Groen

Midzomernacht

Aan de etenstafel zat de Finse aanwezige te vertellen. ‘In de kortste nacht gaan de Finnen, al dan niet bloot, het weiland in en sommigen plukken daar zeven verschillende bloemen. Die leggen ze onder hun kussen en die nacht – als ze tenminste ooit in bed geraken – zullen ze dromen van hun toekomstige geliefde.’ Ik zei niks, hoewel ik Arto Paasilinna gelezen heb en weet dat er na die langste dag ook aardig wat Finnen aan een touw eindigen. De oudste aanwezige, dik boven de negentig, zei: ‘Wat?’ Het werd haar nog eens verteld. Haar ogen begonnen te twinkelen. ‘Maar eerst wil ik nog een stuk taart!’ riep ze. Dat kreeg ze, en toen het op was vertrouwde ze me toe: ‘Zo, dat hebben we maar weer binnen.’
Ik kwam iets later op het land aan, omdat ik niet wist in welk weiland geplukt zou worden en omdat ik een van de twee Iraanse aanwezigen meenam, met wie ik niet kon praten, en gebarentaal het lopen nogal hindert. Ze was voor de eerste keer van haar leven weg uit Teheran en dan meteen midden in Noord-Holland in zo’n exotisch bloemenverhaal belanden, terwijl in haar achterhoofd oproer, intimidatie, dood en verderf speelden. Ze plukte één bloem, ik zag het uit een ooghoek, en dacht bij mezelf: ze is geheel en al tevreden met haar huidige geliefde of zit nogal onder de plak. ‘Wat lief dat je mijn zuster meegenomen hebt!’ zei de Iraanse vrouw die hier al dertien jaar woont.
Daarna vertrokken de bloemenpluksters, en ik, als enige man, bleef alleen achter om mijn zeven bloemen te verzamelen. Wikke, klaver, boterbloem, zuring, koolzaad, wilde margriet en distel. Misschien had ik voor die laatste een andere moeten kiezen, want nadat ik de bloemen onder mijn kussen had gelegd, deed ik die nacht geen oog dicht, zweette, woelde, draaide. Ik zal vast even gedroomd hebben, maar ’s ochtends stond ik onuitgeslapen op en zweemde me geen enkele toekomstige geliefde voor ogen. In plaats daarvan zag ik de oude vrouw met smaak een stuk taart wegwerken. Dat beeld beurde me onmiddellijk op.