Mijn enige isme

Ik wil het niet!

En ik wil het niet omdat ik het niet kan. Ik heb er het talent niet voor en het ontbreekt mij ook aan de juiste persoonlijkheid. Ik heb het over het ontwikkelen van de juiste publiciteit rondom een nieuw boek.

Ik heb het erover gehad met een zeer goede vriend die een surplus heeft aan charisma, en hij vermoedde dat mijn opvoeding me in de weg zat. ‘Uiteindelijk ben je toch een welopgevoede jongen uit een goed milieu.’ Het zou kunnen. Maar het is ook iets anders. Zodra ik bijvoorbeeld voor de televisie word geïnterviewd wil ik de interviewer ter wille zijn, ik wil dat hij mij niet voor niets heeft uitgenodigd en dat ik een meerwaarde geef aan zijn programma. Als ik mezelf dan terugzie, zie ik een aansteller. Ik ben te grof, niet komisch, niet echt scherp en het lijkt, zodra mij een vraag wordt gesteld en ik in beeld ben, of iemand mij met een speld in mijn bips zit te prikken.

De camera heeft oog voor mijn psychopathologische trekjes. Ik zit meestal te hoog in mijn adem, lach te hard om mijn dolkomische grappen en lijk een volle marktkraam aan tics gratis aan de kijker weg te geven. In de ruim dertig jaar dat ik nu schrijf, heeft een tv-interview mij nooit enig voordeel gebracht. Integendeel, zo weet ik nu Twitter en Facebook bestaan.

Daar komt nog iets bij. Ik ben me ervan bewust dat het mij ontbreekt aan passie en empathie. Als ik professoren, collega-schrijvers en opinieleiders vol vurig enthousiasme hoor spreken, dan voedt dat mijn minderwaardigheidscomplex. Ik heb die gedrevenheid niet, ik kan het publiek niet meenemen – en eerlijk gezegd wil ik het publiek liever geselen. Ik ben bang voor ze! En ik vind die zogenaamde pedagogische gedrevenheid van zo’n Herman Pleij of een Maarten van Rossem of een Geert Mak altijd stomvervelend en van een kunstmatige spontaniteit. Ik sluit niet uit dat ik tot dit oordeel kom uit jaloezie, maar het is wel zo.

Zodra iemand mij iets vraagt, voel ik mij gehandicapt. Ik schrijf, om niet te hoeven spreken

Zodra iemand mij iets vraagt, voel ik mij gehandicapt. Ik schrijf, om niet te hoeven spreken.

Maar het gaat niet alleen meer om het boek dat een schrijver heeft geschreven, het is ook hoe de schrijver over zijn tekst ‘communiceert’. Hoe enthousiaster de schrijver is, hoe hoogwaardiger zijn tekst wordt; dat enthousiasme mag ook droogkloterij zijn (denk aan het gegrom van Maarten van Rossem waarmee de professor een quiz presenteert).

Aan de andere kant heb ik tevens een verantwoordelijkheid tegenover de uitgeverij. Daar zijn verschillende mensen aan de gang geweest om mijn boek tot iets fraais te kneden. Die hopen dat het een succes wordt. Daar leven zij van (en ik ook). Ze verwachten van mij dat ik me inzet.

Maar ja, dan zit ik daar. Mijn enige isme is mijn cynisme, mijn boodschap is die van de wanhoop en de woorden die ik stotterend spreek zijn per definitie verkeerd gekozen, want op schrift zou ik elk antwoord anders hebben geformuleerd. Alles wat er uit mijn ongeëmotioneerde mond komt, bevordert de verkoop niet, zelfs niet als ik lieg en me aanstel om maar in de smaak te vallen. De enige patiënt die uit onzekerheid hard lacht om zijn waanzin ben ik zelf.

Ofschoon ik naast schrijven niets liever doe dan interviewen, vind ik het schrijvers-interview overschat. Een schrijver is niet het interview dat er met hem wordt gemaakt. Het moet een manifest zijn van zijn uitzonderlijkheid, maar het is meestal niet meer dan een reclameleus onder zijn zelfbeeld. Hoe beter de leus, hoe beter het product verkoopt.

Ach, ik ruik het, mijn ouderdom stinkt. Ik zet mijn rancunebril af en mijn feestmuts op, maar weet dat ik huil als ik aan de polonaise meedoe.