Middelbare treurnis voor kinderen

IN MIJN BOEKENKAST staan bijna honderd bundeltjes met gedichten en versjes voor kinderen. Maar vier daarvan zijn uitgegeven als een ‘echte’ poeziebundel: kale, streng ingedeelde bladzijden, met veel wit en zonder plaatjes. Alle andere zijn geillustreerd, van de aan bakerrijmen verwante gedichtjes van Ienne Biemans tot en met de voor jongeren bedoelde serie De Zonnewijzer. Jonge kinderen verwachten plaatjes in ieder boek. Het lezen van al die letters is immers een hele klus, waarbij je wel wat visuele ondersteuning kunt gebruiken. Naarmate de leeftijd van de lezers vordert, worden bij verhalen de tekeningen schaarser, tot ze in de jeugdroman geheel zijn verdwenen. Bij poezie ligt dat anders. Daar blijft lezen blijkbaar een klus.

DE NIEUWSTE bundel van Wiel Kusters, Een beroemde drummer, is zelfs zo ver doorgeschoten dat de eigenlijke dichter Joep Bertrams is. Die tovert elke pagina om in een streng georganiseerde, surrealistische chaos en speelt geestige, Escher-achtige spelletjes met de ruimte. Zijn aanpak is min of meer dichterlijk. In zijn werk plaatst hij vaak visuele flarden en associaties in een fraaie compositie bijeen en het is aan de ‘lezer’ om daarin samenhang en betekenis te vinden.
Deze keer draait het net als in de tekstjes van Kusters allemaal om de seizoenen en de maanden van het jaar. Alles beweegt, valt en vliegt. Het jaar wordt in een Hollandse windvlaag van januari naar december geblazen. Superieur is de prent voor de meimaand, waarop moeder vogel laveloos in een leunstoel hangt met een kop thee, terwijl pa met een gigantisch ei op zijn rug door het luchtruim zwoegt. De prachtige kleurstelling in enigszins bestorven blauw- groen, roest en oker wekt vooral een herfstgevoel, waarin alleen de knalrode schutbladen detoneren.
Wiel Kusters’ aandeel in dit poetisch prentenboek is minimaal: 'Het is zo stil soms in april, dat ik keihard fluisteren wil: “Waarom is het in april zo allemachtig stil?” ’ En dat plaatsen we dan in drie 'strofen’, keurig ingekaderd op Bertrams’ dubbele pagina… Ooit schreef Kusters in Salamanders vangen (1985) en Het veterdiploma (1987) verrassende poezie voor de beginnende gedichtenlezer. Daar is in deze flinterdunne schrijfsels weinig van terug te vinden.
LEENDERT WITVLIET richt zich met Vogeltjes op je hoofd (1980), Sterrekers (1984) en Misschien heet ze niet Suzan (1989) op lezers vanaf een jaar of elf. Een keuze hieruit is nu met een aantal niet eerder gepubliceerde gedichten gebundeld in In zomers. Marit Tornqvist maakte er met haar fijne pennetje en wazige potlood fraaie zwart-wittekeningen bij, die de sfeer in Witvliets verzen versterken.
Die sfeer is er vooral een van herinneringen met een vleugje weemoed, van de verstilde zomeravond uit het titelgedicht: 'De avonden, lachende zomer/ als vaders en moeders/ verstandig stonden te praten/ in de tuinen, ernstig, geheim/ licht lag tussen de violen.’ Het gaat over wat iedereen kan zien of meemaken en waar al vaker over is gedicht: over de rivier 'die van ver komt en heldere, lange verhalen vertelt’, over de dood van een hond, 'dat is een groot, zwart gat in december’, en over lezen op een winterdag: 'het sneeuwt - het dooit al in het boek - helden worden oud/ jaren vliegen om/ met het omslaan van een blad’.
Soms is het me iets te veel middelbare treurnis voor een jong publiek, zoals in de overpeinzing bij veertig oude kereltjes op een foto uit negentienhonderd of bij de regenachtige badplaats, waar uitsluitend bejaarden rondschuifelen. Daar staat dan weer een kinderlijke, maar mooie klassieke vergelijking tegenover: 'Zoals een reus die gaat liggen/ een deken over zich trekt/ zo trekt de avond/ het donker van oost naar west’, of een komische gedachtengang tijdens een van onze zeldzame warme zomers: 'Ik heb altijd zin/ om op een hete zomerdag die brandt/ op blote voeten/ op Antartica/ de koele pinguins te begroeten.’ Zonder moeilijke woorden of beelden schrijft Witvliet een soort poezie die in zijn evocatieve eenvoud heel geschikt lijkt om niet-geoefende lezers vertrouwd te maken met de ongewone taalverrichtingen van de dichter.
