De bezielde natuur

Mieren staan nooit in de file

Van ‘slurvige’ intelligentie bij olifanten en een pientere muggenzwerm tot het wood wide web van bomen: als we ons superieure mensbeeld in de wetenschap overboord gooien, gaat er een inspirerende wereld voor ons open.

Medium gettyimages 474136943

‘Er is behoefte aan een meer holistisch maatschappelijk beeld van de natuur, omdat we anders de wereld om ons heen niet meer begrijpen. Ik zie veel angst over de toekomst van de aarde, vooral onder jongeren. Maar we moeten niet met angst naar de natuur kijken, maar ons verwonderen. Ons laten inspireren. We kunnen niet volledig mens zijn als we niet beseffen wat natuur is. De natuur, dat zijn wij.’ Aan het woord is Erik de Jong, hoogleraar natuur, landschap en cultuur verbonden aan Artis en de Universiteit van Amsterdam.

We ontmoeten elkaar op een frisse lenteochtend bij de gieren in Artis. De roofvogels pikken met hun kromme snavels aan een karkas. Witte, pluizige koppen steken eigenwijs op uit hun brede verenjassen. Hoewel ze geen goede reputatie hebben in Disney-films zijn het indrukwekkende dieren.

De Jong verzorgt verschillende lezingen, zowel aan de UvA als in de historische collegezaal van Artis. Zo ging zijn laatste serie over het begrip ‘biophilia’, oftewel de ‘liefde voor natuur’. De beroemde bioloog Edward Wilson ontwikkelde in 1984 de hypothese dat de liefde voor natuur alle lagen van de samenleving doordringt en dat we deze liefde allemaal voelen. Toch kan ik maar moeilijk liefde voelen voor de vals ogende gieren.

Dat hoeft ook niet, volgens De Jong. ‘De liefde die Wilson beschrijft, is een complexe liefde. De tegenhanger van biophilia is biophobia, onze angst voor de natuur. We houden van huisdieren, maar zijn bijvoorbeeld bang voor slangen en spinnen. Onze liefde voor natuur is niet eenduidig. Tegelijkertijd leven we in het antropoceen: de mens laat diepe geologische sporen na. Natuur en cultuur zijn in hoge mate het resultaat van hoogst ambivalente en omstreden processen geworden. Hoe krijgt biophilia vorm in het antropoceen? Het is belangrijk dat dit soort vragen worden gesteld.’

Erik de Jong, van oorsprong cultuurhistoricus, denkt bovendien dat het tijd wordt dat ook de geesteswetenschappen zich gaan bezighouden met natuur: ‘De humaniora richten zich van oudsher op de mens. Maar in het antropoceen gáát het natuurlijk juist over de mens en over ons optreden op aarde. Je kunt dan ook het onderzoek naar de natuur en de aarde niet meer alleen vanuit natuurwetenschappelijk perspectief bezien.’

In het westerse beeld dat heerst sinds de Verlichting staat de natuur buiten onszelf, is deze onttoverd, ontzield. De natuur is ons decor, waarin wij ons spel spelen. De natuur is ons onderzoeksobject dat we kunnen meten en bestuderen. We kunnen van de natuur genieten als het past in onze ideaalbeelden van ongereptheid. Maar we kunnen de natuur ook kapotmaken als we denken dat we meer ruimte nodig hebben. Juridisch gezien hebben we de natuur ‘in bezit’. De mens is de baas. Of dénkt de baas te zijn.

Hoewel we wel weten dat in andere, vaak inheemse culturen heel anders wordt gedacht over de natuur, dat er zelfs sprake is van vormen van bezielde natuur, wordt dit in het Westen toch meestal weggezet als onderontwikkeld, achtergebleven en niet-wetenschappelijk. Leuk als vermaak, maar niet als serieus alternatief voor onze rationele, wetenschappelijke blik.

Jet Bakels, antropoloog, tentoonstellingsmaker en publicist, doet veel onderzoek naar de wisselwerking tussen mens en natuur. Vooral de symboliek van dieren interesseert haar. Zo promoveerde ze op de betekenis van de tijger en de krokodil in verschillende Indonesische culturen. Tijdens een wandeling op de Dag van de Milieufilosofie vertelt ze me: ‘Waar ik onderzoek deed, had men groot respect voor bos- en watergeesten en ook voor sommige wilde dieren zoals de tijger. Sumatranen noemen de tijger niet bij naam. Hij is een voorvader en heet bijvoorbeeld “grootvader” of “wachter van het woud”. Als de tijger aanvalt, heeft de mens iets fout gedaan. Iemand gaat vreemd, een erfenis is oneerlijk verdeeld, er is gesjoemeld met geld. Er is altijd een reden, maar het ligt nooit aan de tijger.’

