Turks-Nederlandse studenten (2)

‘Mijn achternaam zegt alles’

Ze vormen een heterogene groep, maar hebben enkele dingen duidelijk gemeen. Turks-Nederlandse studenten praten over hun studiekeuze, de worstelingen met hun ouders, religie en het Turkije van Erdogan.

Medium hh 59591120
Maastricht. Een studente heeft haar graad behaald aan Maastricht University School of Business and Economics © Chris Keulen / HH

Op een zaterdag in maart flyerde Ali (24, Vrije Universiteit) in een jas met het logo van DENK voor de Tweede-Kamerverkiezingen. Keer op keer werd hem de vraag gesteld: ‘Ben je Turk, heb je de Turkse nationaliteit?’ Ze drukten hem op het hart nee te stemmen bij het referendum in april waarin de Turkse president zijn landgenoten vroeg akkoord te gaan met een presidentieel systeem dat zijn machtspositie vergroot. Steeds antwoordde Ali, langzaam en duidelijk articulerend: ‘Ik sta hier niet namens Recep Tayyip Erdogan of een andere politieke leider in Turkije. Ik sta hier namens DENK, een Nederlandse politieke partij.’ De ontmoetingen griefden hem op twee manieren: Nederlanders verordonneerden hem waar hij in het Turkse referendum zijn stem aan moest geven. En terwijl hij zich duidelijk inzette voor de Nederlandse politiek werd hij door hen als Turk aangesproken. ‘Dan merk je hoe groot de weerslag is die politieke ontwikkelingen in Turkije hebben op Nederland en Nederlandse Turken’, verzucht hij.

Sürreya (23, Universiteit van Amsterdam) moet tijdens colleges van haar studie politicologie steeds vaker aan haar medestudenten uitleggen dat je niet zomaar kunt morrelen aan de politieke tradities in Turkije. Ieder land is geworteld in de eigen cultuur, gewoontes en geschiedenis. Ze heeft een Turkse vader en een Nederlandse moeder en ziet zichzelf als een bruggenbouwer. ‘Hier polderen we, de regering wordt door meerdere partijen gevormd. De Turkse geschiedenis heeft uitgewezen dat coalities niet werken. Er komt dan niets van de grond. Turkse burgers leggen hun lot liever in de hand van een sterke leider die zorgt voor welvaart en stabiliteit.’

Naarmate de antidemocratische ontwikkelingen in het land van hun (groot)ouders zich opstapelen, worden Turks-Nederlandse jongeren meer en meer in de rol van het geweten van hun herkomstland gedrukt. Op de universiteit, in hun kennissenkring, op feestjes, de werkvloer en door wildvreemden op straat. Dat frustreert ook Mutlu (22, VU). ‘Hoppa, zeshonderd mensen die in Rotterdam bij het Turkse consulaat hun steun betuigen aan Ankara en meteen krijgt elke Turkse Nederlander een etiket. Maar wat heb ik gedaan dat jij mag zeggen dat ik niet Nederlands genoeg ben?’ Hoe meer je in de hoek wordt gezet, licht hij toe, hoe meer je je gaat afzonderen.

Dat is inmiddels het beeld dat in onderzoeksrapporten en de media van Turks-Nederlandse jongeren wordt geschetst: onder de meerderheid is de afstand tot de Nederlandse samenleving de laatste jaren sterk gegroeid. Evenals de verbondenheid met Turkije en de betrokkenheid bij de eigen groep in Nederland. Het is allemaal waar, en tegelijk is het een eenzijdige weergave van de werkelijkheid. Parallel daaraan zijn er ook andere ontwikkelingen te bespeuren. Zeker de hoger opgeleide jongeren zijn verwikkeld in een maatschappelijke inhaalslag. Ze doen volop mee in Nederland en staan individualistischer in het leven dan hun ouders, ook als ze een conservatief-religieuze levensstijl voorstaan. Ze combineren hun eigen keuzes met de verwachtingen van hun ouders. Ze eisen hun plek in de Nederlandse samenleving op. Ahmet (26, UvA): ‘Die plek wordt mij niet automatisch gegeven. Dat is wellicht de reden dat ik zo stellig zeg: ik ben Nederlander.’

