Middenmootmuziek

De democratisering van het concertleven, zo zou je tien jaar Robeco Zomerconcerten in het Amsterdamse Concertgebouw kunnen beschouwen. Goedkope toegangskaartjes, toegankelijke muziek en - door de toeloop van toeristen en non-habitués - een wat informelere sfeer dan gebruikelijk. De cijfers liegen er niet om: het aantal concerten groeide van negentien in 1989 tot vijftig vorig jaar, terwijl het aantal bezoekers haast verviervoudigde van een krappe 23.000 in 1989 tot 80.000 in 1997. Dit seizoen bevat de concertserie zestig concerten en worden er weer meer bezoekers verwacht.

De Zomerconcerten voorzien onmiskenbaar in een behoefte. Toch kun je je afvragen wat die behoefte precies is. Een avondje uit? Een voorzichtige teen in het klassieke water? Een sfeervol etentje in de Spiegelzaal? Een beroemd gebouw bekijken? Een chic sponsoravondje? Er zijn veel motieven te bedenken, maar een puur muzikaal argument zal nooit op de eerste plaats staan. Om te beginnen vanwege het monopolie van het ijzeren repertoire. Het hart van de programmering deze zomer wordt gevormd door een Mozart-, Bach- en Beethoven-festival. Daarnaast is rijkelijk uit het repertoire van de achttiende tot begin twintigste eeuw geput. De zestig concerten (ongeveer tweehonderd composities) tellen om precies te zijn drie stukken van nog levende componisten: Theo Loevendie, Sofia Goebaidoelina en de Belgische Luc Breways (met Fasten seat belts - Nightmare for orchestra). Muzikaal avontuur is niet de inzet.
Hoewel er ook dit jaar weer veel talent aantreedt (Isabelle van Keulen, Melvyn Tan, Charlotte Margiono) bevindt zich onder de uitvoerenden ook een aanzienlijke subtop, die de standaard van de overbekende muziek maar nauwelijks staande kan houden. Het feestelijke openingsconcert vorige week woensdag was daar een goede illustratie van. Het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Hans Vonk speelde liederen uit Des Knaben Wunderhorn van Mahler en Ein Heldenleben van Richard Strauss.
Dit laatste werk kreeg in handen van het orkest een kleurrijke en levendige vertolking. De gecompliceerde partituur leent zich daar ook uitstekend toe. De extremen reiken van een uiterst verstilde vioolsolo tot een waar orkestraal pandemonium, waarbij de grote trom de zaal op zijn grondvesten doet schudden. Het hoofdpersonage in deze programma-muziek pur sang wordt verbeeld door jubelende violen en een heroïsch schallend orkest. Maar onze held kent ook momenten van vermoeidheid (zuchtende celli) en twijfel (onbestemd kleurende altviolen).
Zo stralend als het orkest Strauss’ symfonische gedicht neerzette, zo bleek staken de Mahler-liederen daar bij af. Van de drie partners in de uitvoering was het wederom het orkest dat het best uit de verf kwam. Gepokt en gemazeld in de Mahler-symfonieën (die het Radio Fil drie jaar geleden op cd vastlegde) klonken er uit het orkest de prachtigste kleuren, soepele wendingen en vederlichte ritmes. De stemmen trokken echter op geen enkele manier de aandacht. Pas op het eind leek de mezzosopraan Jeanne Piland op dreef te komen en mengde haar stem af en toe vloeiend met het orkest. Meestentijds echter bleven beide stemmen - daarnaast de bariton Jochen Kupfer - als olie op het water drijven. Wie eenmaal weet hoe een goede Mahler-zanger een ware betovering teweeg kan brengen, wordt niet warm of koud van een matte uitvoering als deze.
Dat is de keerzijde van een goedkope, op de grote middenmoot gerichte aanpak. De Centerparcs van het muziekleven - zo kun je de Robeco Zomerconcerten ook zien.

  • Bloed, sperma en zwarte verf vormen de ingrediënten van de grimmige liefdesgeschiedenis tussen Rosa en Esmeralda, een anti-opera met muziek van Louis Andriessen en in een enscenering van Peter Greenaway. Rosa moet het met de dood bekopen. Omdat hij zijn vrouw als eenpaard behandelt? Of omdat hij een middelmatig componist is? Rosa staat t/m 14 juli in het Amsterdams Muziektheater. Op 8 en 9 juli geeft Andriessen een inleiding, op 12 en 13 juli Greenaway, beide om 18.30 uur.