Bakels legt uit dat ook rivieren, meren en bergen een bepaald bewustzijn kunnen hebben in deze culturen. Als ik haar vraag of zij gelooft dat dit soort denken nu het Westen binnensijpelt, lacht ze: ‘Ik geloof zelf echt niet dat een steen een ziel heeft, hoor! Maar het bestuderen van deze inheemse culturen biedt ons wel een opening om de natuur op een andere manier te gaan bekijken, een verruiming van onze blik. Daar is behoefte aan. Natuurlijk niet zoals daar, maar dat hoeft ook niet. Hier zie je morele en juridische discussies ontstaan over de rechten van dieren en van de natuur.’ Bakels wijst op de recente oprichting van het Parlement van de Dingen dat expliciet aandacht vraagt voor het perspectief van dieren, bomen, rivieren, ja zelfs stenen. ‘Dat soort denken is heel gebruikelijk in inheemse culturen, maar hier in het Westen is het echt nieuw.’

‘De octopus is heel goed in camouflage, terwijl wij mensen maar twee kleuren hebben: we kunnen blozen of niet blozen’

Ongetwijfeld verlenen onze zorgen over de klimaatcrisis, onze angst voor de in razend tempo dalende biodiversiteit en ons gevoel van onmacht over de verzuring van oceanen urgentie aan de zoektocht naar een nieuwe verhouding met de natuur. De ecologische noodtoestand levert een vruchtbare voedingsbodem voor nieuw gedachtegoed op dit gebied. En dat nieuwe gedachtegoed begint bij een nieuw mensbegrip.

In het boek How Forests Think (2013) stelt antropoloog Eduardo Kohn de uitgangspunten van ons mensbegrip ter discussie. Kohn deed vier jaar lang veldonderzoek bij de Runa, een inheems volk in het Amazonegebied van Ecuador. Hij onderzocht niet alleen, zoals in de traditionele antropologie gebruikelijk, de manier waarop mensen van dit volk betekenis geven aan de wereld om hen heen. Hij probeerde ook te begrijpen hoe de omgeving zélf betekenis verleent aan de mensen. Zo vraagt hij zich af hoe het oerwoud denkt, hoe honden dromen, hoe de jaguar ons ziet. ‘Hoe andere organismen ons zien doet ertoe. Dat andere organismen ons zien verandert ons.’

Kohn noemt het ‘antropologie voorbij de mens’ en wil daarmee een bijdrage leveren aan de posthumanistische kritiek op onze westerse perceptie van de mens als exceptioneel wezen, als verheven boven alle andere vormen van leven. Daarmee hebben we onszelf namelijk afgesloten van de wereld om ons heen. We bestuderen de wereld met onze menselijke vormen van betekenisgeving, zoals taal, cultuur en geschiedenis. ‘Het object van analyse, de mens, krijgt zo dezelfde menselijke vorm als de analyse zelf’, schrijft Kohn. ‘Maar op deze manier kunnen we niet zien hoe we als mensen op talloze manieren verbonden zijn met een bredere wereld van leven.’

Daarom is het volgens Kohn zo belangrijk dat we een etnografie ontwikkelen die zich voorbij de mens uitstrekt. Dat betekent onder meer dat we moeten leren denken voorbij taal, en dat maakt dit soort onderzoek voor ons mensen soms chaotisch en warrig. We hebben een bredere paraplu nodig voor ons denken, maar kunnen we wel verder denken dan onszelf of zitten we gevangen in de begrenzing van onze menselijke taal en cultuur?

Juist uit de natuurwetenschappen bereiken ons signalen die precies dit soort kritiek op ons narcistische mensbeeld lijken te ondersteunen. Zo spreekt de etholoog Frans de Waal over de beperkingen van ons mensen als wezens die ‘behept zijn met taal’. We denken van alles te kunnen overbrengen met onze taal, maar in feite verloopt een groot deel van onze communicatie via het lichaam, net zoals bij andere dieren dan de mens.

