Mieke vestdijk

Een ‘weduwentrut’ met een ‘dienstbodencomplex’ die haar arme man om zeep hielp met haar ‘getuntel’. Vleiend zijn ze niet, de beschrijvingen die Vestdijks laatste levenspartner na diens dood te horen kreeg. Terwijl ze het zo goed meent, Mieke Vestdijk-van der Hoeven.
JEROEN BROUWERS noemde haar twaalf jaar geleden ‘die weduwetrut’, een vrouw die haar bejaarde echtgenoot ‘met haar getuntel en haar kindjes’ het graf in zou hebben gesard. Was de Kluizenaar van Doorn inderdaad niet ‘zo'n erotische man’ geweest? ‘God zal mij bewaren!’ commentarieerde Brouwers. ‘Hij zal in arren moede zijn pik ten slotte liever in haar hebben gestopt dan in een rol prikkeldraad - veel te kiezen had die vereenzaamde man ook niet meer. Het eerste jengelende rotkind dat er van kwam sloot hij op in een ingebouwde gangkast om het niet te hoeven horen. Van mij had hij dat jong en haar erbij met een gloeiende strijkbout mogen grillen.’

Hij sprak over Simon Vestdijk (1898- 1971) en diens veertig jaar jongere echtgenote mr. A. C. M. (Mieke) Vestdijk-van der Hoeven.
In de luttele vijf jaar huwelijk die hen nog beschoren waren, las hij haar zijn gehele, omvangrijke oeuvre voor. Het meeste plezier beleefden zij aan het diabolische Meneer Vissers hellevaart (1936). Het aangrijpendst was andermaal De koperen tuin (1950) met de tragische zelfmoord van Trix, de hooghartige dochter van de Friese musicus Cuperus.
‘Als het mag zou ik graag nog iets heel leuks vertellen’, zei Mieke Vestdijk in een vraaggesprek. 'In het Prinsenpark in Leeuwarden is een etablissement gekomen dat De Koperen Tuin heet. Een salon-cafe. Ik heb het in augustus mogen openen. Ja, enig, he`?’
De bronzen kop van Vestdijk, door Mieke Vestdijk in bruikleen gegeven, wordt echter binnenkort uit De Koperen Tuin weggehaald. Want er is inmiddels bonje tussen de weduwe en de uitbater ontstaan, die - voor zover te overzien - samenhangt met een gebrek aan eerbied en/of met de frequentie waarmee Mieke Vestdijk naar de Prinsetuin pelgrimeerde en/of met de dalende kwaliteit van de daar geserveerde kalfsvleeskroketten. Enfin, het viel in grote trekken te lezen in de Gemengde Berichten en was 'eigenljk heel triest, allemaal’, zoals de weduwe verzuchtte.
ZIJ WAS EEN dorpsgenote van de schrijver en mocht, als jonge meid, oom Simon zeggen, tot zij door Ans Koster, ’s schrijvers officieuze levensgezel, de deur uit werd gekeken. Inmiddels had Vestdijk haar in zijn Het glinsterend pantser (1956) een plaats in de literatuurgeschiedenis gegarandeerd: 'Adri Duprez, 16, eigengereid, wild, allemachtig lelijk, helemaal niet lelijk, mooi, naief, loszinnig, blikken (die konden zijn) als moorddolken.’ In 1965, na het overlijden van mevrouw Koster, bezocht zij de villa in de Torenlaan andermaal. Daar trof zij een sterk verwaarloosde man, die blikvoedsel at en zijn vuile ondergoed door het huis liet slingeren. Zij trouwden in december van hetzelfde jaar.
Bibeb (Vrij Nederland) heeft huize Vestdijk drie maal bezocht. De eerste keer was in 1960. Ans Koster leefde nog en Simon Vestdijk vond erotiek toen nog 'zeer belangrijk’. Hij spiegelde zich, zei hij, aan Goethe: 'Die leefde nou wel niet bandeloos, maar hij had toch intensief contact met een meisje van achttien. Hij wou haar trouwen. Maar ze zei nee en na die weigering schreef Goethe in de postkoets naar huis een van z'n mooiste gedichten.’
De tweede keer was in 1968. Nu werd de thee door Mieke Vestdijk geserveerd, die 'ja’ had gezegd. Dickje was twee, Annemieke was net geboren en als zij veel herrie maakten, zette de geluidsgevoelige schrijver in zijn werkkamer een stofzuiger aan. ’ ’t Zijn kleine misdadigers, die katten pesten, met vorken en messen gooien.’
De derde keer was in 1990. Dick studeerde inmiddels sterrenkunde, Annemieke studeerde muziekwetenschappen en Mieke had de villa heringericht. Zij opereerde al bijna twee decennia als Hoedster van de Graal, waarbij zij merkwaardigerwijze vooral de vermeende bondgenoten op haar weg vond. Het was de Vestdijkkring, een zowel zeergeleerd als diepgelovig gezelschap, dat alles van en over de schrijver wenste te weten, tot en met de tint van de teennagel waarmee hij in het najaar van 1914 de kuiten van Ina Damman heeft beroerd. 'Een stelletje fans die zich via Simon omhoog willen hijsen’, sprak Mieke Vestdijk. 'Iemand hield een lezing over Simon, sprak over zijn dienstbodencomplex. Ik ben weggegaan. Ik ging uit weerzin tegen het gebrek aan beschaving. Wat is dat: een dienstbodencomplex. Een dienstbode, dat staat toch voor vrouwelijkheid, zorgzaamheid, liefde?’
