‘mijn eigen, rustige weg’

Eenenzeventig jaar was Hugo Pos toen hij als schrijver debuteerde. Hij schrijft korte verhalen, maar ook gedichten, kwatrijnen. Zojuist verscheen van deze voormalige rechter ‘Voorbij Confucius’. De frisse oude schrijver vertelt.
Hugo Pos, Voorbij Confucius. Uitgeverij Knipscheer, 192 blz., 334,90
HUGO POS DEBUTEERDE in 1985 met de verhalenbundel Het doosje van Toeti. Hij was toen 71 jaar oud. Aan dat schrijversleven ging een ander, veelbewogen leven vooraf. Zowel in Suriname als in Nederland was Pos rechter, en als prosecutor maakte hij, in de jaren 1946-47, deel uit van het oorlogstribunaal in Tokio.

Hugo Pos documenteerde zijn leven-tot-nu-toe in zijn autobiografie In triplo, waarvoor hij in 1995 de E. du Perronprijs kreeg. Deze maand verscheen er weer een bundel verhalen, Voorbij Confucius, waarin hij het schrijven van korte verhalen tot in de puntjes blijkt te beheersen. Wat verder in het oog springt is het plezier waarmee Hugo Pos schrijft. Alsof hij meer en meer ontdekt wat literatuur kan betekenen. Hij speelt als schrijver spelletjes met zijn personages, met de lezer, met het vertellen zelf.
In hoeverre is ‘Voorbij Confucius’ een ander boek dan uw vorige?
'Het is een ander boek omdat de meeste verhalen heet van de naald zijn en niet lang zijn gerijpt in de la. Toen ze werden geschreven vonden ze meteen al een vorm. Veel verbeteringen heb ik niet hoeven aanbrengen. Het liep gewoon. Het allerlaatste verhaal dat ik schreef, 'Net als Pirandello’, daar was ik eigenlijk stomverbaasd over. Dat ging bijna vanzelf.’
Wat betekent Luigi Pirandello voor u?
'Ik ben geen echte Pirandello-kenner. Ik heb wel toneelstukken van hem gezien, die ik bijzonder mooi vond, en ook zijn korte verhalen hebben me erg geboeid. Maar ik kan niet zeggen dat ik met hem opsta en naar bed ga. Wel is me bijgebleven wat hij betekent, wat de essentie is van Pirandello. Dat heb ik proberen weer te geven in dat verhaal.’
In dat verhaal draait het om waarheid en leugen, werkelijkheid en fictie, thema’s die men ook in de andere verhalen terugvindt.
'Soms denk ik dat dat thema van waarheid en leugen iets te maken moet hebben met mijn loopbaan als rechter. Al heb ik me in 'Net als Pirandello’ even vermomd als advocaat. Ja, de ik heeft vele vormen in mijn verhalen.’
HEBT U NA het schrijven van 'In triplo’ een buitengewoon geïnspireerde tijd gehad?
'Ik kan niet zeggen dat het een slechte periode is geweest, wat schrijven betreft. Er zijn enkele verhalen losgekomen: “Voorbij Confucius”, “In navolging van oom Nol”, “Net als Pirandello”, “Collage”… Daarnaast werk ik op het moment aan een nieuwe bundel kwatrijnen. U weet dat indertijd een paar kwatrijnen van mij zijn opgenomen in het blad Zoetermeer, tot mijn grote vreugde, en tot mijn trots. Want er was nog niet zoveel aandacht aan besteed. En nu heeft, hoe heet-ie, Gerrit Komrij ook drie van mijn kwatrijnen opgenomen in zijn grote bloemlezing. Dat vind ik mooi van hem. Ik ben niet per se een fan van Komrij, maar als iemand je die eer aandoet…
Weet je wat het gekke is? Omdat het niemand is opgevallen, vertel ik het dus maar. Komrij heeft zijn bundel ingedeeld naar geboortejaar. Aangezien ik in 1913 ben geboren, val ik onder de ouderen. Toen het boek uitkwam is er veel aandacht besteed aan de jongere dichters die voor het eerst waren opgenomen. Daardoor heeft niemand gemerkt dat ik er ook in stond.’
Uw debuut verscheen in 1985, u was toen 71 jaar oud. U bent dus bijna twaalf jaar schrijver, wat helemaal niet zo lang is. U staat eigenlijk nog aan het begin. Zit u nog in de eerste fase?