Zijn nieuwe boek Zijn wij slim genoeg om te begrijpen hoe slim dieren zijn? is enthousiast ontvangen in zowel Nederland als de Verenigde Staten en belooft een standaardwerk te worden. Als geen ander weet De Waal de nieuwste onderzoeken naar intelligentie van dieren met elkaar in verband te brengen en samen te voegen in een coherent verhaal met als rode draad: wie denken wij mensen wel dat we zijn? Zijn boek lezend krijg je bijna te doen met die zielige mens: zichzelf op de borst kloppend blijven die narcistische wezens naarstig op zoek naar het ultieme bewijs dat ze beter zijn dan alle andere levende wezens. De enige met gevoel, met verstand, met wapens, met werktuigen.

Maar telkens komt de wetenschap met voorbeelden van dieren die dat ook blijken te kunnen. Apen gebruiken óók werktuigen, dolfijnen noemen elkaar óók bij de naam, olifanten hebben een fenomenaal geheugen. En het wordt pas echt interessant als je kijkt naar de dingen die dieren kunnen die mensen níet kunnen. Dan komt de vraag van het boek aan bod: zijn wij daar wel slim genoeg voor? Ik praat erover met Frans de Waal op een regenachtige dag in het tuinhuis van zijn Nederlandse uitgeverij.

‘De vraag of je slimmer bent dan een octopus is natuurlijk een heel rare vraag’, zegt hij. ‘Je gebruikt dan de mens als maatstaf. Afhankelijk van welk criterium je aanlegt, is de een of de ander superieur. De octopus is bijvoorbeeld heel goed in camouflage, terwijl wij mensen maar twee kleuren hebben: we kunnen blozen of niet blozen. We moeten veel breder kijken, naar alle vormen van cognitie.’ De Waal wijst op de lange historie van valse claims. ‘Zelfs na-apen werd niet toegekend aan apen! Imiteren was voorbehouden aan de mens, dacht men.’

Het heeft te maken met de westerse neiging om de mens op een voetstuk te plaatsen. ‘Dichter bij God als het ware. Die religie is er dan misschien niet meer, maar die waarden worden nog steeds verwoord in de geesteswetenschappen, zoals de filosofie, antropologie, sociologie. Zij verwoorden nog steeds wat in onze cultuur onder invloed van religie is ingebakken, dat wij beter zijn, hoger geplaatst dan dieren. In de psychologie zie je nu wel dat dit onder invloed van de neurowetenschap aan het veranderen is. Daar onderzoeken ze bijvoorbeeld angst bij ratten en dat blijkt prima te kunnen.’

Het is niet eerlijk om van een eekhoorn te vragen het alfabet op te zeggen, want zo is die eekhoorn nu eenmaal niet geëvolueerd

In zijn boek stelt Frans de Waal een moratorium voor: voorlopig geen onderzoek meer dat de bedoeling heeft om aan te tonen dat mensen slimmer of beter zijn. Geen onderzoek meer dat de mens lijnrecht tegenover de rest van de natuur plaatst. Hij denkt dat de jongere generatie ervoor openstaat: ‘Die denken veel minder behavioristisch.’ Tijdens dit moratorium stelt hij voor een alternatief te vinden voor ‘overdreven cerebrale benaderingen’. Een van die benaderingen ligt op het terrein van de belichaamde cognitie. De Waal laat zien dat het perspectief dat je inneemt, essentieel voor empathie, waarschijnlijk gebonden is aan lichamen, en dat hetzelfde geldt voor imiteren. De cognitie weerspiegelt de interactie van het lichaam met de wereld.

De Waal noemt de olifant. ‘Die beschikt over een heel ander lichaam en andere neurale vermogens om een hoge cognitie te bereiken.’ Hij schrijft: ‘De slurf heeft aan het uiteinde twee gevoelige “vingers”, waarmee voorwerpen zo klein als een grassprietje kunnen worden opgepakt, maar met die slurf kan het dier ook acht liter water opzuigen of een vervelend nijlpaard omvergooien.’ Hij vraagt zich dan ook af of de olifant misschien een ander soort cognitie heeft: ‘Zoals de mens een “handige” cognitie heeft, heeft een olifant mogelijk een “slurvige” cognitie.’

De tijd lijkt rijp om dit soort denken over dierlijke cognitie te aanvaarden. Het is immers niet eerlijk om van een eekhoorn te vragen het alfabet op te zeggen, want zo is die eekhoorn nu eenmaal niet geëvolueerd. Net zo goed als het oneerlijk zou zijn om van mensen te vragen te onthouden waar meer dan honderd verschillende nootjes verstopt liggen. Dus breiden we het cognitiebegrip uit. En, uitgaande van de premisse van De Waal dat cognitie begint met perspectiefname, dat cognitie als het ware voortkomt uit empathie, breiden we als mens daarmee onze cirkel van empathie uit.

