Menno Hurenkamp

Mijn afgeblazen huwelijk

Onlangs werd ik zomaar ten huwelijk gevraagd. Kijk aan, die sportschool is toch weer niet voor niks gebleken. Dacht ik. Maar zo zat de vork niet in de steel. Het meisje dat met het verzoek kwam, N., deed dat voor haar nicht. En die woonde, woont, in Duitsland, was nog nooit in Nederland geweest en wist ook niet van mijn bestaan. Ze kon zich al met al onmogelijk aan mij verslingerd hebben. Het verzoek had dan ook een strikt praktische aard. Een huwelijk zou het voor het meisje mogelijk maken om legaal naar Nederland te komen. Nu tobde ze als illegaal in Duitsland en dat was niks. Ik kon wel wat geld voor mijn jawoord krijgen, een paar duizend euro of zo. Verder mocht ik me er vooral niet te veel van voorstellen. De bruid was pas negentien en het was tenslotte voor de goede zaak.

Blijkbaar wekte ik de indruk wel te porren te zijn voor de goede zaak. Misschien omdat ik bij N. zojuist had geïnformeerd naar een andere goede zaak, namelijk haar bloeiende handel in Lacoste-poloshirts en dure spijkerbroeken. Ik kom haar met enige regelmaat tegen in een organisatie voor publieke dienstverlening (die verder maar even anoniem moet blijven). N. heeft daar van alles te doen. Tussen de bedrijven door in partijen «van de vrachtwagen gevallen» merkkleding handelen leek mij echter geen kerntaak. Maar veertig euro voor een echte tennispolo is een koopje, verzekerden ook anderen mij. N. zou kortom een dief van haar eigen portemonnee zijn wanneer ze het niet deed, en dat gold ook voor mij.

Ik kon het niet laten om N. eens te polsen over wat ze zelf dacht van haar lucratieve maar toch niet helemaal nette praktijk afgezet tegen de vroom aandoende heavy duty-hoofddoek die ze draagt. Maar dat wuifde ze giechelend weg. Wilde ik nou trouwen of niet? Ik zei dat ik vereerd was maar bedankte vriendelijk. Ambts halve informeerde ik of ze geen broers of neven had die dit varkentje konden wassen. Dat ging niet. Ze had maar één broer en die was pas 24, die «moest nog leven». Nu in het huwelijk treden zou de arme jongen helemaal knakken. (Die impliciete veroordeling als aftandse sok kon ik weer in mijn zak steken.) En haar twee neven waren allebei politieagent, dus dat lag ook niet voor de hand. Nee nee, zei N. meteen in antwoord op mijn almaar stijgende wenkbrauwen, die neven weten niet eens dat ik probeer dat huwelijk te regelen, we houden ze daar buiten, echt waar. N. schudde zo overtuigend mogelijk vol verbazing haar hoofd over die gedachte. Stel je voor zeg, dat de politie door de vingers zou zien dat meisjes alleen maar trouwen om een paspoort.

Als ik Rita Verdonk was had ik N. een van de rotte kiezen van de Nederlandse maatschappij genoemd. Religie en zwarte handel, illegalen, gearrangeerde huwelijken, de jongens die mogen «leven» en meisjes die moeten trouwen – het zijn allemaal bewijzen van een schandalige dubbele moraal, die hartstikke on-Nederlands is en een grote schande bovendien, in- of uitburgeren voor het te laat is! Maar ik stapte op mijn fiets en reed naar huis, ongehuwd, zonder polo en toch opgewekt.