Mijn denken moet leven

De tentoonstelling Berlage totaal! in het Gemeentemuseum Den Haag is zeer goed, maar het is een sobere bedoening. De fraaie tafels, stoelen, banken en grote wandmeubelen staan er pront in de kale ruimtes van het gebouw dat Berlage zelf ontwierp, ogenschijnlijk losgezongen van de rijke context waarin ze ooit moeten hebben geschitterd. Maar los staan ze helemaal niet: zo sober wás hun habitat. De foto’s van het interieur van Villa Henny in Den Haag, die Berlage in 1898 bouwde voor Carel Henny, directeur van de Verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845, tonen een kloosterlijke strengheid waarin je je met geen mogelijkheid een Haags fin-de-siècle-avondje met dames in japons en struisvogel-veren kunt voorstellen. ’t Is naakte baksteen, overal. De meubels zijn spartaans, met rechte houten ruggen zonder kussens. Mevrouw Henny werd niet bepaald gelukkig in haar nieuwe huis.
Toch was er belangstelling voor die middeleeuwse soberheid, juist in de meer verwende kringen van de Hofstad die zich altijd hadden getooid met drukke, comfortabele neo-stijlen. Mevrouw Helene Kröller-Müller, bijvoorbeeld, woonde in een kapitale villa in het Van Stolkpark, Villa Ten Heuvel, en had daar alles wat haar hartje begeerde (inclusief een ‘electrisch bad’), maar als zij haar ochtendwandeling deed kwam zij langs Villa Henny, en ook langs een ander raar nieuw huis aan de Wagenaarstraat, De Zeemeeuw, gebouwd door de Belgische architect Henry van de Velde, in 1901. Helene vond de bouwstijl aanvankelijk heel lelijk, maar ze ontwaarde op den duur ook 'zeggingskracht’, en uiteindelijk wilde ze zelf ook zo'n huis. Een huis van stilte, vrij in de natuur, met beeldentuinen en ruimtes voor kunstbeschouwing. Een huis, kortom, dat niet zomaar een onderdak zou zijn voor een druk sociaal leven op het hoogste Haagse niveau, maar juist de uitdrukking van een diep innerlijk leven.
Over het innerlijk leven van deze Helene Kröller-Müller (1869-1939) handelt de meer dan interessante biografie van Eva Rovers. Het is een uitzonderlijk boek, omdat Rovers als eerste inzage kreeg in de nalatenschap van Kröller-Müllers meest intieme vriend, Sam van Deventer (1888-1972), die een verzegelde kist met dagboeken, aantekeningen en 3400 brieven van Helene naliet. Rovers’ biografie richt zich naar die herontdekte woorden van Kröller-Müller zelf. Dat is een begrijpelijke keuze, immers, de brieven en dagboeken zijn zeer uitvoerig en nauwgezet, en tegenover Van Deventer zegt Helene volledig openhartig te zijn. Aldus ziet de lezer grote delen van Helene’s leven door haar eigen bril. Rovers citeert overigens met mate uit haar brieven, wat een beetje jammer is, maar begrijpelijk: Helene schreef er verscheidene per week, soms vele velletjes lang, en zij kon geweldig zeuren.
Het portret dat uiteindelijk ontstaat is opmerkelijk. Rovers toont een autoritaire, altijd zichzelf gelijk gevende vrouw, met een asperger-achtig onvermogen om zich te verplaatsen in anderen. Ze is schatrijk. Niemand spreekt haar tegen. Ze is bedwelmd door haar eigen hoogdravende filosofieën, haar kinderen stellen haar teleur, verraden haar zelfs. Ze is een vrouw die zich, als ze haar eerste kleinkind in de armen krijgt, panisch afvraagt: 'O God, zullen ze weer van mij vragen dat ik dat liefheb?’, waarmee we bijna in Joan Crawford-territorium zijn beland. De feiten van dat leven, haar strikte Duitse jeugd, haar opstandigheid tegen het geloof van haar ouders, haar opvallend soepele gang naar het huwelijk en naar Rotterdam (ze schakelt onmiddellijk over op het Nederlands) worden in detail gepresenteerd. Het boek is zeer leesbaar, en af en toe aangrijpend, en dat ondanks de hoge informatiedichtheid; ik vermoed dat Rovers haar boek zonder moeite twee maal zo dik had kunnen maken. Allerlei fascinerende aspecten - Antons invloed op de Nederlandse regering, om maar wat te noemen - worden maar even aangeraakt.