Medium gettyimages 309571 001

Voor de meeste mensen verloopt die stap nog relatief soepel bij dieren met een hoog knuffeldiergehalte: de olifant, de aap, de dolfijn. Maar bij insecten worden opnieuw de wenkbrauwen gefronst. Een slimme mier? Een kakkerlak met gevoel? Toch krijgt ook het onderzoek naar intelligentie van minder aaibare dieren, zoals insecten, steeds meer aandacht. Daarbij gaat het vooral om collectieve vormen van intelligentie. Hoe kan het dat termieten heuvels bouwen die honderden malen groter zijn dan zijzelf, zonder dat er een leider is die instructies geeft? Hoe komt het dat mieren nooit in de file staan? Hoe weten bijen welke baan ze hebben gekregen?

Nicholas Ouellette geeft aan de universiteit van Stanford, aan de afdeling voor Civil and Environmental Engineering, leiding aan een lab dat onderzoek doet naar zelforganisatie in complexe systemen. In een e-mail schrijft hij me: ‘Het interessante is dat allerlei verschillende soorten dieren, zoals vogels, vissen en insecten, relatief uniform groepsgedrag blijken te vertonen.’ Die groepssystemen zijn robuust, want het maakt voor een zwerm niet uit of er een individu wegvalt. ‘Het zijn zelforganiserende, leiderloze systemen, die foutjes van het individu kunnen opvangen.’

Ouellette voert onderzoeken uit met zwermen niet-stekende muggen. Hij wil weten hoe de individuele muggen met elkaar communiceren en hoe dit leidt tot het vormen van de zwerm. Hoe komt vanuit die som van individuen plotseling dat ‘intelligente’ collectief naar boven? Hoe ontstaat deze ‘emerging property’? Ouellette blijft overigens liever spreken van ‘gedrag’ dan van ‘intelligentie’, maar ‘dat hangt af van de definitie van intelligentie die je gebruikt’.

In een van zijn onderzoeken ontdekte hij dat mannetjesmuggen bij het horen van het geluid van een vrouwtjesmug allemaal op het geluid af stoven, maar dat ze bij het geluid van een mannetjesmug juist een bepaalde afstand hielden. Niet te dichtbij en niet te ver weg, er ontstond precies dezelfde afstand tussen alle mannetjesmuggen. Zo vormde zich de zwerm. Eenvoudige regels tussen individuele muggen, zoals de afstand die moet worden gehouden tot het andere individu, bepalen hier dus wat er uiteindelijk in het collectief gebeurt.

Ouellette ziet dat het onderzoek naar dit soort vormen van collectief gedrag ‘nu echt een vlucht heeft genomen’. In het bijzonder engineers zijn uitermate geïnteresseerd in de uitkomsten. Immers: allerlei toepassingen zijn denkbaar waarbij robuustere systemen kunnen worden gebouwd door gebruik te maken van dit soort vormen van collectieve zelforganisatie.

‘Termieten praten niet met elkaar en hebben geen leider, maar ze gebruiken de omgeving om te weten wat ze bouwen en hoe’

Aan Harvard geeft Radhika Nagpal, hoogleraar computerwetenschap, leiding aan de Self-Organizing Systems Research Group, waarin onderzoek naar collectieve zelforganisatie van insecten expliciet wordt gebruikt als inspiratie voor het bouwen van nieuwe robots en algoritmes voor kunstmatige vormen van collectieve intelligentie. In haar ted-talk legt Nagpal uit hoe termieten als groep een heuvel bouwen. ‘Ze praten niet met elkaar en ze hebben geen leider, maar ze gebruiken de omgeving om te weten wat ze gaan bouwen en hoe.’

Nagpals onderzoeksgroep heeft robots gebouwd die door middel van allerlei sensoren de zintuigen van de termiet nabootsen en daarmee kunnen reageren op hun omgeving. Die omgeving wordt telkens aangepast door elke individuele robot en daar reageren de andere robots dan weer op. Op die manier bouwt Nagpal kunstmatige systemen die dezelfde regels van zelforganisatie kennen als de termieten in de natuur en die een oneindig aantal toepassingen bieden. Vóórdat Nagpal dit kan doen moet ze zich openstellen voor de specifieke situatie van de individuele termiet en voor de cognitie die ontstaat in het collectief als gevolg van de regels tussen die individuen. Ze moet het perspectief innemen van de bouwende termiet.

