Péter Esterházy, Stroomafwaarts langs de Donau

«Mijn boeken zijn een spel»

Voor de Hongaar Péter Esterházy is alles familiegeschiedenis. In zijn werk wordt de verhouding tussen fictie en werkelijkheid dan ook op scherp gesteld. «Ik vind het belangrijk om de eenduidigheid te verbreken. Een van de belangrijkste kenmerken van literatuur is dubbelzinnigheid.»

De schrijver Péter Esterházy (52) is de vleesgeworden absurditeit van de geschiedenis van de twintigste eeuw. Als telg uit de ooit rijkste en machtigste adellijke familie van Hongarije (Haydn was hun hofcomponist) groeide hij op in een dorp waar zijn familie door de communisten naartoe was verbannen. Hij studeerde wiskunde maar werd schrijver, een schrijver die de dwaasheid van de maatschappij met fijnzinnige humor in zijn experimentele werk laat weerspiegelen. Hoewel zijn stijl zich kenmerkt door het volledig door elkaar lopen van waarheid en fictie, zorgde Esterházy onlangs voor opschudding met een boek dat zuiver op feiten gebaseerd blijkt te zijn: zijn vader had twintig jaar voor de communistische geheime dienst gewerkt. Deze onthulling kwam als een donderslag bij heldere hemel. Het Hongaarse publiek was net enthousiast zijn één jaar eerder verschenen Harmonia Caelestis aan het lezen. Dat boek was juist behalve een verhaal over de geschiedenis van de familie — de oude, in deel 1, en het kleine gezin waarin Esterházy zelf opgroeide, in deel 2 — ook een monument voor zijn onkreukbare vader. Dat beeld behoefde correctie. Zo kreeg het nieuwe boek, gebaseerd op de dossiers van de geheime dienst, de titel Verbeterde uitgave.

Van Péter Esterházy verschenen onlangs Stroomafwaarts langs de Donau en Harmonia Caelestis in Nederlandse vertaling bij De Arbeiderspers. Afgelopen weekend was de auteur te gast op het Crossing Border Festival in Amsterdam.

Had u ‹Harmonia Caelestis› ook geschreven als u had geweten dat die dossiers over uw vaders verleden als spion voor de geheime dienst op u stonden te wachten?

Péter Esterházy: «Ik heb geen idee wat voor een leven ik had gehad als ik het op twintigjarige leeftijd zou hebben geweten. Ik had andere reflexen ontwikkeld, andere angsten gehad, andere vrijheden… Harmonia Caelestis had ik nauwelijks twee weken afgerond, de laatste schriften waren nog bij de typiste, toen ik dat telefoontje kreeg. Was dat tijdens het werk gebeurd, dan had ik het boek niet kunnen afmaken.»

In ‹Verbeterde uitgave› schrijft u dat dit feit u heeft teruggeworpen van fictie naar realisme. Dit boek is geen fictie, is uw waarschuwing, wat de lezer met evenveel reden wél kan geloven als niet. Onlangs verscheen een interview met de directeur van het Historisch Instituut, waarin hij het bestaan van de dossiers bevestigt. Is het niet jammer dat de lezer nu duidelijkheid heeft?

«Ik heb in dezen erg weinig bewegingsruimte. De lezer interesseert me in dit geval geen moer. Wat beter zou zijn voor hem? En voor mij dan? Voor mij zou het het beste zijn als ik Verbeterde uitgave alleen maar had verzonnen. Alles wat in verband met het verschijnen van een boek gewoon is, interviews, signeren, het hele circus, vind ik nu smakeloos en volledig misplaatst. Ik heb gedaan wat ik kon, naar eer en geweten gehandeld.»

«Alles is voor mij familiegeschiedenis.» Deze zin citeer ik uit ‹Stroomafwaarts langs de Donau›. U heeft het regelmatig over uw familie. Is dat de basis van het Esterházy-oeuvre?

«De familie, zowel het gezin waarin ik leef met mijn vrouw en vier kinderen, als de grote familie, uit de historie, is mijn grote ervaring, met allerlei gevolgen voor mijn leven. Ik heb ze beide gekregen, zonder er veel voor hoeven te doen. Ik ben in de grote familie geboren toen deze al op geen enkele manier groot of groots meer te noemen was. Daarom is mijn relatie ermee eerder observerend en aanvaardend dan kritisch. Was ik geboren ten tijde van de volle glorie en macht, dan had ik mijn positie moeten bepalen ten opzichte van deze macht. Nu hoeft dat niet, het is voldoende me te realiseren dat ik in een interessante positie zit, dus we kunnen inderdaad die zin citeren. Of het om de geschiedenis van Hongarije of die van Europa gaat, ik kan het als familiegeschiedenis hanteren. Ik zoek even in de geschiedenisboeken op welke van mijn voorvaderen met een bepaald onderwerp te maken hadden, en ik heb meteen een levende relatie tot een tijdperk.»

