Vincent van Gogh 125 jaar inspiratie

‘Mijn allerliefste Van Gogh’

In de 125 jaar na zijn dood groeide Van Gogh uit tot allemansvriend – niet het type waar kunstenaars doorgaans graag mee gezien worden. De jongste generatie mengt zich in het Van Gogh Museum tussen de klassiekers.

Medium jankowski 20images 20600 20dpi 2

De zomermaanden van het jaar 1881 bracht Vincent van Gogh door in Etten-Leur, het Brabantse dorp waar zijn vader werkzaam was als dominee. Een lange eeuw later ging ik er naar de Vincent van Goghschool, de naam in zijn handschrift op de gevel. Met carnaval kregen we schuimrubberen bladeren van een zonnebloem om ons hoofd gebonden, de gele schmink op ons gezicht hield het niet de hele optocht vol. Met de vossenjacht zat Vincent, al dan niet met verband om zijn oor, op een bankje in het park en in de schoolmusical speelden we op een duister podium De aardappeleters. Ik deed ten minste mee aan één zonnebloemwedstrijd.

Een studie kunstgeschiedenis lag hier niet vanzelfsprekend in het verlengde – in Brabant geen Van Gogh gezien – maar het verhaal van de eenzame kunstenaar met de heldere kleuren zat er goed in. Later leerde je dat het harde geel beter ‘primitief’ genoemd kon worden dan vrolijk en dat de gestreepte toets in sterrennacht en bloemenweide naast een teken van vastberadenheid ook kon duiden op een zwak gestel. Op de ongevaarlijke grens van genie en outsiderkunstenaar werd Van Gogh met de tijd een allemansvriend.

Niet het type waar kunstenaars doorgaans graag mee koketteren, Van Gogh zelf op de laatste plaats. Hij liet zich inspireren door het werk van Jean-Jacques Rousseau, Jean-Baptiste Corot en Charles-François Daubigny, mannen die groot waren in een radicale eigenheid. ‘Hooger dan den top van den berg kan men niet klimmen’, schreef Van Gogh en Jean-François Millet stond wat hem betreft bovenaan. Toen zijn broer Theo hem in een brief vertelde over een tentoonstelling in Parijs met al deze kunstenaars verzameld, Cent chefs-d’oeuvre des collections parisiennes (1883), beklaagde Van Gogh het lot van zijn helden, mannen ‘die men aanzag zooals de veldwachter een losloopenden ruigen hond of een vagabond zonder paspoort aanziet, en de tijd gaat daarover heen en ziedaar “les cent chefs d’oeuvre”’. Kunst hoog aan de top was eensklaps opgeborgen in de canon.

Zijn eigen oeuvre, onderhevig aan speculaties over moderne kunst en een roerig leven, inspireerde tot buiten de kunstwereld. Al in 1891, een jaar na zijn overlijden, brak Frederik van Eeden een lans voor Van Gogh in De Nieuwe Gids. Zich bewust van zijn status als gelegenheidskunstcriticus schreef Van Eeden: ‘Ik durf over Van Gogh schrijven omdat ik geloof dat ook iemand, die geen schilder is, zijn kunst zeer zuiver voelen kan. Misschien zuiverder en sterker dan de schilders zelve, omdat die meer dan anderen zullen geërgerd worden door zijn verwaarlozing van vele dingen die zij ernstig betrachten.’ Van Eeden voelde zich ‘zoo forsch en direct aangegrepen’, hij vond het werk ‘mooi, o zoo mooi’. Het grote publiek mocht Van Gogh dan uitlachen en zijn kunst als ‘iets ziekelijks, iets geforceerds, iets mislukts’ beschouwen, en de kunstenaars konden beweren dat Van Gogh geen echte schilder was, hij kon de nabeelden van kleuren en indrukken niet van zijn netvlies krijgen.

De weduwe van broer Theo, Jo van Gogh-Bonger, gaf in 1914 Brieven aan zijn broeder uit. In het voorwoord stelde ze: ‘Het zou een onbillijkheid zijn geweest jegens den doode, belangstelling te wekken voor zijn persóón, eer het werk waaraan hij zijn leven gaf, erkend werd en gewaardeerd zooals het verdiende. Vele jaren zijn verloopen eer Vincent als schilder erkend is; thans kan men hem als mensch leeren kennen en begrijpen.’