Zou die cognitie zich kunnen uitbreiden tot de hele natuur? Tot planten, bomen, bossen? Frans de Waal heeft het nieuwe boek van Peter Wohlleben, Het verborgen leven van bomen, nog niet gelezen, maar het lijkt hem interessant. In zijn boek legt Wohlleben uit hoe bomen met elkaar communiceren (via een stelsel dat door wetenschappers het wood wide web wordt genoemd), hoe bomen voor elkaar zorgen en met elkaar een gezond bos vormen. ‘Als bioloog verbaast het mij niets dat bomen met elkaar communiceren. We gaan daar steeds meer voor openstaan, net zoals bij dieren. Hoewel ik me bij gevoelens van planten en bomen niets kan voorstellen’, aldus De Waal. Het meer openstaan voor en beter luisteren naar de natuur om ons heen wordt regelmatig in een emancipatieframe gegoten. Wohlleben spreekt dan ook bewust in volledig antropomorfe termen over bomen om zijn punt te maken. Zo hebben bomen ‘kinderen’ die ze ‘voeden’, ze vormen ‘vriendschappen’ en hebben een ‘sociaal vangnet’. De media zijn er bovenop gedoken en citeren al zijn uitspraken met genoegen, maar ook met een zekere ingehouden spot. Laten we wel wezen: bomen hebben toch geen vrienden?

Tegelijk baseert Wohlleben zich wel degelijk op allerlei natuurwetenschappelijk onderzoek. Hij probeert met zijn terminologie ons denken om te keren: de afstandelijke terminologie kan moeilijk leiden tot perspectiefname en begrip voor andere vormen van cognitie onder bomen.

Net zoals insecten een vorm van collectieve intelligentie als emerging property ontwikkelen, kan een bos worden gezien als een netwerk met een vorm van collectieve intelligentie. Suzanne Simard, hoogleraar bos-ecologie aan de Universiteit van British Columbia, doet onderzoek naar de stroom van voedingsstoffen en chemische signalen via dit wood wide web onder de grond. Haar onderzoeksgroep injecteerde sparren met radioactieve koolstof-isotopen om die vervolgens met een geigerteller onder de grond te volgen. Binnen een paar dagen waren alle bomen binnen een gebied van dertig vierkante meter met elkaar verbonden, waarbij de oudere bomen als hubs fungeerden met soms wel meer dan 47 connecties. Het voordeel voor het bos als geheel, het collectief, is een betere gezondheid, meer fotosynthese en grotere veerkracht.

Ook over planten worden onder fyto-biologen en botanisten verhitte debatten gevoerd. De charismatische voortrekker van deze discussies is de bevlogen hoogleraar Stefano Mancuso, die het in zijn boek Brilliant Green: The Surprising History and Science of Plants (2015) opneemt voor het perspectief van planten. Mancuso is directeur van het Internationaal Instituut voor de Neurobiologie van Planten aan de Universiteit van Florence. Hoewel het instituut officieel niet meer zo mag heten (‘neuro’ is immers voorbehouden aan organismen met neuronen, oftewel met hersenen), blijft Mancuso deze naam gewoon gebruiken om zijn punt te maken.

Volgens Mancuso hebben wij mensen last van een ‘neuronen-fetisj’ en een ‘obsessie met beweging’ waardoor we niet waarderen wat planten allemaal kunnen. Omdat planten niet weg kunnen rennen en regelmatig gedeeltelijk worden opgegeten, komt hun vorm en manier van leven hun perfect van pas. Hun intelligentie is een reflectie van hun ‘lichaam’ en omgeving, van hun evolutie. Vergelijk deze plantintelligentie met de slurvige intelligentie van olifanten.

In een ted-talk legt Mancuso uit: ‘Een plant heeft een modulair design, waardoor hij tot negentig procent van zijn lichaam kan verliezen zonder dood te gaan.’ Een plant moet zichzelf verdedigen en alles vinden wat hij nodig heeft terwijl hij vastgegroeid zit op één plek. Deze ‘sessiele leefstijl’, zoals plantkundigen dit noemen, heeft ervoor gezorgd dat ‘planten tussen de vijftien en twintig soorten zintuigen hebben ontwikkeld’. Naast de zintuigen die wij ook kennen, zoals gehoor en tastzin, heeft een plant bijvoorbeeld ook zintuigen voor vochtigheid, volume, fosfor, toxinen en chemische en elektrische signalen van de planten om hem heen.

