Opheffer

Mijn dilemma’s

Even een dilemma.

  1. Het is elf uur ’s ochtends. Je zit hard te werken, hebt een deadline of een examen. De buurman draait zijn mu ziek zó hard dat je letterlijk kunt verstaan wat er gezongen wordt. Je kunt je niet meer concentreren. Wat doe je?

Ik bel natuurlijk op: «Mag het iets zachter?» Ik denk dat de buurman zijn muziek wat zachter zet.

Volgende dilemma.

  1. Je bejaarde buurman heeft een wond op zijn rug en moet twee keer per dag worden ingesmeerd. Wat doe je?

Tja… Even m'n vriendin vragen, buurman… Inderdaad, ik heb geen vriendin. Eh… ja, weet u wat het is, ik wil het wel doen, maar ik moet zo weg… Eh… kan ik iemand bellen? Wat zegt u? In de tijd dat ik bel, is de rug al ingesmeerd? Eh… Oei, het is al heel laat, zie ik.

Dilemma 3.

  1. Je hoort hoe je buurvrouw door haar vriend wordt afgetuigd. Wat doe je?

Ik stel mezelf twee vragen: vindt zij dit lekker? Deze vraag stel ik natuurlijk niet hardop, want dan krijg je zelf ruzie. Vervolgens denk ik: ik laat merken aan die vrouw dat ik weet wat er aan de hand is. Meer niet. Maar dan kan het weer zijn dat zij zich schaamt. Is het niet beter om niets te laten merken? Moet iedereen het niet zelf weten? Ik weet het godverdomme niet.

Het beste is vermoedelijk toch net te doen of ik niets weet, tenzij die vrouw mij om hulp vraagt, wat ze vermoedelijk niet zal doen.

Volgende dilemma.

  1. Je buurman is een alcoholist. Hij verwaarloost zichzelf en je ruikt zijn kegel op de trap. Laat je hem zichzelf dood drinken?

Ja, hoor. Deze vraag kan ik meteen met een volmondig «ja» beantwoorden. Hallo zeg: ben ik mijn broeders hoeder? Kijk, hij moet geen rotzooi op de trap maken, maar zijn home is zijn castle en daarin mag hij doen wat hij wil.

Op naar het volgende dilemma.

  1. Een van je buurmannen rookt hasj thuis, dat ruik je sterk in het trapportaal. Een andere buurman van je heeft twee kleine kinderen van negen en twaalf jaar oud, en die komt bij jou praten: «Kunnen we die man niet vragen geen hasj meer te roken? Hij heeft een ontzettende invloed op de kinderen.»

Een ándere buurman, die ook benaderd wordt om in het belang van de kinderen actie tegen de roker te ondernemen, kan het allemaal niets schelen. Meng je je hierin?

Kunnen we ook kort in zijn: nee. Heb ik verantwoordelijkheid voor de kinderen van mijn buurman? Ik dacht het toch niet. Nogmaals: die buurman mag crack roken, zichzelf dood drinken, een slecht voorbeeld zijn voor die kinderen. Dan gaat die buurman met die kinderen maar weg. Slechte rolmodellen kunnen ook een positieve werking hebben.

De volgende is ook makkelijk.

  1. Er komt een coffeeshop onder je woning. Maak je er een probleem van?

Nee, hoor.

Nu gaat je huizenprijs omlaag.

Eh… tja… komen ze met een petitie bij me dat de coffeeshop moet verdwijnen, dan onderteken ik die… Is dat schijnheilig? Jawel, maar so what. Mijn huis is mijn pensioenvoorziening, ja. Ik heb geen geregeld leven als jullie. Ik bedoel, dit is al helemaal geen buurt voor een coffeeshop.

  1. Het Asielzoekerscentrum komt in jouw straat. Er wordt een buurtcomité opgericht dat er tegen protesteert. Vervolgens wordt uw buurt in de media afgeschilderd als «de buurt die tegen het AZC is». Jij bent het echter niet eens met het buurtcomité. Onderneem je actie?

Nee.

Kortom: de ander de ruimte laten, je met niemand bemoeien, je moet ervoor zorgen dat de anderen zich ook niet met jou bemoeien. Als we van elkaar niet weten hoe we denken en handelen, hebben we de grootste vrijheid.

En dat is fijn.