Mijn bestaan als mislukt auteur

Vorige week vertelde ik dat in de boekwinkel tegenwoordig de mooiste (dikste, duurste) boeken biografieën zijn van (ex-)sporters. Literaire auteurs hebben zich overgeleverd aan de televisiecultuur - en goedbeschouwd is dat ook de enige mogelijkheid om als schrijver te kunnen blijven schrijven, of je moet de weg in subsidieland kennen of een tweede beroep hebben.
Zoals een mij bevriende uitgever zei: ‘95 procent van de boeken haalt geen tweede druk, dus 95 procent van de auteurs is schrijver in deeltijd.’ De truc van de uitgevers is tegenwoordig dan ook - in tegenstelling tot vroeger - méér boeken uitgeven (want de productiekosten zijn tegenwoordig laag) en dan moet je in de eerste plaats niet je uitgeefbeleid laten bepalen door de inhoud maar door de mogelijkheid dat het boek 'aandacht’ zal krijgen van de media. In de catalogus die elke uitgever uitgeeft bij de zomer- en winteraanbieding staat tegenwoordig dan ook: 'Radio- en televisie-aandacht. Interviews.’ Waarmee wordt bedoeld: het is vrijwel zeker dat dit boek de aandacht zal trekken. Eén bestseller maakt twintig onrendabele uitgaven goed.
Toen ik de dichtbundel Theo, Theo had geschreven (211 sonnetten over vriendschap) wilde ik niet naar een televisieprogramma toe. (Niemand gelooft mij, maar heus, het is zo.) Maar de uitgever zei terecht dat hij een risico nam met dit boek. (Dichtbundels lopen niet.) Ik zei toe en ging bij Pauw en Witteman zitten. Ik deed mijn best. Maar ik geloof niet dat er één dichtbundel meer door werd verkocht. Ik wist al dat dit zou gebeuren en ik weet hoe dit komt. De aandacht die ik oproep - daarom geef ik dit misschien pedante voorbeeld, waarvoor excuus - komt niet voort uit mijn literaire kwaliteiten, maar uit het feit dat ik Theo van Gogh kende en me soms sterk liberaal uitlaat over de multiculti-samenleving. Het gesprek ging dan ook niet over mijn sonnetten, maar ik werd tegenover de advocaat Gerard Spong gezet - die ik trouwens wel mag - en ik moest met hem debatteren over Wilders, haatzaaien, kortom: de spin-off van de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Hij werd de Goedmens en ik - wat ik ook ben - de angstige Slechtmens, en daar koop je geen dichtbundels van.
Hoe goed ik ook ben, en ik mezelf vind, ik weet dat ik als schrijver slechts bij toeval een hoge oplage zal halen. Want het is meer afhankelijk van toeval geworden dan van kwaliteit. Ik kan mij namelijk moeilijk schikken naar de randvoorwaarden die bij de uitgave van een boek horen.
Ik beklaag mij, maar ik kan ermee leven.
Het is altijd toeval geweest dat er ergens een mutatie ontstaat die een groter voordeel oplevert als je moet overleven. Dat toeval kan mij ook overkomen. En ik ben het met Louis van Gaal eens die in zijn prachtig uitgegeven 'biografie’ zegt (twee boeken in een cassette) dat je toeval kunt afdwingen als je kwalitatief goed bent. Door je kwaliteit moet je jezelf onder de aandacht weten te brengen, zegt hij, en dan komt het toeval vanzelf en word je toevallig opgemerkt… En word je niet opgemerkt, dan heb je geen kwaliteit. Het is enigszins wat Mulisch ooit beweerde, die het jong sterven van een talentvol schrijver eigenlijk een gebrek aan talent vond.
Heb ik dan helemaal geen ontsnappingsmogelijkheid meer om mijn bestaan als mislukt auteur te rechtvaardigen?
Jawel, dat is het begrip 'talent’. Ik kan reeksen schrijvers opnoemen die ooit 'de talentvolle opvolger’ van Reve, Hermans of Mulisch werden genoemd, en het niet hebben gehaald, en ik ken ook auteurs die in eigen tijd werden miskend en later bewonderd werden. Mijn grote held is Karel van het Reve, over wie ik ook gepubliceerd heb. Tot een paar jaar geleden kon je nog de eerste druk vinden van bijna al zijn boeken. Men is het vergeten, maar er waren tijden dat men hem verafschuwde.