Cruciaal in dat leven: het geld. Anton Kröller maakte van het vervoerbedrijf Müller & Co een van de grootste ondernemingen van Europa. Met Helene en de vier kinderen verhuisde hij naar Den Haag en daar leidde de familie een rijkeluisleven. Er waren paarden, er was een eigen jacht, in de garage stonden twee Rolls Royces, een Mercedes, een Cadillac en een Italiaanse sportwagen, waarmee Pa de hele hockeyclub van Helene junior meenam op een tochtje naar het Teutoburgerwoud. Wat Helene senior deed, of leuk vond, blijft vaag. Ze is een van de rijkste vrouwen van het land, haar man is directeur en ontvangt hoge gasten, waarvoor zij de ideale gastvrouw is. Zij heeft een leesclubje, maar het wordt niet duidelijk wie daar deelnamen, en of die het er leuk vonden. Ze doet niet aan liefdadigheid, ze zit niet ergens in een bestuur.
Via de hockeyclub van haar dochter kwam Helene in 1905 in contact met Henk Bremmer (1871-1956), een schilder die zeer gewilde avondjes kunstbeschouwing organiseerde. Bremmer presenteerde zijn gehoor een brede variatie aan kunstwerken, oud en modern, geselecteerd op basis van spirituele kwaliteiten. Niet het plaatje telde, maar de 'emotie’, de spirituele waarde die door het werk als geheel werd overgebracht. Alleen geoefende kijkers, die hun ontvankelijkheid hadden aangewakkerd, konden zo'n schilderij werkelijk 'zien’. Bremmer had overigens een goed oog. Hij bracht in zijn groepjes Breitner, Toorop, Millet, Bart van der Leck en Mondriaan, maar voor alles Van Gogh. In Helene ontvlamde vanuit het niets de spirituele kunstliefde, en daarna haar -verzamelwoede. Ze nam Bremmer onder contract. 25 jaar lang zou hij haar activiteiten van advies voorzien, de collectie sturen, beheren en aanvullen. De terughoudendheid van Helene in het sociale leven is opvallend. Het kan niet anders of haar ontbrak een talent voor hartelijk, direct contact, een beperking die wortelde in haar tüchtige opvoeding en in een onverbiddelijk stands-gevoel. Morele discipline en -Bildung waren alles; men moest op eigen benen staan. Zo wilde Helene dat haar kinderen na haar dood pas op hun 25ste hun erfdeel zouden verwerven, omdat ze eerder bedorven zouden worden door de weelde. Om dezelfde redenen blokkeerde ze het huwelijk van haar zoon Toon met de Rotterdamse Mies van Stolk tot de jongen zelfs eerst eens wat 'opgebouwd’ had. Die strengheid vervreemdde haar van haar kinderen, die ze oppervlakkig en ongeïnspireerd vond.
Het gebrek aan empathie is in Rovers’ relaas een constante. Helene had kennelijk geen vriendinnen. Ze had geen contact met andere kunstverzamelaars en ze onderhield geen vriendschappen met kunstenaars. De uitzondering op de regel is Sam van Deventer, een pienter hockeyvriendje van haar kinderen die als negentienjarige het bedrijf van Kröller binnenkomt en al snel aan Helene verslingerd raakt. De gevoelens zijn wederkerig, al weert Helene met de moed der wanhoop Sams liefdes-verklaringen af, in brieven van tientallen kantjes. De relatie werd niet verbroken, integendeel: Helene zag in de jongen het kind dat haar ontbrak, het kind ’(…) waarin ik voortleef, waarin ik kon zaaien, waarvoor ik nog kon doen. Dat heeft mij elke desillusie licht gemaakt.’ Van Deventer is haar 'zielsverwant’, maar haar band met Anton - die inmiddels haar kunstliefde deelt - staat niet ter discussie. De innige relatie levert scherpe ruzies op met haar kinderen, die haar van overspel beschuldigen, en het contact grotendeels verbreken.