Die alarmistische beeldvorming én hun verbondenheid met Nederland, daarover spraken we de afgelopen maanden twee keer uitgebreid met veertien studenten met Turkse wortels. En gedurende een week noteerden ze de activiteiten die ze ondernamen. Uit hun woorden, gebaren, een blik, lichtte iets als een pioniersgeest op. Een gedrevenheid waarmee ze hun religieuze en etnische origine verbinden met hun leven hier en de denkkracht die ze door hun studie ontwikkelen. Ze komen voor zichzelf op, ze willen voor vol worden aangezien. Ze zijn Nederlander van eigen bodem. Ze studeren aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. Ze zitten in de bachelor- en masterfase en studeren Europese studies, rechten, scheikunde, bestuurskunde, sociologie, economie, politicologie, accountancy and control, religiewetenschappen en bedrijfskunde.

Voor veel studenten was het referendum in Turkije in april dit jaar de druppel die de emmer deed overlopen. Het vormde in het publieke debat in Nederland – na de mislukte coup vorig jaar zomer en de massale zuiveringen die de AK-partij doorvoert – de lakmoesproef voor hoe slecht het in Turkije met de democratie is gesteld. En het bewijs dat Turkse Nederlanders met de rug naar Nederland staan. Hoe kan anders worden verklaard dat zeventig procent van de Turks-Nederlandse stemgerechtigden die hun stembiljet daadwerkelijk invulden ja zeiden tegen dat omstreden presidentiële systeem? Het is een lastig vraagstuk, zegt Kerem (22, VU), die nee heeft gestemd. ‘Ook als niet-nationalistische Turkse Nederlander moet ik me verantwoorden voor de daden van mensen die dezelfde etnische achtergrond hebben als ik.’

Hoe objectief hij de situatie in Turkije ook beschrijft, voor de Nederlandse publieke opinie blijft hij een Erdogan-aanhanger. Dat is voor Ismail (28, UvA) een reden om zich bewust niet met discussies over de Turkse politiek te bemoeien. ‘Mijn toekomst ligt in Nederland. In principe zou ik voor werk nog wel eens naar Turkije willen, maar dat ligt gezien de politieke situatie daar niet voor de hand.’ Het kwetst Sürreya dat de vrijheid van meningsuiting voor Turkse Nederlanders meer en meer wordt versmald tot de vrijheid om de mening te hebben die wordt geaccepteerd. ‘Als je als Turkse Nederlander voor Erdogan bent, ben je niet democratisch, niet geïntegreerd. Dan gaat het over mensen als mijn vader. Hij heeft hier altijd gewerkt, runde zijn eigen bedrijf, trouwde een Nederlandse vrouw. Hij heeft zijn dochters echt vrij opgevoed. En nog steeds is hij niet geïntegreerd omdat hij een politieke mening heeft die niet deugt.’

Ook Hüseyin (26, VU) ervaart dat hij als hij iets goed doet Nederlander is en als hij iets fout doet als Turk wordt weggezet. Soms stelt hij een tegenvraag: wanneer ben ik volgens jou Nederlander? Negen van de tien keer weigert hij inmiddels te vertellen of hij voor of tegen het bewind van Erdogan is. ‘Ik ben niemand verantwoording schuldig. Ik ben hier geboren, ik heb de Nederlandse nationaliteit.’

Een krappe meerderheid van de studenten woont nog thuis. In de huiskamer van hun ouders staat de Turkse televisie altijd aan. Halim (24, UvA): ‘Mijn ouders zijn heel erg Turks. Ze richten zich vrijwel zonder uitzondering op Turkije en gaan voornamelijk met andere Turken in Nederland om. De aandacht voor Nederland is minimaal.’ Zuhal (21, UvA): ‘Mijn moeder houdt meer dan mijn vader vast aan de Turkse tradities en het geloof. Mijn vader interesseert zich ook voor de Nederlandse politiek, ook al spreekt hij slecht Nederlands.’

