacht. Als een doelverdediger die tot het laatste noment zijn handen slap langs zijn lijf laat hangen. Omdat hij vanuit die positie alle kanten uitkan.
Emmy Andriesse wist dat er patronen in de lucht hangen, die de strapatsen tussen levende en/of dode materie onderling iets duidelijker maken. De foto die erover wordt gedrapeerd is opeens een 'ja, zo is het’ geworden. Het overbekende, alles wat iedereen kan zien zo gerangschikt dat, eenmaal binnen het kader van de foto, wat daarbuiten viel niet meer nodig is. Emmy Andriesse benadrukte bij haar leerlingen Ad Windig en Ed van der Elsken vooral de beheersing van het begrip 'stofuitdrukking’ en gaf ze tevens opdracht tot het arrangeren van stillevens die vervolgens met gebruikmaking van een platencamera met een negatiefformaat van negen bij twaalf of zelfs dertien bij achttien centimeter, moesten worden vastgelegd.
Het eerste lijkt overduidelijk: op een foto moet een overhemd er uitzien als een overhemd, haar als haar, huid als huid, en mogen die drie structuren niet verwisseld kunnen worden. Dat is niet in het belang van de duidelijkheid die hoog in het vaandel stond van de 'nieuwe’ fotografie. Kunnen zien wat het voorstelt, dat was de boodschap, geboren uit het exacte medium zelf.
Het fotograferen met de camera waarop op een groot matglas het beeld duidelijk kan worden gezien en door verschuiving van de voorwerpen een strikt bestuurde vlakverdeling ontstaat, was bedoeld om later bij het snel werken met een klein matglas ook bijna instinctmatig tot een zowel functionele als voor het oog aangename compositie te komen. Zo had zij het in haar studieperiode aan de Haagse Academie geleerd van Kiljan en Schuitema. Piet Zwart was er gastdocent.
EMMY ANDRIESSE liet ongeveer veertienduizend negatieven na, die zich bevinden in het Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit Leiden. Behalve het weergaloze boek dat ze maakte over Van Gogh, kwam een groot aantal van haar in de herinnering steeds weer opduikende foto’s tot stand in de verwoestende Amsterdamse hongerwinter. Ze slaagde erin in een enkel beeld - het jongetje met het lege pannetje op weg naar de gaarkeuken - voor meerdere generaties de verschrikking daarvan vast te leggen. Wat ook opvalt, is dat ze een bijzondere belangstelling had voor het armetierige en meer dan kapotte oorlogsschoeisel.
Het verbluffende is dat ikzelf, als kind van ongeveer acht jaar, daarbij aanwezig was. We speelden in de buurt van de Zwanenburgwal. Een vrouw, achteraf inderdaad met het silhouet van een dame, vroeg of zij de voeten van een van de spelende kinderen mocht fotograferen. We kregen een suikerklontje als beloning. Een versnapering waarvan ik het bestaan niet eens vermoedde. Dat moet Emmy Andriesse zijn geweest.
Tijdens de opening van de tentoonstelling in het Stedelijk vertelde Joost Elffers dat zijn moeder iemand was die een vriend of vriendin honderd gulden te leen vroeg om noodzakelijke boodschappen te bekostigen, om vervolgens dezelfde persoon de volgende dag het paar mooie schoenen te laten zien dat ze voor het geld had gekocht. Het klopt met de observatie van Benno Premsela, die zei: 'Emmy was de best geklede vrouw van Amsterdam.’ Van der Elsken merkte ooit op dat ze een voorliefde had voor 'droevig-achtige’ dingen. Daar zou je wellicht ook haar beroemde foto van een danseres onder moeten rekenen. De foto van vijf zeebaarzen en misschien zelfs het portret van Juliette Greco. Bij het danseresje is het 'modderige’ slechts onderbroken door twee kleine accoladen terzijde van haar hals schijnend licht te vangen. Dichterbij is het imaginaire het werkelijke zelden genaderd.