De centrale vraag van de biografie is: wat wás dan dat geestelijk leven dat Helene Kröller-Müller zo graag tot uitdrukking wilde brengen? Rovers schetst ijverig de contouren van haar spirituele bagage, maar eerlijk gezegd krijgt ze er weinig greep op. Dat komt omdat er ook eigenlijk geen touw aan vast te knopen is, al noem je het honderd keer 'spinozisme’ of 'psychisch monisme’: we zijn hier in de wereld van Piet Mondriaan, mevrouw Blavatsky en Greet Hofmans. Grofweg maakte Helene - in navolging van Bremmer - in de kunsten onderscheid tussen 'realisme’ en 'idealisme’, dat wil zeggen kunst die óf gebaseerd was op de buitenwereld óf voortkwam uit de innerlijke wereld van de kunstenaar. Het spinozistische element in haar filosofie was dat zij meende dat beide vormen uiteindelijk deel waren van Het Ene, en zij zocht kunstwerken die beide werelden in zich verenigden. Niemand had dat beter doorvoeld dan Van Gogh, die het lijden in zijn eigen leven en van de wereld had verinnerlijkt en -overstegen. Deze filosofie was even vaag als absoluut. In al haar brieven aan Sam herhaalde Helene als een mantra dat zij alleen dán iemand kon liefhebben als er werkelijk diepgaand spiritueel contact bestond. Waarmee haar onvermogen een warme relatie te onderhouden met de gewone wereld, inclusief haar kinderen, werd verklaard. Het was niet haar schuld dat men haar niet begreep: de wereld was nu eenmaal té oppervlakkig voor mensen zoals zij, Sam en Bremmer, die werkelijk konden 'zien’.
Vanuit die visie op de kunsten kochten de Kröllers 11.500 werken. Er was niemand in Nederland die het in de veilingzaal tegen ze kon opnemen. In 1912 gaf het paar in een weekje Parijs 115.000 gulden uit aan een tiental Van Goghs en nog zo wat. In 1916 besteedden ze voor 160.000 gulden. Het waren kolossale bedragen, al waren ze nog beduidend lager dan wat er in die jaren voor grote zestiende- en zeventiende-eeuwse kunst werd betaald. Een Van Gogh was nog altijd stukken goedkoper dan een Vermeer. Rovers merkt terecht op dat het aankoopbeleid waarschijnlijk door die spirituele -preoccupaties nogal wat lacunes vertoonde. Helene zag de verzameling als 'een voortbestaan van mijn geestelijk leven’, niet als een 'opeenvolging van begeerten’. De Kröllers kochten geen Cézanne, geen Gauguin, geen Duitse expressionisten. Helene hield niet van ongebreidelde ruwe expressie, of al te zinnelijke voorstellingen; ook vond ze abstractie niet per se een meerwaarde. Liever had ze realistische werken, waarin 'het geestelijke’ naar voren kwam. Dat gebeurde in Van Gogh, ze 'zag’ het in Mondriaan en in de tamelijk conventionele kunst van Fantin-Latour.
In de biografie kan Rovers precies het moment markeren waarop Helene besloot dat niet haar huis, maar haar verzameling het ideale middel kon zijn om haar geesteswereld aan de wereld na te laten. Dat moment komt in augustus 1911, als Helene zich moet voorbereiden op een zware operatie, en het contact met haar kinderen tot een minimum is afgenomen. De enige voor wie ze wil overleven is Sam: hij zal haar gedachtegoed doorgeven.