Nederlands is de voertaal waarin de studenten met hun broers en zusters, neven en nichten spreken, de generatie die hier is opgegroeid. Ze zeggen veel van hun ouders te hebben meegekregen, maar praten tegelijk in abstracte termen over hun herkomstland: wortels, tentakels, in culturele zin. Er is een diep besef dat zij híer zijn geboren en getogen en dat ze zich anders ontwikkelen dan hun ouders. Ze kennen de weg in Nederland, weten meer. Door hun studie maar ook omdat ze deel uitmaken van een wereld die hun ouders veelal vreemd is. Zeynep (24, VU): ‘Geloof me, er is zoveel dat hun onbekend is. In die zin is het beperkt wat je thuis doet en ervaart.’ Ze merken het gedurende hun middelbare-schooltijd en de keuze voor vervolgstudies. Hüseyin: ‘Er is zoveel druk om te studeren, maar onze ouders hebben geen idee wat hun kinderen op school precies doen. Ze kunnen ons niet begeleiden op dat pad.’

Voor menigeen is het een netelige klus om de kloof tussen hun wereld en die van hun ouders te overbruggen. Nermin (26, UvA) licht het toe aan de hand van haar favoriete Netflix-serie Dear White People, over het leven van zwarte studenten op prestigieuze Amerikaanse universiteiten. ‘De hoofdrolspelers worstelen met dezelfde problemen als wij. Hoe verhoud je je tot de witte omgeving waarin je je elke dag begeeft? En hoe leg je aan je ouders uit wat dat met je doet? Ook al spreek je dezelfde taal als je ouders, nog steeds kun je je hart, je drijfveren niet uitleggen. Je komt er net niet bij.’

‘Ook al spreek je dezelfde taal als je ouders, nog steeds kun je je hart, je drijfveren niet uitleggen. Je komt er net niet bij’

Mutlu, die nog thuis woont en het daar prima naar zijn zin heeft: ‘Je wordt gevormd door je ouders. Maar ik zou me kunnen voorstellen dat als ik later trouw en kinderen krijg ik mijn Turkse normen en waarden aanvul met allerlei andere zaken die ik op de universiteit heb geleerd.’ Dat geldt ook voor zijn geloof. ‘Het belang ervan zal niet veranderen, maar hoe je erover nadenkt wel. Je wordt ook gevormd door je studie en je werk straks.’

De band van de studenten met Turkije loopt vooral via hun ouders en familie, hier en daar. En de meerderheid van de ouders is voor Erdogan. De geïnterviewden die net als hun vader en moeder ja stemden bij het referendum over de uitbreiding van de presidentiële macht benadrukken dat ze er wel anders in staan. Ali: ‘Mijn ouders waren vanaf dag één actieve aanhangers van de AK-partij, maar ze keken niet inhoudelijk naar zijn politieke ideologie. Ze zijn best vatbaar voor de propaganda van de Turkse media, de retoriek van Erdogan. Hij is een charismatische leider. Dat begrijp ik, alleen probeer ik me daar niet door te laten beïnvloeden. Ik kijk naar de inhoud.’ Hij is de laatste jaren juist afgeknapt op het Turkse politieke bedrijf: ‘Voorheen keek ik zeker vier keer per dag op een Turkse site naar wat er gebeurde. Tegenwoordig doe ik dat minder. Ik kijk even snel in de ochtend. De Turkse politiek heeft weinig niveau. Ze schreeuwen naar elkaar, maken elkaar zwart. Ik wil het niet weten. Ik leef nu meer op afstand tot Turkije.’

