Menno Hurenkamp

Middenstand

Wat volgt is een moraalloze vertelling uit de Achterhoek. Ik ging naar de kapper, vroeg het meisje de tondeuse op een korte stand te gebruiken en hield verder mijn mond. «Net Pim Fortuyn», bromde ik toen ze bijna klaar was. De kapster overwoog dat ze haar geld nog niet binnen had. Of misschien was ze een risicomijdend type. In ieder geval besloot ze zich niet tot politiek te laten verleiden. «Hij heeft goede dingen en ook slechte dingen, denk ik», antwoordde ze neutraal.

Direct schoot Freek de Jonge door mijn hoofd, die begin jaren tachtig zijn bakker onderbrak met de uitroep: «Wat nou: jij denkt?!? Ik dénk! Jij bákt! Als de MIDDENstand gaat NÁDENKEN, staan we binnen de kortste keren weer allemaal zó op de stoep!» (De Jonge strekte zijn rechterarm recht vooruit in een hoek van 45 graden.)

De kapster had natuurlijk moeten zeggen: «Maar meneer, u heeft veel meer haar dan die kale idioot.» Uit wraak wees ik, onder de kappersmantel door, op een muur aan de overkant. Een restant Saksisch vakwerk (als dat bestaat) uit de zeventiende eeuw, verweerde eiken diagonalen met daartussen rode baksteen. «Zie je die muur? Mooi hè?» vroeg ik haar. Ze knikte, maar half begrijpend waar ik heen wilde.

«Toen ik klein was, was dit hele dorp zo origineel», vervolgde ik. «Maar iemand heeft het allemaal vervangen door deze nieuwbouw in Blokkerstijl.» Waarbij ik in een ruim armgebaar ook de kapsalon meenam.

«In de bewoonde wereld word je voor zoiets doodgeschoten, maar hier maken ze je burgemeester», voegde ik toe, heel overbodig en leugenachtig bovendien. In stilte maakten we de rekening op.

When in doubt, shop. Vol chagrijn over de samenzwering tussen winkeliers en de vooruitgang belandde ik in een sportzaak. De ogen van mijn gezelschap vielen op een stel roze gympen. Daar gaan we weer, dacht ik toen een verkoopster op ons af stapte. Deze bleek niet uit kappershout gesneden. «Tja», zei het meisje over de schoenen waarin wij interesse toonden, «ik vind ze niet echt mooi. Ze zijn eigenlijk best lelijk.»

Het leek me geen verkooptruc. De schoenenhandelaarster had meer in petto. Om zeker te stellen dat de koop afketste, verklapte ze dat de schoenen uit de collectie van de voetballende tweeling Ronald en Frank de Boer kwamen. Geen jongens die je een buiten de walm van de frituur strekkende smaak toedicht, dat vond ze zelf eigenlijk ook wel.

Ik zei mijn aarzelende winkelpartner dat ze die gympen vooral moest kopen. Ze gingen immers vast een paar jaar mee en dan waren die honderd euro helemáál geen weggegooid geld.

Daarop repliceerde het meisje blijmoedig dat meerjarig gebruik van deze kostbare synthetische lapjes uitgesloten was. «Na één zomer zijn ze zeker helemaal versleten. En totaal uit de mode.» En dat was niet alles. «Binnen drie maanden stinken die dingen zo dat je ze niet wilt bewaren. Bij mij tenminste wel», lachte ze ons openhartig toe. Ze kneep om de kracht van haar eigen voetengeur te illustreren haar neus op én dicht.

Die schoenen waren in de tas. Gerust gesteld over al mijn vooroordelen ben ik die avond voor het eerst sinds jaren naar de paaswake gegaan.