Muziek

Mijn enige trauma

Muziek: Piccolo en Saxo

Mijn ouders dachten dat je kinderen met een sigaar uit eigen doos kon laten wennen aan cultuur. Die sigaar was de belevingswereld van het kind. De achterliggende gedachte was dat je een kind met leut op kinderpeil kon paaien tot een klaar begrip van Beethoven en Marc Chagall. Een pijnlijk misverstand.

De eerste sigaar was een jeugdconcert in het Amsterdamse Concertgebouw. Ik was een jaar of zeven. In de Grote Zaal verrees een pedofiele clown met de pianolift pats op het toneel, om ons komisch brallend te begroeten met de walgelijke woorden: «Hallo Lieve Kinderen». Dat moest op toverij lijken en leuk zijn. De voorstelling duurde een eeuwigheid. Mijn kleine broer en ik moesten er verschrikkelijk van huilen. Kunst!

De tweede sigaar was Cruys Voorbergh. Cruys Voorbergh was de bekakte verteller op een plaat die De ontdekkingsreis van Piccolo en Saxo heette, een soort young person’s guide to the orchestra. Piccolo is een fluit, Saxo een saxofoon. Samen maken ze de dolste avonturen mee. Maar eerst moeten ze elkaar nog vinden. Hoe, dat legt ons Voorbergh uit.

Piccolo en Saxo leven in het koninkrijk der instrumenten. Het is de tijd van vroeger; alle instrumentenfamilies leven nog apart. «Het waren», beatrixt Cruys Voorbergh met getuite lippen, «de kleine violen die bij toeval ontdekten dat ze niet de enige instrumenten in het koninkrijk der muziek waren.» Hun familie der snaarinstrumenten is een heel gezellige familie. Men zingt van hoog tot laag, fier ondersteund door «de geweldige grootmoeder con-tra-bas». En dat is nog niet alles. «Hola», jubelt Cruys, «daar was ik bijna de oude juffrouw harp vergeten!»

Wat is men onder ons. Maar wat is men alleen. Tot op een dag de kleine violen «opgewonden» bij grootmoeder contrabas komen binnenstormen. Ze hebben nieuwe instrumenten waargenomen, heel vreemde. «Wat?» vroeg de harp: «Is het waar wat jullie vertellen? Zouden er werkelijk nog andere instrumenten bestaan dan onze familie? Dan wil ik ze dolgraag leren kennen! Vraag of ze gauw bij ons willen komen.»

En daar is dan de familie der saxofoons. Grootvader bariton stelt zich voor. «Dit is mijn oudste zoon, de tenorrrrrrrsaxofoon. En ten slotte stel ik u mijn kleinzoon voorrrr, de sopraansaxofoon, de kwajongen van de familie, die kortweg Saxo wordt genoemd.»

En wat gebeurt er? Ze gaan samen op reis, prestissimo van vreugde en verwachting. Cruys zegt het voort. «Grootmoeder contrabas had de grootste moeite om dit razende ritme te volgen. (…) En Saxo klom zo hoog in de toonladders dat het onvermijdelijke gebeurde…»

Piep!

Cruys kirt: «Een valse nooht!»

Maar die is snel vergeten als de nieuwe wereld is ontdekt. De familie der saxofoons en de familie der strijkers ontmoeten in het bos de familie der houtblazers! Wie zingt daar het hoogste lied? Piccolo!

«Ik heet Piccolo», zei het kleinste instrument, «ik ben zo vrolijk als een vink! En dit is mijn zusterrrr, de fluiht. (…) Maar waar is grootvader fagot? Grootvader fago-hot!»

Cruys, grommend: «Waarom roep je zo hard, Piccolo? Je weet toch dat ik m’n middagdutje doe? Laat me toch slapen?»

Piccolo: «Nee, grootvader fagot. Kom ’ns gauw! Er zijn heel aardige nieuwe vrinden gekomen, die met ons willen spelen! Kom, vlug!»

Grootvader: «Nieuwe instrumenten, hoe is dat mogelijk? Wacht even, ik kom eraan.»

Juffrouw harp: «Wij zijn de familie der snaarinstrumenten.»

Saxo: «En wij de familie der saxofoons. Zoudt u geen zin hebben zich bij ons aan te sluiten en met ons op reis te gaan?»

Grootvader fagot: «De familie der houtblazers neemt uw uitnodiging met het grootste genoegen aan.»

Cruys, triomfantelijk: «En de drie families gingen vroooohlijk op weg om nieuwe vrinden te zoeken!»

Piccolo en Saxo. Mijn enige trauma. Nu op cd. Bij Philips. God beware ons.