Sürreya was een gretige bezoeker van Turkse huwelijksfeesten in Nederland. ‘Ook daar wordt over de Turkse politiek gediscussieerd.’ Aanvankelijk luisterde ze. Naar haar vader die welbespraakt is en Erdogan altijd verdedigt. Thuis volgde ze de gesprekken die hij via Facetime met haar linkse ooms en tante in Turkije voerde. ‘Dat leverde vaak verhitte discussies op.’ Sinds ze vorig jaar vijf maanden aan een universiteit in Istanbul studeerde, en op de UvA een vak over de islam volgde, heeft ze een bredere kijk op de Turkse politiek dan haar vader haar voorspiegelde: Erdogan is de beste. ‘Ik ken de andere politici nu en zou op linkse partijen stemmen.’ Ze discussieert erover met haar vader, maar ze zet zich niet tegen hem af. ‘Ik respecteer de manier waarop hij denkt. Hij is nationalistisch opgevoed. Voor Nederlanders is dat moeilijk te begrijpen.’

De heftige en negatieve reacties van veel Nederlanders over het Turkse referendum kwamen voor de studenten niet uit de lucht vallen. Ze leven al langer met de toegenomen anti-migratieretoriek. Maar nog niet eerder werden de spotlights zo expliciet op één migrantengemeenschap gezet. Mutlu: ‘Mijn achternaam zegt alles, zonder te weten wie ik ben.’ De negatieve houding heeft Kerem bewuster gemaakt van de machtsverhoudingen in Nederland: ‘Ik zie nu meer verbanden dan vroeger, de witte, elitaire man die macht uitoefent. Dat zie ik ook in de wetenschap terug.’ Anderen, zoals Enes (28, VU), voelen zich weggezet: ‘Ik word niet eens tot tweede maar tot derderangsburger gedegradeerd. Zet het nieuws maar aan. Op alle fronten wordt er op me neergekeken.’ Hij vertelt dat hij op straat extra aardig is. ‘Als ik een bus instap, zeg ik nadrukkelijk goedemorgen ook al kijkt niemand me aan. Ik moet de verbinding maken. Niet zij. Terwijl ik een modelburger ben. Ik heb me vanaf de straat en de mavo opgewerkt tot de universiteit.’

De meerderheid van de studenten die we spraken stapelde studie op studie om uiteindelijk op de universiteit terecht te komen. Ze kregen een opvallend laag schooladvies; slechts een enkeling volgde vwo. Zij kwamen uit plekken in Noord- en Zuid-Holland waar nauwelijks andere migranten wonen; ze gingen naar een ‘witte’ school. Daarmee passen deze Turkse Nederlanders in het bredere tijdsbeeld dat klasse en identiteit nog voor een zeer belangrijk deel je toekomst bepalen. Dus milieu, herkomst, ouders, je postcode.

Die realiteit maakt Zeynep soms sterk en creatief en soms stemt het haar depressief. ‘Kom ik straks wel aan een baan, een vast contract? Mijn kleurtje is bepalend.’ Ze polste onlangs een vriendin die bedrijfskunde studeert of ze zin had om in de toekomst samen een adviesbureau over culturele diversiteit op te zetten. ‘Je gaat dus ook andere wegen zoeken.’

De studenten zijn ronduit positief over Nederland. Ze roemen de kwaliteit van leven – je krijgt alle kansen om te worden wat je wil en in Nederland mag je zeggen en denken wat je wil. Die vrijheid om je lot in eigen hand te nemen, de mogelijkheden tot individuele ontplooiing zijn voor hen een groot goed. Maar in één adem noemen ze de negatieve punten. ‘Onze generatie is de meest stressvolle ooit’, benadrukt Kerem. ‘We studeren, doen vrijwilligerswerk, hebben bijbanen, we lopen de benen uit ons lijf. Die constante druk om te bewijzen dat we minstens even goed zijn als de rest.’

Hüseyin vertelt dat hij op de middelbare school al door had dat er in de klas onderscheid wordt gemaakt: ‘Ik moest extra lessen volgen, bijlessen zeiden ze. Dat was alleen voor mensen met een andere achtergrond, terwijl ik perfect Nederlands spreek. Dan denk je: waar slaat dit op?’ Dat is een van de redenen waarom hij zich in het gedachtegoed van DENK kan vinden. ‘Hun afkeer van het idee dat wij anoniem zouden moeten solliciteren. Daar ben ik ook tegen. Ik ben hier geboren, een Nederlander van de eigen grond. Waarom zou ik me anders moeten voordoen?’