'Nee, nee. Niet de eerste fase. Want ik weet nooit hoe lang het nog doorgaat. Ik ben nu 83… Je bent blij, gewoon blij dat het tot nog toe zonder grote pauze doorgaat en dat je je niet gedwongen voelt rond te lopen met het idee: wat zal ik nu eens gaan schrijven?’
U hebt een Surinaamse achtergrond.
'Ik ben in Suriname geboren, en later ben ik er weer gaan werken. Ik kan terugkijken op een warme tijd. Dat heeft onder meer te maken met een gelukkige jeugd. Ik zeg “gelukkig” ofschoon ik in mijn latere leven het woord “geluk” zelden heb gebruikt - dat is een woord dat je eigenlijk moet vermijden. Maar voor mijn jeugd durf ik het wel aan. Misschien heb ik dat gemeen met vele ouderen: een soort nostalgisch verlangen of een nostalgische terugblik, dat weet ik niet. Maar in mijn geval is het bijna een absolute zekerheid dat het een gelukkige jeugd was.
Ik heb geen conflicten gehad met mijn ouders. Raciale kwesties hebben zich in mijn jonge jaren (op mijn veertiende ging ik naar Nederland) nooit voorgedaan. Ik had een enorm sterke band met mijn grootvader, een man met een grote eruditie. Ik was als het ware zijn troetelkleinzoon. Het was puur “geluk”: hij, een halve dokter, in zijn hangmat slapend in de middag, de Franse Illustration lezend, of de zandvlooien uit mijn tenen peuterend, eens in de maand een scheut Castor-olie in mijn mond stoppend om me van binnen te reinigen… Ik kan niet van die man af komen, ik wil ook niet van die man af komen, hij is een van mijn meest dierbare herinneringen.
Als ik aan mijn kinderjaren denk, dan is het mijn grootvader. Ook mijn ouders natuurlijk, en het huis in de Gravenstraat, dat weet ik allemaal wel, maar het is die opa die figureert als topman.’
Voelt u zich nu nog betrokken bij Suriname?
'Ik ben er in geen jaren geweest. Ik volg het op passieve wijze. Zoals ik bij wijze van spreken de gebeurtenissen in Israel op passieve wijze volg. Echt betrokken ben ik niet. Ik ben ook geen lid van die groep die een nieuwe vorm van Commonwealth voorstaat. Ik geloof niet dat dat haalbaar is, en bovendien denk ik niet dat dat vanuit Nederland moet komen, maar uit Suriname zelf. Als dat idee in Suriname leeft, dan gaarne, prachtig, maar anders niet. Je moet dat niet opleggen. Je moet niet een droom opleggen die niet gedroomd wordt.’
De decembermoorden spelen een rol in een van de verhalen.
'Dat verhaal, “Juditha Triumphans”, wijkt een beetje af van de andere. Het is min of meer een afrekening met iets dat mij altijd hoog heeft gezeten, wat mij altijd is blijven bezighouden - de decembermoorden. Het is een soort afrekening met degenen die er te makkelijk overheen dwalen. Ik neem niemand persoonlijk iets kwalijk, hoor. Maar sommige dingen gaan je ter harte.
“Juditha Triumphans” is al wat ouder. Ik heb er ook langer op gewerkt. Ik wilde er echt literaire motieven in aanbrengen, zodat het allemaal niet zo bloederig naar buiten kwam. Ik kan geen realistische verhalen schrijven. Dat kan ik niet, en dat wil ik ook niet, dat ligt niet in mijn aard.
Het verhaal sluit aan bij die beroemde schilderijen van Judith die, om het volk Israels te redden, Holofernes verleidt, hem dronken voert in haar tent en zijn hoofd afslaat. Die scène is ettelijke malen door grote schilders afgebeeld. Dat laat ik in een andere zin ook weer gebeuren - niet het hoofd afslaan, maar iets nog veel gemeners. Daar heb ik dus echt op moeten werken: zoeken naar schilderijen, zoeken naar emblemen… dat was niet zomaar vlot schrijven. De gedachte was wel duidelijk, maar hij moest uitgewerkt worden. De andere verhalen daarentegen kon ik gewoon schrijven. Ik hoefde niet naar bibliotheken toe…’
ZIJN ER NOG onderwerpen waarover u graag zou schrijven?
