15 februari 1909 - 11 januari 2010

Miep Gies

Miep Gies nam de verantwoordelijkheid op zich voor de hulp aan de familie Frank toen die moest onderduiken. Als de helden weer terug moeten, dan is zij er een. Een echte.

‘IN DE VIJFTIG JAAR sinds het verschijnen van Anne Franks dagboek’, schreef Miep Gies, 'werd mij steeds weer gevraagd waar ik de moed vandaan haalde om de familie Frank te helpen. Die vraag, soms met bewondering, soms met wantrouwen gesteld, heeft me altijd onaangenaam getroffen. Ja, natuurlijk heb je soms moed nodig om je menselijke plicht te doen, natuurlijk moet je bereid zijn bepaalde offers te brengen.’
Het is Miep Gies, de vrouw die wereldberoemd werd als helpster van de ondergedoken familie Frank en redster van Anne’s dagboek, ten voeten uit. Toen zij vorige week op honderdjarige leeftijd overleed, was dat wereldnieuws. Er verschenen uitgebreide in memoriams van haar in kranten van de Verenigde Staten tot Japan, van Duitsland tot Nieuw-Zeeland; de Israëlische president Shimon Peres stuurde een condoleancebrief aan koningin Beatrix - 'Ik buig mijn hoofd uit diep respect’ - en overal werd aangehaald dat ze de Yad Vashem-medaille had gekregen en het Bundesverdienstkreuz en een Nederlandse ridderorde. Maar bij leven was Miep Gies altijd stellig geweest: ze was geen held. 'Ik ben geen held’, schreef ze ook in haar memoires.
Gies werkte vanaf 1933 bij Opekta, de firma van Otto Frank, gespecialiseerd in pectine, een middeltje om thuis jam te kunnen maken. Toen Frank haar in het voorjaar van 1942 bij zich riep en haar vroeg of zij verantwoordelijk wilde zijn voor de hulp als de familie onderdook in het achterhuis, aarzelde ze geen moment. 'Ja, natuurlijk’, antwoordde ze, zonder ook maar even verder te vragen. Wat de verantwoordelijkheid inhield, beschrijft Melissa Müller met de nodige pathetiek in haar biografie van Anne Frank. 'Verantwoordelijkheid op je nemen, dat betekende boodschappen doen, voedsel bemachtigen op een markt waar levensmiddelen krap waren. Verantwoordelijkheid op je nemen betekende dat je er altijd moest zijn wanneer de onderduikers je nodig hadden en tegen niemand - nooit ofte nimmer - ook maar iets daarover zeggen. Verantwoordelijkheid betekende dat je een geheim koesterde waarbij het om leven en dood kon gaan.’
Miep Gies was de life line van de onderduikers. Ze bracht ’s ochtends als eerste een bezoek aan hen, nam de boodschappenlijstjes op en bracht ze op de hoogte van het laatste nieuws. Dag in, dag uit ging ze langs kruideniers en slagers, gebruik makend van wisselende winkels en de zwarte markt, om geen verdenking op zich te laden. En ze zorgde voor steeds weer verse bibliotheekboeken en papier voor Anne, omdat ze wist dat die zo graag schreef. 'Miep is precies een pakezeltje, die sjouwt wat af’, noteerde Anne in haar dagboek. Medelijden met de onderduikers won het bij Gies altijd van de angst. Want angstig, dat was het bovenal voor hén. Om te voelen hoe het was, sliep Gies een nacht in het achterhuis: 'Het was daar benauwd, ontzettend benauwd! Het was vooral het opgesloten zijn, het feit dat je niet naar buiten mocht.’
Haar angst schoof ze ook opzij toen de familie Frank werd opgepakt, op 4 augustus 1944. Toen de Sicherheitsdienst de onderduikers had weggevoerd, ging ze naar boven, opende met een reservesleutel de deur achter de boekenkast en nam de chaos in ogenschouw die de politieagenten aanrichtten. Alles was uit de kast gerukt, de vloer lag bezaaid met papieren. Daartussen een boekje met een rood-oranje geruit omslag. Snel griste Gies het mee en verborg het in haar bureau, zonder er een woord in te lezen. Na de oorlog overhandigde ze het aan Otto Frank, toen duidelijk was dat Anne en haar zusje Margot het concentratiekamp Bergen-Belsen niet hadden overleefd - hun moeder was al eerder vermoord in Auschwitz.
Alhoewel het dagboek vanaf de jaren vijftig wereldroem vergaarde, bleef Miep Gies lang betrekkelijk anoniem. Ze werd pas bekend toen ze in 1987, met hulp van de Amerikaanse schrijfster Alison Leslie Gold, Herinneringen aan Anne Frank schreef.
Gies werd in 1909 in Wenen geboren als Hermine Santrouschitz. Toen ze elf was, werd ze op de trein naar Leiden gezet, om daar in een pleeggezin met flink wat melk, kaas en boter van haar ondervoeding afgeholpen te worden. Ze zou voor altijd in Nederland blijven. Haar pleegfamilie veranderde haar tongbrekende naam in Miep. Op haar dertiende verhuisden ze naar Amsterdam. Na het afronden van haar school kreeg ze een baan in een textielbedrijf, die ze begin jaren dertig, in de crisis, verloor. Het feit dat ze Oostenrijks was en dus vloeiend Duits sprak, bezorgde haar de baan bij Opekta. Otto Frank was net van Duitsland naar Nederland gevlucht en worstelde nog met de taal. Gies praatte Duits met hem en leerde hem Nederlands.
Ze was natuurlijk wel een held. Al stelde ze in haar herinneringen dat ze aan het einde stond van een lange, lange rij van goede Nederlanders, die in 'die verschrikkelijke tijd’ deden wat zij deed en vaak nog veel meer, wie de Nederlandse geschiedschrijving over de Tweede Oorlog ook maar een beetje gevolgd heeft, weet dat de meeste Nederlanders maar een beetje aanrommelden, dan weer een beetje goed, dan weer een beetje fout waren. De meeste mensen bevonden zich in het grijs.
De laatste jaren lijkt er sprake van een kentering. Niod-directeur Marjan Schwegman pleitte een aantal jaren geleden voor hernieuwde aandacht voor de held: 'De helden en heldinnen moeten terug.’ Het leidde tot enig debat, want in het Nederlandse maaiveld was heldendom nu niet bepaald nastrevenswaardig. Hebben helden trouwens wel enige invloed op de loop van de geschiedenis? Werden de oorlogshelden destijds niet juist naar voren geschoven om de matheid tijdens de oorlog na afloop te camoufleren? En veroorzaakten helden door hun roekeloosheid niet ook heel veel brokken?
Miep Gies is zo beschouwd een ideale Hollandse held. Een zelfontkennende held, die zich nooit op de borst heeft geklopt en haar heldendaden met grote vanzelfsprekendheid verrichtte.