De meeste andere studenten moeten juist niets van DENK hebben. Ze ergeren zich aan de wind van gekrenktheid en miskenning die de partij door Nederland stuwt. Niet dat zij niet soms verdriet hebben over discriminatie en racisme, maar ze missen de zelfreflectie, het concept van wederkerigheid. Ahmet: ‘Je kunt niet de vrijheid voor jezelf opeisen om anders te zijn als je een joodse generatiegenoot zijn keppeltje ontzegt.’ De denkkracht die ze op de universiteit ontwikkelen, speelt daarbij een belangrijke rol. Ze weten nu beter hoe de maatschappij in elkaar steekt en raakten gefascineerd door het Nederlandse rechtsstelsel en de fricties tussen hoe de vrijheid van mening zich verhoudt tot de vrijheid van religie.

Ook later, als academicus, wil Ahmet midden in dat debat staan. ‘Bij Europese studies heb ik cultuurgeschiedenis gehad. Dat heeft me geholpen om Nederland te begrijpen. Door mijn studie rechten ben ik nieuwsgierig naar hoe zaken als individuele vrijheid en mensenrechten zijn geregeld. Wat betekent burgerschap?’ Hij licht toe dat sommige Turkse Nederlanders hem uitlachen als hij zegt dat Nederland zijn plek is: ‘Natuurlijk uit die typische Nederlandse directheid zich ook in licht racistische grappen. Maar in Nederland wonen betekent dat je moet leren daarmee om te gaan.’

Mutlu laat zich zo min mogelijk in de wij-zij-discussie lokken: ‘Ik heb er een hekel aan als mensen dat doen. Natuurlijk is er discriminatie, maar dat betekent niet dat heel Nederland dat doet.’ Halim ervaart dat in discussies in de Turks-Nederlandse gemeenschap wordt gezegd: je moet geen Nederlander willen worden, je bent een Turk. ‘Ik ga daar actief tegenin, maar meestal loopt het op niets uit. Het is een debiel idee, die oproep tot een parallelle samenleving.’ Metin (32, UvA) was tijdens zijn middelbare-schooljaren vooral reactief. ‘Omdat ik migrant ben, was ik geneigd in de slachtofferrol te kruipen. Maar ik ben er wel achter dat het totaal niet helpt.’

‘Omdat ik migrant ben, was ik geneigd in de slachtofferrol te kruipen. Maar ik ben er achter dat het totaal niet helpt’

De studenten groeiden op in een snel veranderend Nederland. Wat komt er bij hen op, vroegen we, als ze nu terugkijken op hun jeugdjaren? Ze spreken over interne conflicten. Terwijl hun ouders muren optrokken tegen de aanzwellende kritiek op moslimmigranten en de islamofobie werden zij opener, individualistischer. Een enkele keer sijpelt er weemoed over de tafel. Hoe anders hun leven was gelopen als ze meer vrijheid hadden gehad. Als hun ouders de droom om naar de kleinkunstacademie of de toneelschool te gaan niet met de bedrieglijke rust van mensen die het beter weten achter de horizon hadden gezwiept. ‘Dat is waar ik het meest mee zit’, zegt Zeynep. Tegelijkertijd houdt ze haar ouders uit de wind: ‘Ik ervaar de Turkse cultuur als verstikkend, niet per se mijn opvoeding of mijn ouders.’

