Toneel: ‘Drie zusters’

Mijmeren over Moskou

Het toneelstuk Drie zusters, regie Eline Arbo © Sanne Peper

Een toneelstuk van lang geleden is een soort flessenpost. In de zee van de tijd reikt het naar later. Naar theatermakers die hun heden verbinden met de wereld waarin het stuk is geschreven. De Duitse Drie zusters-enscenering, op het afgelopen Holland Festival (via een internetregistratie) te zien, toonde Tsjechovs vrouwelijke hoofdpersonen als gekostumeerde sjablonen uit 1901, als hedendaagse carrièrevrouwen en als oudere actrices die terugkeken op hun zusters-rollen. In verstilde tableaus liet regisseur Suzanne Kennedy de periodes door elkaar lopen en dwaalden de gezusters verloren rond in het theatrale vacuüm van ruim een eeuw opvoeringsgeschiedenis.

De voorstelling die Eline Arbo ter afsluiting van haar talentontwikkelingstraject bij de Haarlemse Toneelschuur regisseerde, begint ook in 1901. Gekleed in de historische zedig-zwarte jurken met witte hoofdkapjes bevinden de drie zusters zich in hun ouderlijk landhuis: een hoge maar benauwend smalle strook vooraan op het toneel. Meteen is duidelijk dat Arbo de kant van Tsjechov kiest, die zijn toneelstuk een komedie noemde. Niks geen weemoed, rijkeluisverveling en mijmeren over het Moskou waar de zussen nooit naartoe zullen gaan. Keja Klaasje Kwestro speelt Olga als een verzenuwde hysterica, nonstop de urn poetsend met de as van hun overleden vader. De Irina van Diewertje Dir is larmoyant depressief: bewegingloos en met holle, lege ogen. En Sarah Janneh maakt van Masja een kwaaiige puber die aan de piano telkens irritant uitbarst in luid zingen. De zussen gunnen elkaar amper spreekruimte, zijn bezig met zichzelf te manifesteren en in de gestripte tekst klinkt elke overdenking als loos gekakel.

De intrede van de Tsjechov-mannen verhoogt het aantal stuurloze malloten. Droomman Versjinin – de man uit Moskou! – is in de vertolking van Benjamin Moen een praatzieke, ijdele kwast die zich opgeilt aan de meisjes in plaats van terug te gaan naar zijn vrouw en kinderen. Net als Suzanne Kennedy laat Arbo de tijd verspringen: ze toont de zussen achtereenvolgens in 1965, in 1988 en in 2020. Popsongs die de acteurs gezamenlijk meeslepend ten gehore brengen en kostuumwisselingen markeren de periodes. Maar Tsjechovs toneelstuk voegt zich niet in deze tijdreis: de zussen blijven opgesloten in zichzelf en – anders dan de vrij rondlopende mannen – op hun smalle speelstrook. En in hun opgedraaide spel sluipt een triestige vermoeidheid. Dit is Arbo’s versie van Tsjechovs melancholie. Geholpen door toegevoegde uitspraken van feministische denkers blijkt namelijk dat de gezusters niet zozeer vastzitten in Tsjechovs rijkeluisinertie, als wel in de rolverdeling tussen mannen en vrouwen.

De echte vrije geest hier is schoonzus Natasja, over wie de zussen schamperen vanwege haar burgerlijke keuze voor het moederschap. Ntianu Stuger loopt in elk tijdperk zwijgend met haar kinderwagen langs de afkeurende zussen, maar geeft afsluitend een felle speech vol onthutsende cijfers over de achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt die Nederland een lage plaats geeft op de lijst van meest geëmancipeerde landen. Wat begon als een smakelijk potje komedie spelen mondt uit in een intrigerend gevecht met Tsjechovs toneelstuk, waarbij de zussen ervan langs krijgen omdat ze niet in actie komen. Van zusterschap in de feministische zin is bepaald geen sprake.


Tot eind januari te zien in Haarlem,toneelschuur.nl