EEN ANDERE auteur die al jaren in de weer is om jongeren (vanaf een jaar of twaalf) voor de poezie te winnen, is Ted van Lieshout. Hij is zowel dichter als tekenaar en hij debuteerde in De Blauw Geruite Kiel, de voormalige kinderkrant van Vrij Nederland. Een eerste bundeling verscheen in 1986 onder de intrigerende titel Van verdriet kun je grappige hoedjes vouwen. De zesde en nieuwste bundel, Begin een torentje van niks, ziet er opvallend verzorgd uit. Van Lieshouts uitbundige hand lijkt enigszins tot rust gekomen. Zijn harde, grillige lijntekeningen zijn in zacht oranje- bruin op iets getint papier afgedrukt. Een aandoenlijke, groothoofdige figuur dartelt over de pagina’s. Hij is ongetwijfeld de ik-figuur uit veel van de gedichten, die zich met een grote mond en een klein hart een weg zoekt door het niet eenvoudige bestaan.
Over de poezie zelf zijn mijn gevoelens gemengd. Terugkerend onderwerp is het gemis van de vroeg overleden vader, wat resulteert in enigszins laconieke, maar indringende verzen, over een verlaten kind dat niet alleen met zijn treurigheid en woede, maar ook met zijn liefde nergens meer heen kan. 'Vaders gaan dood, dat is nu eenmaal zo. Ze vlijen zich in een kist, krijgen een nooit gedragen pyjama aan en luisteren niet naar wat ik zeg.’ Bij de eerste woordjes van de ik-figuur was vader niet onder de indruk. Hij gaf de raad om eerst maar eens te oefenen op een bescheiden bruggetje of een klein huisje: 'Begin een torentje van niks, vind uit hoe dat moet, dan zien we wel of het al iets is.’ Met ingehouden trots wordt later het bouwsel van woorden aan de afwezige ter goedkeuring opgedragen: 'Ik bouwde woord voor woord deze toren, voegde steen voor steen dit gedicht, schreef in twintig regels voor ons een huisje om in te wonen.’
Mooi wordt de worsteling van een opgroeiend mens gespiegeld aan de stilstand van een oude grootvader: 'Hij wil van de zon alleen de schaduw en mij in de verte moeite zien doen om te groeien.’ Die moeite om te groeien bepaalt een andere en vaak overheersende kant van Van Lieshouts werk, waarin het wemelt van de verongelijkte jongetjes, vol onbegrepen (seksuele) verlangens. In een soort poezie van de gebiedende wijs wil de ik onophoudelijk worden gezien: 'Kijk mij aan - zie dit gezicht - weet dat ook ik er ben - zie mij nou toch hulpeloos afgedreven - kijk toch hoe ik bij gym sierlijk haasje-over spring.’ De toon krijgt hierdoor iets zeurderigs en melodramatisch, zoals in de vergelijking met de brandnetel, die in leven blijft naast de vaas met afstervende snijbloemen - 'Het mindere blijft onberoerd en overleeft, zoals ik’ - en de taal klinkt gemaniereerd en quasi-poetisch: 'Schoonheid lonkt zich de handen van mensen in (die snijbloemen)’. Misschien zou het interessant zijn om uit de gedichten van de afgelopen tien jaar een selectie te maken die inhoudelijk net zo evenwichtig en bescheiden is als Begin een torentje van niks eruitziet.
IN DIT IS HET BOS, verdwaal hier maar van de Vlaming Willy van Doorselaer staan alleen een paar vignetjes: de woorden moeten het op eigen kracht doen. Overigens lijkt het me geen uitgemaakte zaak dat deze poezie speciaal voor jongeren is, zoals ook Van Doorselaers jeugdroman Ik heet Kasper (1993) thuis hoort in het overgangsgebied tussen volwassen en aankomend volwassen lezers. De flaptekst zou goed van de auteur zelf kunnen zijn: 'Wat men ook zegt over de kindertijd, dat hij gelukkig of verdrietig was, men zegt het als hij voorbij is. (…) Dichters zijn ruiters die bij voorkeur omgekeerd op hun paard zitten.’
Deze dichter zit in elk geval veel achterstevoren en laat de lezer delen in de schijnbaar willekeurig opborrelende beelden uit zijn jeugd: zeven hoog uit het raam plassen, het vermoeden van meisjesachtige welvingen onder het pak van Zwarte Piet, het naspelen van Klein Duimpje. 'Dit is het bos, zei vader, verdwaal hier maar.’ Wanneer Duimpje en de zijnen de weg naar huis - het fietsenhok - hebben teruggevonden, blijken de ouders daar druk in de weer: 'Ze stonden bij elkaar/ en oefenden de tongzoen in/ Dat was, vanwege beugels,/ noeste arbeid.’
Zo'n onverwachte, wakker houdende slotzin komt regelmatig voor in Van Doorselaers verzen, die doen denken aan piepkleine, precies en liefdevol vertelde verhalen over vroeger. Verwarrend is dat daarin steeds sprake is van wij, maar dat in de laatste afdeling van negen gedichten plotseling een sprong in de tijd is gemaakt, zoals blijkt uit de radicaal veranderde toon: 'We moesten voor die teef van Nederlands een schrijver interviewen.’ Van deze 'wij’ maakt de auteur niet wezenlijk deel uit. Hij hoort in de daarvoor opgeroepen wereld van tollen, hinkelen en mieren observeren. Alleen wanneer hij daarover verhaalt is hij geloofwaardig. En om een dichter te waarderen moet je hem toch minimaal kunnen geloven.