En toen was er de première van een nieuwe Teledoc, V.I.S.S.E.N, in het fabelachtige Eye-instituut aan het IJ, waar je vanaf het terras je hengeltje uit zou kunnen gooien. In de film volop vissen: van baarsjes tot meerval, in hun habitat en aan de haak. Maar het gaat over de mensen die proberen ze te vangen. Voor hun plezier – dat van die mensen, want we zien in het laboratorium dat vissen wel degelijk pijn en stress hebben als ze te grazen zijn genomen, en dat gevoelloosheid een vissersfabel is. Het noemen van die passage vertekent de film. Die is geen aanklacht maar een verbaasde, liefdevolle beschouwing van ‘de mens’. Niet echt een dramatische lijn, maar een mooi opgebouwde rij portretjes van vissers die mijmeren over vis, aas, dobber, hengel, de kick, de natuur, hun motieven, het leven. De makers, de gebroeders De Kroon, legden eerder al een meesterproef af met hun Hollands licht, en ook hier mooie luchten, landschappen, rietkragen, zee- en riviergezichten, kanalen, slootjes, plassen en prachtige onderwateropnamen. Ja, de schepping is wonderbaar en de mens is daar een deeltje van dat de gave en de vloek heeft de ander (vis en mens) en zichzelf te kunnen beschouwen. Al blijkt dat laatste toch moeilijk. Jachtinstinct, zeker. Buitenlucht of schoonheid van natuur, natuurlijk. De spanning over iets dat je maar ten dele in de hand hebt. Maar minstens zozeer de ontspanning.

Mijn vader viste in de Bosbaan. Karper. Hij ving er zelden een en dat deerde niet. Zijn werk was stressvol – later begreep ik pas dat het zijn kop leegmaakte, al zei hij dat nooit. De film bevestigt dat, in getuigenissen waarin zelfs yoga en meditatie genoemd worden. Hij ontvluchtte zijn vrouw niet, want die ging vaak gezellig mee, maar het thema van uiteenlopende verwachtingen van vrouwen en mannen ten aanzien van al dan niet gezamenlijke tijdsbesteding loopt wel als running gag door de film. De vrouwen in het publiek lachten het hardst om dit slagveldje in de oorlog der seksen.

Zoals er überhaupt veel te lachen valt en er soms ontroering is. Om stoere pubers met supersonisch materiaal die niets vangen. Om kleine jochies die zomaar jubelend snoeken uit het water slaan. De meeste vissers zetten hun vangst terug, liefdevol. Maakt dat het humaan of juist extra wreed? De opa van Natan ving tenminste om te leven. Een van mijn vroegste herinneringen is een snoek in bad. Doodeng. Die moet zijn opgegeten. Het was oorlog. Nu is het sport en spel. Alleen de bekakte mannen tijdens een visuitje op zee, met echo-apparatuur in een school harders neergelegd, slaan lustig aan de haak en de hersens in. En de piervissers in Wijk aan Zee, waaronder allochtone, houden hun zeebaars, die ondoorgrondelijk is in komen en gaan – de working man’s Moby Dick. Maar wat de man (en enkele vrouw) die vist verder precies bezielt, het blijft onzeker als het antwoord op de vraag of ze zullen bijten.

Pieter-Rim de Kroon, Maarten de Kroon, V.I.S.S.E.N, Avro, Teledoc. Maandag 28 mei, Nederland 2, 20.25 uur