Mijn boze dromen

Door de bank genomen droom ik drie soorten dromen. Type nummer een is tamelijk banaal: filmsterren - mannen en vrouwen - zij willen allemaal met mij naar bed. Type nummer twee is de nachtmerrie. Dan lig ik voor de zoveelste keer vastgebonden op de rails en hoop en bid dat de aanstormende trein vlak voor mijn hoofd uit de rails zal vliegen. Aan type nummer drie kleeft altijd een moraal. Vannacht bijvoorbeeld werd ik op klaarlichte dag op straat overvallen en met een mes bedreigd. Na enkele rake karateklappen lagen zowel het mes als mijn belager op het trottoir. De voorbijgangers, die aanvankelijk de andere kant op hadden gekeken, barstten nu in een enthousiast applaus uit en vroegen mij om mijn handtekening. Die gaf ik ze pas in ruil voor hun belofte straks, voor de rechtbank, te mijner gunste te zullen getuigen.

Gezamenlijk leverden wij de schurk af bij het politiebureau. Het proces werd gekenmerkt door menige verrassing. Om te beginnen waren de getuigen allemaal absent. De dader stak voor deze gelegenheid in een zwarte toga en bleek de rechter zelf te zijn. Hij knikte mij vriendelijk toe. Ook de jury was duidelijk op mijn hand. De beklaagde was een beschaafde man van middelbare leeftijd, die zo te zien geen vlieg kwaad zou kunnen doen. Hij bekende alles. Nadat de doodstraf was uitgesproken, vouwde hij de handen en begon te bidden. Het was werkelijk een vreemde sensatie: Ik zat midden in een film waarvan iedereen, behalve ik, zijn rol beheerste.
De moraal: wat kan een figurant zich meer wensen dan de hoofdrolspelers in zijn film af en toe een flinke beurt te geven? Het wachten is dus voorlopig weer op droomtype nummer een.