Ze piekert er vaak over wie ze zou zijn geweest als de sociale controle wat minder rigide was geweest. Als haar ouders, en al die andere Turken in haar achterstandswijk, de wereld van buiten hadden binnengelaten. ‘Wat zou er van mij zijn geworden als ik dezelfde bewegingsvrijheid had gehad als een Nederlands meisje?’ Twee van haar vriendinnen gaan dit jaar op vakantie naar Thailand. ‘Ze zijn 26, werken, zijn niet getrouwd, en in hun familie is het nog steeds een heel ding: je bent een vrouw, je gaat ver weg, dat kan niet.’ Ze groeide op in een homogene omgeving met voornamelijk migranten van Turkse en Marokkaanse afkomst. ‘Dat zeg ik niet om negatief te zijn, maar het is geen representatief beeld van de Nederlandse samenleving.’ Tot haar negentiende kende ze nauwelijks Nederlanders zonder migratieachtergrond. ‘Tot ik op het hbo kwam. Dat was een cultuurshock. Ik kwam in een klas met voor de helft autochtone Nederlanders. Heel anders dan ik gewend was.’ Ze realiseerde zich dat ze daadwerkelijk een taalachterstand had. ‘Dat maakte me onzeker.’

Small hh 9865633
© Patrick Post / HH

Nermin zat in 5 vwo en moest snuffelstages doen. ‘Ik was vanaf 3 vwo al bezig met theater, had vrienden op de kleinkunstacademie en de theaterschool. Ik wilde later graag op het podium staan.’ Ze vertelde haar ouders over Turkse kunstenaars die deze opleiding hadden gevolgd en heel goed terecht waren gekomen. Ze waren onverbiddelijk: ‘Een islamitisch meisje kan niet naar de toneelschool. Misschien moest ik voor een rol wel zoenen op het toneel, vrijen met een wildvreemde man.’ Teleurgesteld meldde ze op school dat de snuffelstages die ze had ingevuld niet konden doorgaan. ‘Dan voel je weerstand tegen je ouders. Het constante gevecht met wie je bent en wie je wilt worden.’

Halim was een heel vrolijk jongetje op de basisschool. Hij deed auditie voor een televisieprogramma in Hilversum. ‘Mijn ouders wilden dat niet. Doe normaal, waar ben je mee bezig? Uit protest ben ik nog een paar keer vaker naar Hilversum afgereisd, maar toen heb ik het losgelaten. Er was totaal geen steun.’ Vanaf dat moment focuste hij zich vooral op school. Eerst mavo, want ook hij had aanvankelijk een taalachterstand. ‘Ik probeerde op die manier nog iets van mijn leven te maken.’

Nu hij aan het afstuderen is, komt de wrok terug. ‘Wat heb ik eigenlijk in mijn leven gedaan? Ik heb heel veel moeten missen. Toneel bijvoorbeeld. Als ik dat wel had gedaan was ik nu misschien een heel ander persoon geweest.’ Recentelijk sprak hij er met zijn moeder over. ‘Je was zo beschermend. We mochten niet eens buiten spelen met andere kinderen. Dat zorgde voor een achterstand in mijn sociale ontwikkeling.’ Even is het stil, dan zegt hij zachtjes: ‘De laatste jaren kom ik steeds meer mensen tegen die wel een leuke jeugd hebben gehad. Ze mochten hun nieuwsgierigheid achterna. Hun ouders stimuleerden dat. Het doet pijn dat ik dat heb moeten missen.’

De toekomstdromen van vrijwel alle studenten zijn verweven met hun Nederlandse context. Mutlu wil graag bij de klm werken. Een positie bekleden waarmee hij de kranten haalt. Iemand die de visie, de toekomst van de klm mede bepaalt. Hij denkt er niet aan om bij Turkish Airlines aan de slag te gaan. ‘Ik heb niet het idee om Nederland te verlaten, niet voor Turkije en niet voor een ander land. Ik vind de klm van kinds af aan al een vet bedrijf. Ze deden het de laatste jaren slechter dan hun concurrenten. Maar recentelijk is het tij gekeerd. Ze worden steeds meer 2017.’