Maar dan al was de tragiek van zijn leven zijn werk binnengeslopen. ‘O de droeve olijven, de rampzalige, smart-verwrongen boomen van Gethsemané!’, schreef Van Eeden. ‘Hij laat ze staan in hun roerloozen rouw, opreiend tegen de vale steenheuvelen – de arme, machtelooze sprinkelblaadjes bleek in het droge, onmeedogenloze licht, aan de zwarte, worstelende takken op de wostgedrongen, korte stammen daaronder op den dorren grond.’

De herdenking van het 125ste sterfjaar van de kunstenaar vindt in Nederland, België, Frankrijk en Engeland plaats onder het thema ‘125 jaar inspiratie’. Veel inspiratie gaat verloren in de parodie. Ontwerper Daan Roosegaarde ontwikkelde in Nuenen een Van Gogh-fietspad, met duizenden steentjes die uit het asfalt oplichten als de sterren op het beroemde schilderij. Straatkunstenaars in Arnhem tilden Van Goghs naar deze tijd met onder meer De aardappeleters in 3D. Om met Van Gogh in 1881 te spreken: ‘Doof uw inspiratie en verbeeldingskracht niet uit, wordt geen slaaf van ’t model.’

Opmerkelijker is de vraag aan kunstenaars en schrijvers om met een eigen kunstwerk te reageren op een brief van Van Gogh, die voor hen werd uitgezocht door kunstenaar Henk Schut. In de brieven die veelal gericht waren aan zijn broer kaart Van Gogh uiteenlopende kwesties aan: kleur, ambitie, twijfel, vergankelijkheid, doorzettingsvermogen, techniek, slagen en mislukken, componeren en kopiëren. De nieuwe kunstwerken zijn bijeengebracht in de tentoonstelling When I Give, I Give Myself in het Van Gogh Museum, waar ze dwars door de collectie heen lopen als antwoorden op vraagstukken die al ruim een eeuw meegaan.

Heel direct gebeurt dat in de brieven die Nicole Krauss (‘Beste Vincent’), Arnon Grunberg (‘Vincent’), Hafid Bouazza (‘G, V, (D)’) en Yayoi Kusama (‘Mijn allerliefste Van Gogh’) opstelden. En sommige beeldend-kunstwerken hadden net zo goed, zo niet beter in briefvorm kunnen bestaan. Swap with Siri van kunstenaars Pilvi Takala en Siri Baggerman bijvoorbeeld. Takala hoorde van vriendin Siri het verhaal over haar gescheiden ouders die onafhankelijk van elkaar een uitvaartverzekering voor haar hadden afgesloten. De video waarin ze haar ouders interviewt over de gift en informeert bij de verzekeringsmaatschappij naar de mogelijkheden tot uitkering voegt aan dat gegeven weinig toe. In een brief die in het Van Gogh Museum naast het televisiescherm ligt vraagt Siri bezoekers of ze erin geïnteresseerd zijn de erfgenaam van haar verzekeringen te worden – ze heeft helemaal geen verzekering nodig want ze wil haar lichaam aan de wetenschap doneren – en wat ze bereid zijn daar tegenover te stellen. Geld als schuld, beloning en weg naar vrijheid is een kwestie waar Van Gogh pagina’s over volschreef, maar als kunstwerk is Swap with Siri zelf geen brief waard.

Maar sommige kunstwerken stijgen ook boven de vraag van hun model uit.

De kritiek op de eerste impressionisten was dat zij met hun stijl te ver van de zichtbare realiteit heen waren geraakt. Het is moeilijk voor te stellen wanneer Van Eeden in zijn lofzang op Van Gogh verklaart eigenlijk nog nooit een saffraangeel gezicht, bloedrode bomen of grasgroene luchten op een schilderij te hebben gezien – de herkenning van een zelfportret of een korenveld wint het bij de bezoekers van het Van Gogh Museum vandaag zeker van de vervreemding van de verftoets.