Vanaf dat moment beheersen de architecten Helene’s leven - Mies van der Rohe, Berlage, ten slotte Henry van de Velde. Berlage doet ze een zeer riant aanbod - een salaris van 14.000 gulden per jaar, vijf keer de Balkenende-norm - waarover hij lang aarzelt, alleen al omdat hij, de socialist, zich zal overgeven aan de grillen van de grootste kapitalist van het land. Hij geeft uiteindelijk toe, om het geld, om de zekerheid, maar ook om het idee dat hij in dienst van Müller een serie belangrijke gebouwen zal kunnen gaan zetten. Dat gebeurt ook: behalve Jachtslot Hubertus op de Veluwe bouwt hij Holland House, het Londense kantoor van Müller & Co.
Helene kan het aanvankelijk uitstekend met hem vinden ('Berlage is het schip, dat ik bestuur, een heerlijk denkend schip’), maar al snel wordt de verhouding stroef. De architect heeft geen zin zich door Mevrouw op de vingers te laten kijken en Helene jaagt hem op met steeds meer opdrachten - een boerderij, een kippenhok - en eindeloos gezever en gevit. Natuurlijk vindt zij dat Berlage haar diepste motieven niet begrijpt; haar leven zal alle vormgeving moeten bepalen. Een kamer moet ergens liggen ’(…) omdat zij er moet liggen in ’t leven dat ik leef’. Na een paar jaar geeft de architect er boos de brui aan.
In die conflicten onderbreekt Rovers de gedachtegang van Helene met inzichten van anderen, en als zij wordt tegengesproken ontstaat er leven en diepte in de biografie. Bijvoorbeeld als Johan Memelink, de rentmeester op haar Veluwse bezit, aarzelt om een vorstelijke baan te accepteren omdat hij bang is voor haar 'humeurtjes’. Navranter is Helene’s vondst van een brief van Toons verloofde, Mies van Stolk, waarin Toon wordt gewaarschuwd voor de grillen van zijn moeder, 'die niets meer rein & natuurlijk kan zien’, die 'ongelukkig is’, en een 'gecompliceerde ziel’. Helene reageert op de schokkende woorden door zich van de domme te houden, terwijl ze echter 'iets slangachtigs’ in zich ontwaart en voelt alsof er iets 'ter dood geleid’ was. Dat zelfinzicht is een uitzondering; Helene’s natuurlijke reflex is de anderen 'leelijkheid’ en 'platheid’ te verwijten. Rovers kan het niet laten af en toe in een terzijde haar hoofd te schudden over Helene’s gebrek aan begrip: 'Het drong niet tot haar door… Kennelijk ontging het haar…’ Uit die episodes blijkt hoe weinig mensen het uiteindelijk met haar uithielden.
Na Berlage’s vertrek gaat de opdracht voor het museum naar Henry van Velde, van wie Helene lang daarvoor al dat bijzondere huis in Den Haag heeft gezien. De bouw gaat met groot vertoon van start maar wordt nooit voltooid. Müller & Co komt in ernstige financiële problemen. Het project wordt in 1922 stilgelegd. Als het faillissement dreigt verwerft Kröller overheidssteun in ruil voor de toezegging dat de collectie aan de Staat zal worden geschonken. Drieduizend objecten vinden in 1938 onderdak in een 'hulpmuseum’, naar ontwerp van Henry van de Velde, dat er nog altijd staat.
Een merkwaardig slot, die laatste jaren. De glans van haar rijke bestaan vervliegt, haar kinderen zijn van haar vervreemd, wat blijft is de bittere egocentrische vastberadenheid van Helene om haar museumhuis te verwezenlijken, onder de hoede van Sam: 'Dat is het, het voortleven van mijn levensinzicht in & door jou, wat ik onsterfelijkheid noem, de onsterfelijkheid waaraan ik hecht als aan geen. Niet mijn naam, maar mijn denken moet leven.’

EVA ROVERS
DE EEUWIGHEID VERZAMELD: HELENE KRÖLLER-MÜLLER (1869-1939)
Bert Bakker, 602 blz., € 45,-