Het motief «familiegeschiedenis» helpt de lezer uw boeken te plaatsen. Het boek van Hrabal gaat over uw eigen gezin, Een vrouw over uw vrouw, De hulpwerkwoorden van het hart over uw moeder…

Péter Esterházy: «Mijn relatie tot de verhalen in mijn boeken is niet autobiografisch. Ik gebruik mijn eigen leven, maar de verhouding is koel. Ik heb een bepaald idee dat ik in een vorm giet en waarbij ik de levens gebruik die ik ken. Ik doe niet eens de moeite deze te verschuiven of een afstand te creëren; dat vind ik niet interessant. Al mijn boeken zijn op deze manier een spel, wat het meest in het oog springt bij Harmonia Caelestis: daar doet het verhaal in het tweede deel zich voor als het echte verhaal van mijn familie. Er waren lezers die boos werden toen ze ontdekten dat ik er een zus bij had verzonnen.»

In ‹Stroomafwaarts langs de Donau› speelt u ook een ander spel, gebaseerd op een dik boek, geschreven door Claudio Magris. Het lijkt of het uw doel is Magris te verbeteren.

«Als je het over de Donau hebt, dan kun je niet om het boek van Magris heen. Om het wat plagerig te zeggen: het boek van Magris hoort bij de Donau, dat van mij slechts bij de literatuur. Maar geen slecht woord over Magris, hij heeft een boek geschreven waaruit we ook iets over de Donau leren. Hij schreef zijn boek in de vorm van een klassiek reisverhaal, waarnaar ook ik teruggrijp. Er zijn nog meer spelletjes, met zijn naam bijvoorbeeld. Een van mijn personages, een vrouw uit de achttiende eeuw, heet Claudia Magris. Als hommage aan de schrijver.»

Uw romans zitten vol met gastteksten die zelfs een ontwikkelde lezer niet opvallen en waarvan de oorsprong niet te identificeren is.

«Dat hoeft ook niet. Het komt een boek niet ten goede als het tot een kennisquiz wordt gereduceerd. Intertekstualiteit is niet zo radicaal als men denkt, zo werkt de taal tenslotte ook. We lopen met allerlei flarden tekst in ons hoofd, reclameslogans, gesprekken die we opvangen op straat, versregels… Die teksten gebruiken we in onze dagelijkse gesprekken, vaak onbewust. Ik gebruik zulke teksten nadrukkelijker terwijl ze, vooral als het gaat om prozafragmenten, onherkenbaar blijven. Je voelt hooguit een soort vreemdheid, waarmee ik een bepaalde onzekerheid in de tekst heb gebouwd. Ik vind het belangrijk om de eenduidigheid te verbreken. Een van de belangrijkste kenmerken van literatuur is dubbelzinnigheid. Een gasttekst heeft vaak een interessante uitwerking op de basistekst. In Harmonia Caelestis hebben de woorden ‹mijn vader› het sterkste effect. Deze twee woorden kunnen de tekst heel persoonlijk maken, maar net zo goed een schandalige context vormen.

Ik was bezig het materiaal, een verhaal over de zeventiende eeuw, te bekijken. Ik wilde weten of het me echt boeide, die over-over-overgrootvader van mij en zijn relatie tot keizer Leopold. Nee dus. Toen schreef ik in plaats van ‹graaf Miklós Esterházy in 1602›, ‹mijn vader in 1602›. Meteen was daarmee een andere ruimte gecreëerd. Sommige teksten had ik anders misschien niet eens durven opschrijven met ‹mijn vader› als onderwerp: het verkrachten van een kind, bijvoorbeeld. Maar zo’n tekst pakken en het onderwerp vervangen — dat kan altijd. Deze werkwijze hielp me mijn grenzen te verleggen.»

‹Harmonia Caelestis› is aan de ene kant een Esterházy-verhaal, aan de andere kant een essentie van de vader. Wat blijft daar nu nog van over?

Péter Esterházy: «Het vaderschap is een bepalende ervaring in mijn leven. Ik had een goede relatie met mijn vader, zeker als kind, nog voor de stijfheid van de volwassenheid. Het is een geheimzinnig iets: op een bepaald moment wordt er een vraag voorgelegd die je moet onderkennen en goed beantwoorden. Ik weet nog niet of mijn kinderen mij die vraag al hebben gesteld, en zo ja, of ik het juiste antwoord heb gegeven. Mijn vader deed het tijdens zijn vaderschap wel goed. Hij sterkte mij op het moment dat ik hem echt nodig had. Hij gaf me het juiste antwoord. Ik was zeventien jaar, ik liet hem mijn huiswerk zien, een opstel. Een novelle van drie pagina’s had ik geschreven. Hij, die toentertijd veel beter met de pen omging dan ik, duwde zijn bril omhoog en knikte. Toen wist ik dat ik een schrijver was. Later werd zijn smaak steeds conservatiever, hij ergerde zich vaak aan mijn werk, maar dat gaf niet meer. Ik kan me geen betere vader wensen.»

Péter Esterházy, Stroomafwaarts langs de Donau; Harmonia Caelestis. Uitg. De Arbeiderspers, 224 en 728 blz., € 17,95 en € 34,95