'Soms zou ik eigenlijk… Het allerliefst zou ik eigenlijk verhalen willen schrijven die zich in Japan afspelen, omdat ik enorm geboeid word door dat land. Ik ben er ettelijke malen geweest, heb er veel over gelezen. Ik heb er ook gewerkt - zoals ik in In triplo beschrijf. Ik heb na de Tweede Wereldoorlog, in de jaren 1946 en '47, als prosecutor minor war crimes behandeld. Maar dan merk ik dat ik het niet aandurf, dat ik het niet kan… Ik ken geen Japans, en dan is het uitermate moeilijk om zonder grote studie, zonder veel naslagwerken te raadplegen, een Japans verhaal te schrijven.
Je merkt het bij Couperus. Couperus gaat naar Japan, waar hij veel over heeft gelezen. Maar dat Nippon van hem, dat is een verschrikkelijk boek! Het ligt hem helemaal niet, hij vindt de mensen aapachtig… Het is een onaangenaam boek om te lezen. Later schrijft hij, als hij weer terug is in Nederland, Het snoer der ontferming, geloof ik, en dat zijn weer prachtige Japanse verhalen…’
U schrijft ergens: 'Het is een misvatting dat een schrijver alles van zijn personages afweet.’ U speelt graag met dat soort motieven?
'Ik beschrijf in mijn verhalen een specifiek voorval uit het leven van mijn personages, waarbij ze op een bepaalde wijze reageren. Maar ik geef tegelijkertijd te kennen dat ik niet hun hele entourage ken, hun hele opzet, hoe ze geworden zijn wat ze zijn. Dat laat ik in het midden. Als je een roman schrijft, dan heeft een persoon een echte achtergrond. Zonder achtergrond kan hij nooit een echte figuur zijn, want hij moet tot leven komen. Dat heb je in een roman - elke roman hoort dat te hebben.
In een kort verhaal is daar in de eerste plaats de ruimte niet voor, en ik heb ook de aandrift niet om dat te doen. Ook niet het vermogen waarschijnlijk. In dat opzicht ben ik bescheiden. Ik denk dat ik dat vermogen mis.’
Maar u weet het niet zeker?
'Ik weet het heel zeker. Het heeft ook te maken, natuurlijk, met die late start van mij. Ik ben zo laat begonnen als schrijver dat ik eigenlijk toch de ambitie mis om een roman te schrijven.’
Hebt u zich daar bij neergelegd?
'Ik heb me daar niet alleen bij neergelegd, ik heb het onmiddellijk als uitgangspunt genomen. Als ik gedichten schrijf, wat zijn dat dan voor gedichten? Kwatrijnen, de kortst mogelijke.’
Dus geen roman?
'Nee. Punt uit.’
U BEHEERST HET genre van het korte verhaal tot in de puntjes.
'Als het lukt, vind ik het erg prettig. Ik ben ook gevleid als… Ik was een paar weken geleden op een colloquium in Namen. Er kwam een onbekende man naar me toe, die leraar bleek op een middelbare school. Hij vertelde dat hij met zijn leerlingen een verhaal van mij had gelezen. Ze vonden het prachtig, zei hij. Toen dacht ik: “Goh, dat is mooi.” Om te horen dat een verhaal van je op de middelbare school prachtig wordt gevonden, is wel heel, heel fraai. Maar verder moeten we die zaak ook niet overdrijven. Ik ben slechts een verhalenschrijver. Niet de man van de bestsellers en zo.’
U gebruikt ergens een motto van Danilo Kís: 'Het lukte me niet mij het genoegen te ontzeggen, dat elke schrijver kent wanneer hij zijn verhaal doet, dat hem de illusie geeft de wereld te scheppen en te veranderen.’ Dat is u op het lijf geschreven?
'In de eerste plaats vind ik Kís een geweldige schrijver. Ik heb hem eerst laat leren kennen. Het heeft te maken met ouderdom. Kís was niet oud, maar ik ben het wel. Dat motto gaat over de illusie dat je toch nog, ook al nemen je krachten af, ook al weet je dat je niet in staat zult zijn iets te bereiken, een bepaald doel dat je voor ogen staat te bereiken - dat je kunt leven met de illusie en bijdragen aan die illusie, die illusie versterken door dat verhaal te creëren. Een verhaal schrijven is een scheppingsproces. Je laat die illusie als het ware geboren worden, en opgroeien, tot wasdom komen. In feite maak je die illusie tot iets dat bijna geen illusie meer is, alsof het werkelijk tot een beeld wordt, tot een ademend beeld, zal ik bijna zeggen. Op dat moment ben je in een situatie van wat ik création du monde noem… Er gebeurt iets. Vanuit je ademhaling, zal ik maar zeggen, komt er iets voort. Ik kan niet anders zeggen. Ik schrijf in het laatste verhaaltje uit de bundel - het is eigenlijk meer een samenvatting van mijn gedachtenwereld, ik noem het “Oxymoron” - dat er maar één ideologie is die ik nu nog aanhang, en dat is de ideologie van het onbereikbare. Waarom is dat de laatste ideologie die een mens kan hebben? Omdat het onbereikbaar is, zal hij het toch nooit kunnen bereiken. Dus hoeft hij nooit teleurgesteld te zijn. Het blijft voor zijn ogen bestaan, maar hij kan het niet halen, omdat het in wezen niet haalbaar is. Dus kun je doodgaan zonder het idee te hebben: ik heb niet gehaald wat ik had willen halen - dat was immers niet mogelijk. En daarom vind ik mensen, ook al zijn ze nog zo dwaas, mensen die alle mogelijke ideeën hebben, eigenlijk wel aardig. Wel boeiend. Ik vind ze wel gek.’