De laatste jaren is veel onderzoek gedaan naar de manier waarop planten signalen doorgeven aan verschillende delen van de plant zelf en aan andere planten. Planten communiceren met elkaar in een biochemische taal die wij niet zomaar kunnen verstaan. Mancuso werkt daarom in zijn laboratorium aan een ‘woordenboek’ van het chemisch vocabulaire van elke plantensoort. Bovendien leven planten in een andere tijdsdimensie. Mancuso laat dit zien door filmpjes van planten versneld af te spelen. Plotseling komen de planten tot leven. Een wortel vindt zijn weg onder de grond, jonge plantenscheuten ‘spelen’ met elkaar, ’s nachts zien we de activiteit afnemen als ze gaan ‘slapen’. In een artikel in The New Yorker legt Mancuso aan auteur Michael Pollan uit hoe het hem doet denken aan een scène uit Star Trek. Een groep buitenaardse wezens leeft in een andere tijdsdimensie dan wij mensen; ze leven veel sneller dan wij. Als deze wezens naar de aarde komen, denken ze dat alles stilstaat. Als ze filmpjes van ons leven echter in versnelling zouden afspelen, zouden ze zien dat er wel degelijk van alles gebeurt.

Mancuso definieert intelligentie als manieren om problemen op te lossen en wijst op collectieve vormen van intelligentie in planten, vergelijkbaar met die van insecten, waarvoor hersenen niet noodzakelijk zijn. De verschillende worteluiteinden die onder de grond een netwerk vormen kunnen dan gezien worden als de veroorzaker van een vorm van collectieve intelligentie, een emerging property, net zoals dit bij zwermen vliegen gebeurt en bij mensen in de hersenen. Bij een plant zouden de ‘hersenen’ in de vorm van het wortelnetwerk dan onder de grond liggen en de geslachtsorganen boven de grond.

Mancuso is ervan overtuigd dat planten een bepaalde vorm van bewustzijn hebben en zelfs pijn kunnen voelen. Daarom zouden we respect voor ze moeten hebben, maar het zou ons er niet van moeten weerhouden ze op te eten. ‘Planten hebben zich geëvolueerd om te worden opgegeten.’ Daarnaast kunnen we ons door planten laten inspireren. Planten kunnen leven van licht en ontwikkelen in een wortelnetwerk onder de grond een robuuste vorm van collectieve intelligentie. Dit kunnen we gebruiken bij het bouwen van robota, net zoals engineers nu al principes van insectencollectieven gebruiken. Mancuso ontwikkelt op dit moment samen met bio-engineer Barbara Mazzolai verschillende typen robots die gemodelleerd zijn naar planten. Plantoids noemen ze deze.

Lang niet alle plantdeskundigen zijn het eens met Mancuso, maar de verschillen in opvatting lijken vooral een kwestie van terminologie. Wat noemen we bewustzijn, wat is intelligentie en wat is gevoel? De onderliggende onderzoeken leiden echter tot opvallend weinig inhoudelijk verschil van mening. Wellicht is het dus minder belangrijk hoe we intelligentie, bewustzijn en gevoel precies omschrijven, maar gaat het er eerder om dat we beginnen met de omschakeling naar een andere, minder ‘mens-centrische’ manier van onderzoeken, kijken en luisteren. Hoewel wij mensen ‘behept’ zijn met taal, hoewel we slechts twee kleuren kennen (blozen en niet-blozen), hoewel we nooit alle noten van die eekhoorn zouden kunnen vinden en vijf zintuigen hebben in plaats van vijftien hebben we namelijk wél het vermogen ons te verwonderen en ons te laten inspireren door de natuur om ons heen. Dat leidt niet alleen tot meer respect en ontzag voor de natuur, maar het kan ons ook tot completere, rijkere mensen maken. Zoals Artis-professor Erik de Jong zegt: ‘De natuur, dat zijn wij.’


Beeld: (1) ‘De olifant heeft andere neurale vermogens om een hoge cognitie te bereiken’ (Getty Images); (2) ‘Het zijn zelforganiserende, leiderloze systemen, die foutjes van het individu kunnen opvangen’ (Christoph Burki / Getty Images)