Veel Turkse Nederlanders onderschatten volgens Mutlu hoe moeilijk het is om in Turkije te werken. ‘De cultuur en de arbeidsverhoudingen zijn daar heel anders. Je moet je enorm aanpassen. Een zelfde soort kloof als wanneer je aan collega’s hier in Nederland uitlegt waarom je geen alcohol drinkt.’

Voor Hüseyin maakt het niet uit hoeveel hij verdient, als hij maar plezier in zijn werk heeft. ‘Ik denk niet dat ik iets ga doen waarvoor ik heb gestudeerd. Ik denk dat ik uiteindelijk mijn eigen baas word.’ Hij is actief, wil praten, niet de hele dag achter een bureau zitten. ‘Terwijl ik nog studeer, vlieg ik naar Thailand, ga naar Londen voor een wedstrijd van Galatasaray.’ Zeynep heeft bewust voor sociologie gekozen. Ze wil zich inzetten voor de zwakkeren in de samenleving: ‘De reden dat ik vrijwilligerswerk heb gedaan bij Vluchtelingenwerk.’ Ze schrijft aan een boek. ‘Er is te weinig bekend over hoogopgeleide Turkse Nederlanders. We worden in de media vaak afgeschilderd als achtergebleven, niet geïntegreerd. Ik kom dan wel uit een heel slechte wijk, maar ik probeer mijn best te doen om me te ontwikkelen. En dan hoop je wel op een goede toekomst in Nederland. Maar soms hoor ik dingen die me bang maken en als ik erover schrijf lucht dat me op.’

Anderen twijfelen. Enes: ‘Professioneel weet ik het nog niet, maar ik weet wel dat ik niet in Turkije aan de slag ga. Turken gedragen zich steeds egoïstischer, ze zijn weinig islamitisch. Misschien ga ik naar Palestina. Ik vond het heel heftig toen ik in Hebron was. Mocht dat niet lukken, dan blijf ik waarschijnlijk in Amsterdam.’ Voorlopig probeert hij zijn studie zo lang mogelijk te rekken. ‘Ik zit in het laatste jaar van mijn bachelor religiewetenschappen en doe er zo veel mogelijk vakken naast. Voor een tweede bachelor moet je achtduizend euro betalen en dat kan ik niet.’ Hij woont op zichzelf, zijn ouders zijn terugverhuisd naar Mersin, aan de Turkse zuidoostkust. Timur (23, UvA) wil op een goed aangeschreven universiteit als onderzoeker aan de gang. Hij wil ten minste hoofddocent worden in de politieke economie. ‘Ik ben van de harde data, van het kwantitatieve onderzoek.’ Ismail gaat eerst kijken of hij het leuk vindt in de advocatuur. Thuis pushen ze hem om officier van justitie te worden.

Halim is al met één been bij het Openbaar Ministerie binnen. ‘Deze week kreeg ik te horen dat ik een pittig assessment had gehaald en een laatste, beslissende assessment mag afleggen om toegelaten te worden tot een traineeship.’ Verloopt dat goed, dan stroomt hij het jaar daarna door naar de opleiding voor (assistent-)officier van justitie. ‘Door die brief was ik de rest van de week behoorlijk vrolijk.’

Hoe goed ze zich ook op de toekomst voorbereiden, in hun hoofd blijft het vaak gisten. Waar stevenen ze op af? In hoeverre krijgen ze de gelegenheid om hun individuele eigenheid voor het voetlicht te tillen? De ochtenden dat ze gedesoriënteerd wakker worden, worden spaarzamer, maar soms hebben ze toch nog angstige dromen dat ze de verkeerde achternaam hebben, uitgesloten worden, geen baan vinden. Zeynep: ‘Ja, die witte norm in Nederland, de culturele arrogantie, de vooroordelen tegen migranten. Dan droom ik dat ik emigreer.’


Dit is het tweede deel van een tweeluik over de denk- en leefwereld van Turks-Nederlandse studenten aan de UvA en de VU. Deel één is hier te lezen. Op verzoek zijn de meeste namen gefingeerd. Dit artikel kwam tot stand dankzij een subsidie van Fonds 1877