Het werk van de enige schilder die Schut voor de tentoonstelling uitnodigde, Michaël Borremans, gaat moeiteloos in die voorstellingen op. In de zaal die gewijd is aan Van Gogh en het landleven hangt zijn schilderij, een donker portret van bruine loafers met kwastjes, op een steenworp afstand van De aardappeleters en Twee vrouwen in het veen. Dat een dergelijke chique schoen niet thuishoort op het land blijft onopgemerkt.

Op eenzelfde manier verscholen hangt de bijdrage van Christian Jankowski in de zaal ‘Oog in oog met Van Gogh’: een portret van een man met rood haar en een baard in een blauw jasje tegen een blauwe achtergrond. De verf is in een gladde laag aangebracht en glimt van nieuwigheid, maar de pose en de kleurstellingen zijn genoeg om voor een zelfportret van Van Gogh door te gaan. In zekere zin is het portret een echo van alle zelfportretten in de zaal, een slotakkoord van de Van Gogh-legende. Jankowski zocht foto’s van mannen die poseerden als Van Gogh en stuurde deze foto’s met instructies naar een schilderfabriek in China. De reproducties werden vanuit China opgestuurd naar het Van Gogh Museum, de complexe verhoudingen van onze tijd gaan schuil achter de herkenning.

Maar het merendeel van de kunst in When I Give, I Give Myself werkt op de eerste plaats vervreemdend. De video’s, foto’s, sculpturen en installaties zijn conceptueel van aard en lijken opnieuw ver van de zichtbare realiteit geraakt. Dat de kunst daar eigenlijk nog nooit zo dicht bovenop zat is de verrassende paradox van de tentoonstelling.

Ryan Gander bijvoorbeeld vroeg kunstenaars over de hele wereld om een kraslot te kopen en de winst te doneren aan de Art School die hij wil opzetten voor kunstenaars die een gerenommeerde opleiding niet kunnen bekostigen. De 135 ‘verliezende’ krasloten verzamelde hij voor de tentoonstelling in een collage van kaarten in giftige kleuren met ondoorgrondelijke sudoku’s, rebussen en bingospelen met namen als Blackout Bingo, Flappen Krassen en Set for Life in giftige kleuren. Set out your stall maakt de balans op van winst en verlies in de vorm van een abstracte compositie.

In de brief die Constant Dullaart van Schut ontving schreef Van Gogh: ‘Ah, wat zouden er met de fotografie en de schilderkunst een portretten naar de natuur te maken zijn. Ik heb nog altijd de hoop dat ons met het portret nog een mooie revolutie te wachten staat.’ Dullaart ontwikkelde drie fotowerken waarop een vrouw op de rug wordt gezien, Jennifer in Paradise. Jennifer is de vrouw van de bedenker van Photoshop en de originele foto is de eerste foto die met Photoshop bewerkt werd. Dullaart bewerkte dat beeld ‘naar de natuur’ op drie manieren (Halftone Circle, Chrome en Accented Edges) en hing ze naast elkaar als bewijs én ondermijning van de revolutie waar Van Gogh op hoopte.

Basisschoolleerlingen plantten dit herdenkingsjaar extra veel zonnebloemen voor het project ‘Zonnebloemendorp Etten-Leur’ – het Van Gogh Museum kan met recht zeggen dat Van Gogh 125 jaar na zijn dood ‘meer leeft dan ooit’. Maar de ‘neiging tot bontheid’ die Van Eeden in Van Gogh prees, het lef ‘als iemand die hard durft zingen zonder het valsch te doen’, die is met Van Goghniet verdwenen. De beste kunst van vandaag is zo goed ondanks, en niet dankzij de inspiratie.

When I Give, I Give Myself. Hedendaagse kunstenaars reageren op brieven van Van Gogh, t/m 17 januari 2016, Van Gogh Museum, Amsterdam; vangogh.nl

‘Ik heb nog altijd de hoop dat ons met het portret nog een mooie revolutie te wachten staat’, schrijft Van Gogh


Beeld: Christian Jankowski, foto met werkaanwijzingen voor de uitvoering van het schilderij Chinese Whisper: Neue Malerei (Van Gogh II), 2015 (Van Gogh Museum Amsterdam / Met dank aan Lisson Gallery, London)