HAAR IJVEREN om de artistieke en intellectuele nalatenschap van haar echtgenoot - inclusief de discussie over de kwaliteit van de kalfsvleeskroketten in De Koperen Tuin - hebben Mieke Vestdijk tot het prototype van de kunstenaarsweduwe gemaakt. Die is over het algemeen niet populair. De kunstenaarsweduwe slaapt in en staat op met het rode potlood achter haar oortjes. Daarmee schrapt zij elke verwijzing naar mogelijke buitenechtelijke verhoudingen of vergelijkbaar wangedrag uit de biografieen. Het gaat haar niet om geld, het gaat haar erom dat zij altijd, eigenlijk al veertig jaar voor haar geboorte, de eerste en de enige is geweest.
Wat waren zij lastig, de weduwe Orwell, de weduwe Tucholsky, de weduwe Vian, de weduwe Van Randwijk en de weduwe Achterberg! Zij zaten met hun onbestorven achterwerk op de documenten en weerden zich vrouwmoedig tegen de boze buitenwereld. Jammer (dachten de biografen) dat zij met alle geweld hun echtgenoot wensten te overleven. 'Wees maar niet blij, het is iets onschuldigs’, zei de weduwe Achterberg tegen Wim Hazeu, de biograaf van de dichter, even voordat zij voor nader onderzoek naar het ziekenhuis ging. 'Kill the widow’, sprak Wam de Moor, sprekend over de biografische problemen, terwijl de weduwe Vestdijk op de eerste rij zat. Het was maar een grapje, zei hij, toen hij na afloop door haar ter verantwoording werd geroepen. Maar Mieke Vestdijk wist wel beter.
Zij stond centraal in het belangrijkste weduwenconflict van de laatste jaren. Het betreft haar botsing met dr. H. J. Visser, chemicus te Maassluis, die zijn astronomisch grote collectie vestdijkiana in de eerste, grote Vestdijkbiografie wenste te vertalen. Het leidde tot wat onder biografen tegenwoordig een 'beverbiografie’ wordt genoemd, een boek waarin de lezer geen detail wordt bespaard, ook niet het feit dat op die zonovergoten dag te Tiel te veel brommers door de dorpsstraat knalden, terwijl de pannekoeken in het dorpscafe niet goed gaar waren geweest.
Stilistisch was het boek ook niet al te sterk. Mieke Vestdijk wilde, schreef Visser, alvorens zij bij Vestdijk introk, de garantie van een boterbriefje, een auto en kinderen. 'Voor dat laatste zou later Willem Brakman worden ingeschakeld.’ Wat de biograaf daarmee mag hebben bedoeld? Ongetwijfeld dat Brakman, evenals Vestdijk zowel schrijver als arts, zijn vakgenoot medisch advies heeft gegeven. Of heeft Visser ons willen zeggen dat Brakman, Vestdijks huisvriend, in de wetenschap dat de energie van de aanstaande echtgenoot (67) tanende was…? En stel dat dit inderdaad het geval is geweest? Gaat het ons eigenlijk iets aan?
Vissers Vestdijkboek is vernietigend besproken, vaak met de bezeerdheid van de ware gelovigen, die ook van een goede biografie geen spaan heel hadden gelaten. Maar discreet is Vestdijks overijverige biograaf inderdaad niet. De aanstaande weduwe, meldde hij, had de rouwkaarten al geschreven op het moment dat haar man nog in leven was. Vestdijk, beweerde hij, was op zijn beurt zo ontredderd over de deplorabele staat van zijn gezondheid dat hij op het ziekbed overwoog zijn huwelijk te laten ontbinden.
Het zijn uit de vierde hand overgelever de pikanterieen die de alleswillenwetende leden van de Vestdijkkring ongetwijfeld in verrukking hebben gebracht. Maar anderen zullen dit soort mededelingen (waarvan de authenticiteit trouwens omstreden is) met een zekere bevangenheid hebben gelezen. Het zijn immers van die typisch irrelevante feiten en feitjes, die voornamelijk onaangenaam voor de weduwe en de andere nabestaanden zijn en die niets bijdragen tot een beter begrip van leven en werk van de overledene.
ZIJ OOGT, VIA de vraaggesprekken, wat tuttig, met haar twinset en haar recht-toe- recht-aan geknipte kapsel. De grote muzikale hartstochten van haar man waren Bruckner en Mahler. Zelf is zij meer op barok - 'dat komt doordat ik zelf blokfluit speel’. Het leven met een man die hele weken in een verduisterde zijkamer lag te somberen, moet uitzonderlijk zwaar zijn geweest. Ja, na zijn overlijden bleek zij een lastig mens te zijn: voor de Vestdijkvlooien die geen grenzen kenden. Ondertussen stimuleerde zij de heruitgave van de romans, stelde zij een bundel poezie samen, bezorgde zij een boek over de opera Merlijn en schreef zij een deelbiografie over Vestdijks laatste jaren. Haar credo staat op de laatste bladzijde: 'Laat mij me maar bezighouden met een goede verzorging van de diverse uitgaven en de bevordering van de bekendheid van Simons werk.’
Dat klinkt misschien wat braafjes en burgerlijk, maar het is waarachtig niet de taal van een 'weduwentrut’ met een 'dienstbodencomplex’. Het zijn daarentegen de woorden van een vrouw die besloten heeft een artistieke erfenis zo gewetensvol mogelijk te beheren, niet meer en niet minder.
Daarom, zo heeft zij laten weten, verhuist de bronzen kop van wijlen haar echtgenoot binnenkort van eetcafe De Koperen Tuin te Leeuwarden naar boekhandel De Koperen Tuin te Goes.