Idealisten, bedoelt u? Mensen die de hemel bestormen?
'Nou ja, ze hoeven niet allemaal de hemel te bestormen, ze kunnen ook de aarde bevloeien. Toch? Dat vind ik nog aardiger. Want de hemel is, per slot van rekening, niet altijd blauw.’
En op de aarde moeten we leven.
'Nou, jij zegt het. Daar heb ik niks aan toe te voegen.’
HOE IS HET om zo oud te zijn als u?
'Het hangt ervan af. Als je het me eergisteren gevraagd had, had je wellicht een ander antwoord gekregen. Nu zit ik hier comfortabel, met koffie en stroopwafels, dus hindert die leeftijd me op het ogenblik helemaal niet. Dank zij mijn dagelijkse Mensendieck-oefeningen kan ik vanavond nog een partijtje tennis spelen. Overdekt, natuurlijk.
Als ik dat zo zeg, klinkt het alsof ouderdom helemaal geen rol speelt. Maar ouderdom speelt natuurlijk een verschrikkelijk grote rol. Het missen van mensen, mensen die er niet meer zijn, dat is echt erg. Vorige week heb ik mijn beste vriend… ben ik naar zijn crematie geweest. Een vriend met wie ik vijftig jaar lang een diepe, trouwe vriendschap heb gehad. Alle mogelijke dingen mee heb beleefd. Iemand die ik echt kende, die veel voor me betekende.
Jij wordt voortdurend ouder, en de anderen vallen af. En als ze niet afvallen, worden ze dikwijls zo verdomd vervelend. Dat is ook naar. Ik heb van die kennissen die ontzettende zeurpieten zijn geworden. Misschien ben ik het in hun ogen ook, maar ik probeer het in ieder geval niet te zijn. Misschien word ik het nog wel, maar op het ogenblik meen ik dat ik het nog niet ben.’
Is de ouderdom eenzaam?
'Minder eenzaam dan je denkt. Want de mensen die dood zijn, zijn nooit helemaal weg. Ze blijven rondom je. Het zijn geen engelen, het zijn aangename of soms onaangename herinneringen - je wordt omringd door herinneringen. De ene avond komen de onaangename wat scherper naar voren, en de andere keer zijn de aangename prominenter aanwezig. In zekere zin is er dus sprake van evenwicht.
Als dat evenwicht er niet meer was, zou het vervelend worden. Want dan zou je wel eens zeer melancholiek kunnen worden. Iets wat mij niet al te vaak overkomt. Nu en dan, maar niet al te vaak. En als het gebeurt, dan wil ik daar niet aan toegeven, en dan ontstaat er iets onechts in mij. Dat weet ik ook. Dan ontstaat er een vals optimisme, dat er in wezen niet is, maar ik wend dan voor dat ik optimist ben. Dat maakt het makkelijker voor de buitenwereld.’
Met Theun de Vries en Adriaan Morriën vormt u zo'n beetje de top-drie der oude schrijvers.
'Nou nou… Dat zijn èchte schrijvers, die een oeuvre hebben opgebouwd, en die op late leeftijd kunnen terugblikken op wat ze hebben gedaan. Dat kan ik niet. Adriaan Morriën schrijft natuurlijk uiterst kostelijk, veel opener dan ik. Want Morriën gooit, laten we zeggen, zijn hele libido op tafel. Dat is uiterst plezierig om te lezen, omdat het met een volmaakte charme is geschreven. Als dat niet zo was, zou het misschien stuitend zijn om over het liefdesleven van een oude man te horen. Maar ik vergelijk mezelf in het geheel niet met anderen. Ik ga gewoon mijn eigen, rustige weg.’